Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1923 Louis Couperus: Oostwaarts
De reis naar Bali

 
Wij zijn aan boord van de Both, kapitein Van der Worp. (K.P.M. = Koninklijke
Paketvaart-Maatschappij.) Aan boord is met ons niemand anders dan Is. Israls.
Complete rust op de even deinende zee. Aan een speeltafel op dek poog ik te
schrijven. Het is in den middag: in een wonderlijk zacht gedempt licht, dat uit zachte
witte en grauwe wolken zeeft, glijden de berg-panorama's ter weerszijden van ons
weg...
Stilte, stilte. Er zijn vele varkens aan boord; zij liggen gekneveld in doorzichtig
gevlochten manden van bamboe; zij liggen daarginds en soms waait hun even
euvele reuk naar het achterdek. Maar zij zijn stil: in stilte gaan zij hun lot tegemoet.
Stilte, stilte. Het landschap van palmboomen en bamboehuisjes heeft in dit licht,
in deze stilte iets van plaat en prent, iets van vroeger: je denkt aan Paul en Virginie...
Maar zulke vergelijkingen zijn uit den booze. Ik wil aan niets anders denken dan
aan Bali, want wij komen van Bali, waar wij een week lang wondermooie dingen
hebben gezien, van die dingen, waarnaar de toerist zich opmaakt.
Na Soerabaia, een vuile stad vol pretentie en zucht naar geld, is Bali een idylle. Een
vreemde, Oostersche idylle van bizondere lijn en kleur. Laten wij vooral in haar niet
denken aan andere idyllen, aan Theokritos of Vergilius. Bali is zichzelve. Bali is Bali
en niets anders. Na den rommel van Soerabaia deze zee, deze palmen, deze vele
poera's, - tempels - deze mooie, schilderachtige menschen. Deze Boeddhisten. De
flamboyante wajang-poppenstijl hunner heiligdommen was mij een teleurstelling.
Ik had te veel gehoord van Balische (niet Balineesche) bouwtrant en beeldhouwkunst.
De gespleten poorten, puntig maar om den spleet geknot, der tempelhoven, zijn sierlijk,
maar het beeldhouwwerk dat poorten en
tabernakels overlaadt is steeds dezelfde cauchemar van maskertronie en demonsch
gedrocht. Van tempels kan men eigenlijk niet spreken. Het zijn tempelhoven, waarin
open schrijnen en heilige huisjes. Soms staat er een verguld gestoelte binnen schrijn
of heilig huisje. Hier daalt, onzichtbaar, het astrale wezen der godheid ner op
bepaalde dagen en uren. Aan dit astrale wezen wordt dan ge-offerd, de geur van
bloemen en vruchten. Het zijn rijk versierde vrouwen, die dit doen, met een enkelen
priester of pedanda. Deze offeringen zijn eigenlijk wel iets heel moois en
aandoenlijks; ik zal ze u later beschrijven en pogen wer te geven al hun zachten
glans en vroomheid.
Langs de wegen, langs de sawah's, langs de poera's, langs de dessa's - die als
kleine kratons wegduiken met laagdakkige huisjes achter muren van leem - beweegt
het volk, gaan zij mijlen ver, dragen de vrouwen hare lasten, drijven naakte
herdersjongens met een herdershoed van palmblad gevlochten, de zeer schoone
gladharige, zachtoogige runderen. Het is, waar men heenblikt, een schoonheid, die
telkens wisselt. Ik wil deze kleuren en lijnen niet dadelijk zeggen, maar als ik ze
later zeg, zullen zij altijd zijn die der idylle. Die van Oostersche herders en
landbouwers, en dan die van offerende vrouwen en kinderen. Nauwelijks heeft iets
van het moderne leven hier op afgegeven. Het is bijna nog geheel onvervalscht en
gebleven zooals het in de Oudheid was. Eene Oudheid niet Grieksch of Romeinsch
maar wel Aziatisch en even antiek als de beide anderen. Wie de Oudheid bemint,
ook in haar Oostersch aspect, kan haar ng voor zich zien in Bali.
Dit heeft mij getroost voor de teleurstelling de eigenlijke architectuur en sculptuur
hier niet zoo mooi te vinden als ik gedacht had. Ik miste in deze Hindoe-sche kunst
steeds de alles oplossende, verklarende, omhoogheffende figuur van de Boeddha.
Het is een wondervol idee te bedenken, dat de nooit uitgebeelde godheid astraal
nerstrijkt binnen de tabernakels en, onzichtbaar, zich voedt met geur en aroom.
Maar dit idee doet de beeldhouwkunst blijven een gestolde nachtmerrie van booze
reuzen met slagtanden en helsche duivels der wraak.
Het zachte van dezen godsdienst is in de idee der onzichtbare goddelijkheid en in de
allerliefste ceremonin, die vrouwen verrichten; het wreede en kunstverdorrende is
om het altijd terugkeerende duivelsche motief van booze reuzen en wraakdemonen.
De kunstenaar heeft de eeuwen door, steeds meer uitgemunt in de afbeelding van
het hemelsche dan van het helsche; de engelen van Fra-Angelico zijn wezens van
het paradijs, aan wie wij gelooven; zijn duivelen bleven steeds grotesk en
onbestaanbaar.
Toch doen in Bali de zoovele heiligdommen, langs weg en in dessah, om
verweerde kleur en bemoste steen mooi aan, onder de hooge palmen en in de
schaduw der reuze-waringins. Waringins zijn onder de boomen de patriarchen en
anachoreten; zij bespiegelen met hun looverdommen de hemelen toe, maar telkens
reiken hunne takwortelen, nervallende en wer den grond zoekende, naar het
aardsche.
In '17, tijdens de aardbeving, zijn vele van deze poera's, ten deele, ingestort. Zij
worden hersteld en dit is het levende van deze toch niet groote kunst. Zij worden,
op initiatief van den architect Mooyen weder opgericht en ik heb beeldhouwers aan
het werk gezien, die, Brahmanen, als een vroom werk met hamer en beitel het
paras-steen be-arbeiden en, ik geloof uit het hoofd de antieke motieven van het
blad, arabesk en demonekop volgden; nu de steeds onzichtbare goden te eeren.
Deze Brahmanen werden voor dit werk niet met geld betaald: terwijl zij werkten,
dachten zij aan Mahabarata en Ramayana en doorleefden zij misschien de antieke
epiek.
Is deze Hindoe-sche bouwkunst - de gespleten poort is het meest treffende
monument - polychroom aangetint, dan is dit, vooral als het gisteren geschiedde,
afschuwelijk en grof geel en blauw, maar de vocht taant dit spoedig tot zachtheid
en het mos woekert weldadig over alles heen.
Vreemd doen de ingevatte borden en schoteltjes - soms staat zelfs een kristallen
coupe op het dak - in de muren der heiligdommen: zijn het de borden, waarop offers
werden geboden? De waardevolle borden - er was Delftsch bij - zijn verdwenen;
borden en schoteltjes zijn nu meestal alle gebroken, verbrijzeld.
Dit is alles slordig, nooit onderhouden, in rune. Zij bouwen wel op, maar verzorgen
nooit. De Oosterling schept, maar weet zelden zijn schepping met zorg te omringen.
Heeft hij zijn werk gedaan, dan moeten goden het overige doen.
Wij zijn in Singaradja de gasten van rezident Damst, die ons rondleidt en inlicht:
hier is de verbrandplaats, waar de lijken op den brandstapel worden gelegd; hier
zijn de heilige boomen, waaraan Yama, de vorst der onderwereld, de zielen spietst
en martelt.
En op deze bas-reliefs en op lijnwaad geschilderde friezen, zooals ook in het
open raadhuis van den Pasar - zichtbaar den volke de gouden zetels der vorsten -
onthullen zich wederom andere martelingen der Hel.
Heeft de gestorvene geen geld zich te doen verbranden - want vooral het
doode-gastmaal den volke aangeboden is duur - dan wordt hij eerst begraven: later
zal hij dan met tien anderen worden verbrand. En zijn asch wordt daarna verspreid
over de zee. Over de branding heen wordt zij verspreid. De branding schuimt haar
mede en weg, wer over het land, wer terug naar de diepe wateren. De asch mengt
zich met zee en land, met water en aarde: het lichaam keert terug tot zijn oorsprong.
De stemming, die een dergelijke gedachte oproept, is over mij gekomen in den
Poera Pondok-Batoe, die tempel, die daar op een heuvel ligt aan den weg langs de
zee, en de zee met hare schuimende branding laag beneden ruischende, ruischende.
Het was een laat grauw namiddaguur. De riffen in zee geleken op den bouwtrant
van poort en tempel: dezelfde flamboyante krulstijl! Een trap van steen geleidt naar
den tempelhof, waar donkere, dicht-bladige cambodja-boomen stonden.
Voor een oud beeld - zeer zelden treft men zulk een Boeddha-achtig, misschien
Hindoeistiesch beeld op deze plaatsen lag een versch offer: een groot, viergevouwen
pisang-blad waarin bloemen, tabak, sirihblad, iets van witte kalk, tusschen enkele
ontbladerende cambodja-bloemen...
In de laagte bruischte de branding der zee door de verder volkomene stilte...
Op eens gevoelde ik over mij komen het bewustzijn hoe geheel verschillend deze
atmosfeer was van alles wat ik op Java, op Sumatra had gezien en gevoeld... Het
was met niets van de groote Soenda-eilanden te vergelijken. Het was volstrekt eenig
en anders, en het was... nog iets van Mdjpahit, alsof wie eeuwen geleden gevlucht
waren van Oost-Java voor de Moslemsche vanen, hierheen met zich hadden
megenomen iets niet tastbaars en bijna niet zegbaars en dit vermengd met een
weemoed om wat geweest was.
Zoo hing het daar, zoo zweefde het daar onder de schaduw der stille, groote
bladeren met het lied van de blanke branding, dalende en rijzende beneden den
weg tusschen de uitstekende riffen, wier gemartelde vormen als voorbeeld den
bouwmeesters schenen gediend te hebben, die toch ook wer gevolgd hadden de
traditie hunner heiligdommen in het verlaten vaderland.
Zoo een stemming troost ook wer voor de teleurstelling, waar ik reeds over sprak.
En nmaal over die teleurstelling heen, treft Bali om velerlei belangwekkende
schoonheid.
Het waren altijd als plotse onverwachte tafereelen, als schilderijen uit Aziatische
Oudheid. Bijvoorbeeld, dien avond, toen wij langs den weg de vrouwen zagen gaan,
naakt het bovenlijf en als koninginnen dragende den offerkorf boven op het hoofd.
Nauwelijks met de vingers reiken zij er heen. Zij gingen velen; tientallen van haar,
de eene achter de andere, wiegelende heupen en armen, de jonge borsten vooruit
en de korf, steeds in evenwicht, als een immense kroon op haar kruin. Die korven
waren met groote kunst volgeschikt met bloemen en met ooft.
De pisangkammen men spreekt van een kam - sisir - pisangsstaken als een
puntdiadeem er het eerst uit op en dan was zeer regelmatig alle andere ooft er
boven uit, zeer hoog, gestapeld.
Zoo gingen zij... Waarheen? Naar een poera - tempel - dichtbij. Het had geregend,
dien dag, de avondschemering viel reeds. Honden blaften voor de tempeldeur, een
zwijn snuffelde er door de modder. Het was het aardsche, dat zwijn en die leelijke
gladakhonden, het afschuwelijkste, nijdigste hondentype, dat ik ooit heb ontmoet.
Maar de fiere, vrome vrouwen, stegen uit de modder de tempeltrap op en schenen
wandelende karyatiden. Binnen in den tempelhof was n enkele priester, de
pedanda, hij de eenige man. En de vrouwen, op de offertafel, zetten hare korven
ner voor de ns lege tabernakels op stijlen: voor de offeraarsters zelve zetelden
daar reeds de astrale godenlichamen in de avondschemer en voedden zich met
den aroom van het ooft, met den opwolkenden geur der sterk riekende bloemen...
En het was wer die bizondere stemming: van de Aziatische Oudheid. Nergens toch
op Sumatra, nergens op Java offeren de vrouwen met zooveel pozie in tempels
aan goden! Zij offeren nog wel eens uit Hindoe-istiesch getint bijgeloof, voor een
enkel beeld, om zwanger te worden. Zij offeren er nergens zooals op Bali, uit diep
doordringende vroomheid. De mannen, zij loopen er rond met hun vechthanen,
geliefkoosd steeds in hun armen, maar de vrouwen en ook de kinderen, zijn vroom
en offeren en bidden...
Het was een innig aandoend schouwspel, in den schemer, in die modder, tusschen
het verderaf geblaf der nu weggejaagde honden, terwijl alleen het zwijn daar nog
zoekende snuffelde.
Na drie dagen gezellig verblijf bij rezident Damst gingen wij op den tuf. Vijf dagen
gingen wij op den tuf en den heer Minas - onthoudt, lezer, zijn naam! - komt de eer
toe ons in die dagen met de auto op uitstekende wijze te hebben rondgeleid door
het eiland. Van het Noorden - Singaradja - naar het Zuiden, waar vooral Bali
schilderachtig en eigenaardig zich den toerist vertoont, en dan naar het Westen:
Karang-Assem en den boozen Batoer-berg. En het is vreemd hoe het Oosten van
Bali dor is, onbewoond, onbezield, onbelangrijk. Terwijl al de volkrijkheid, bezieling,
belangrijkheid zich concentreert in het weelderige Zuiden, in het strengere Westen.
De heer Minas is behalve eigenaar van een vleeschhouwerij en bioscoop te
Singaradja, ook directeur zijner auto-verhuurderij en gids. Hij heeft al de
waardeerbare kwaliteiten van zijn Armeniaansche ras. Wendt u vol vertrouwen tot
hem, reist ge, toerist, rond door Bali!

In het vroege uur langs de Poera van Sangsit naar de badplaats van Tedja-Koela.
Vreemd, zoo een vermoedelijk nog Mdjpahitische badplaats: nissen waarin de
mannen, andere nissen, waarin de vrouwen zich baden en sirammen. Terzijde, de
badplaats voor paarden en buffels. Beeldhouwwerk aan nissen, en poorten en
muren.
Het aanzicht van deze landen is steeds geheel anders dan op Java. De lange
wegen gaan vaak onder veel schaduw langs de dessa's, maar liggen die op Java
open zichtbaar, schilderachtige verwarring van bamboe-huisjes en zonne-doorgloeide
kokosgaarden, in Bali zijn het als kleine kratons aan den weg, want lange, lage
muren - gedroogde modder en die overstreken met wit of grauw en beteekend op
kunstlooze wijze met rand en hoekmotief - sluiten de dorpen af. Iedere dessa heeft
eigenlijk haar poera of heiligdom; iedere groote poeri - huis - heeft hare poera
(heiligdom), en boven den muur is die zichtbaar met de tabernakeltjes der goden,
de open, altijd lege schrijntjes - tot er op het offerfeest voor de verbeelding de
astrale godenlichamen dalen - en de pagodes, soms zeven-, soms negendakig, die
erterzijde van zich verheffen. En deze muren geven een beslotenheid aan het Balische
leven, die zeer treffend is. Langs de wegen, langs de muren, vloeit dit echter, iederen
dag zichtbaar, naar een passer: er is iederen dag wel ergens markt en deze mannen
en vrouwen loopen, langzaam, rustig, steeds zonder haast, de vele kilometers af.
Het zijn dan steeds de vrouwen, die in den morgen de lasten dragen, evengoed als
zij in den avond de offerkorven dragen: het zijn dan steeds de mannen die zeer
gesierd van kleederdracht, hun vechthaan in de armen mededragen. Nooit schijnen
die vrouwen moede. Ook zijn zij meestal, trots de lange wandeling, gesierd in lange
sleepende sarong van kleurig patroon, bloot het bovenlijf, bloemen in het haar. Maar
ook de mannen, bovenlijf naakt, - dragen bloemen in het haar, meestal symmetriesch
aan de ooren of ook in de plooien van den hoofddoek: het zijn soms bloemen, soms
bloemblaadjes. Het zijn een enkelen keer ook sigaretten, die zij zoo dragen.
Hanengevechten zijn wel geoorloofd, maar er moet eerst verlof voor worden
gevraagd. En als men alle deze Balische mannen met hunne hanen, ze liefkoozende
over de ruggen en opstaande staarten, verder niets doende, ziet gaan en gaan,
eindeloos over den weg en terug, moet men wel aannemen, dat er ook wel
hanengevecht wordt gehouden zonder verlof: waar zouden zij anders heen gaan?
Ergens, op een geheime plaats, wordt zeker wel een hanengevecht even vlug
gemprovizeerd: het gevecht zelve duurt enkele minuten - den hanen worden ijzeren
sporen aan de pooten gebonden, boven de klauw en groote sommen worden ijlings
in enkele oogenblikken verwed en steeds in rijksdaalders verhandeld. De klinkende
rijksdaalder is de Balische standaardmunt.
Zoo gaat het onophoudelijk langs de wegen, die langs de als kratons ingeslotene
dorpen voortschieten onder de auto. Des morgens naar de markt, of naar het stille
hanengevecht; des middags, terug van de markt en van de sport, die rijksdaalders
deed verliezen of winnen. Dan, in de dalende zon, worden de hanen eenigen
tijd onder kooien gezet vr een tempel of op een dijk. Zij kakelen en kukelen hoog
en laag, schor en schel. Zij staan daar onder hun koeroengans1 als gladiatorenvogels,
die hun zwaardspel dien dag bedreven en zegevierend overleefden. Hunne meesters,
staande, hurkende, praten na over den kamp en de gelukkige of ongelukkige kansen,
plukken een versche bloem en steken zich die met zorg achter het oor, in den
hoofddoek. Als zij ras in zich hebben, zijn de naakte bovenlijven veelal breed en
gespierd. Maar meer dan hun sawahs - kan het niet anders - bereiden opdat vrouw
en kinderen die dan beplanten, doen zij niet en de rijksten hebben nog hunne
menschen daarvoor.
Zij hebben soms vier, vijf vrouwen; dat kost hier weinig, een luttele bruidschat en
hunne vrouwen zijn hunne dienaressen, slavinnen. Zij werken voor hare mannen,
deze mooie vrouwen met de ranke figuren en de trotsche borsten, zij verdienen
geld voor hen, men zegt op velerlei wijze. Ge-acht als zij niet worden, is er van
moraliteit zelfs niet sprake. Zijn zij oud, dan sjouwen zij alleen nog maar, en dan
geeft de onbedektheid van den boezem een onesthetischen aanblik.
Dit is, in de idylle, die Bali zoo dikwijls te zien geeft, als ge wilt, het stadsleven,
minstens het dorpsleven. De lange wegen zijn er de boulevards en avenues van.
De onophoudelijke flnerie ontrolt zich kilometers lang. Naar Den-Passar, naar het
Zuiden zijn vooral treffend de zeer wijde amfitheaters der rijstvelden, die plotseling,
de schaduw uit den weg, dan stijgen en stijgen in de zonnelucht tot de wolken toe.
Zij zijn, op Java ook, altijd mooi, de spiegelende terrassen, maar op Bali zijn zij nog
wijder uitgebogen als met de trappen van paleizen, nog hooger opgebouwd, als
met eeregaanderijen, het eene boven het andere. Hier golven zij hoog van de
pluimende padi, die wuift tergroen in den wind; daar nog niet beplant maar ruim
overwaterd, spiegelen zij ter allerklaarste hemel en bergen, blauwe bergmassa's,
witte wolkmassa's wer. En breiden zich uit tot den horizon, een wijd, grootsch
landschap: amfitheater bij amfitheater.
Beroemd is dan ook de Balische padi.
De idylle neemt hier een grootsche afmeting aan. Kleine kinderen, naakte knaapjes,
drijven als overal de karbouwen den weg langs, maar de witte karbouwen treffen
hier als bizonder. Mooier nog is het Balische rund, dat hier werkt in de sawah voor
den ploeg door de natte klonters, of in kleine kudde te grazen geleid wordt. Het is
wel bizonder mooi, dit dier; dit slanke stiertje, dat ranke koetje. Fijn is het ras, en
toch krachtig; de gladde vacht is bruin, bijna goud soms; de kop beurt sierlijk aan
den nek op, met de zoo zachte, lieve oogen tusschen vierkant front en vierkanten
muil, en de lange staartkwast hangt over het scherp eirond afgeteekende, zeer
blonde, soms witte achterdeel. De jonge runderen hebben zelfs iets van hertjes. Ik
heb altijd een, misschien, vreemd zwak voor runderen, voor sterke stieren en goede
moeder-koeien, maar een zoo mooi, elegant rund als het Balische, heb ik nog
nergens gezien. Gewijd als ik het Bengaalsche rund zag, is dit wondermooie dier
echter niet. Wat het wel is, dat is het rund der idylle. Het is het potische rund der
pastorale, en als het daar huppelt, sierlijk gratieus, weg voor de auto, opspringt den
berm op, weg springt het veld in en dan wer rustig den mooien kop naar ons wendt,
kijk ik nog om, om het voor het laatst te bewonderen.
Eenden, met lange nekken, uitgerekt, zitten vreemd wijsgeerig bij elkar op de
dijkjes der sawah's, tot de hoedster hen met lange staven waaraan de eigene pluimen
wit en zwart, naar kooi toedrijft in dalende zon.
Het is vooral de tempel en de sawah en de kratondessa, die het Balische landschap
aparte kleur geven en lijn, vooral omdat zij alle drie telkens langs uw gladden
auto-weg opdoemen met hun wajang-architectuur, hun grootschheid, hun
murengeheim. Dat herhaalt zich telkens wer, als ook het markt-gaan zich telkens
herhaalt. Als ook de dragende, halfnaakte vrouwen; als ook de half naakte mannen
met hun beminde hanen. Nu in de zon, hebben de vrouwen ter beschutting harer
naakte borsten, donkere lappen gedrapeerd van links naar rechts aan de korven
op hare hoofden en kijken zij boven die waaiende lappen uit. Al dit dragen en gaan
en drapeeren en sleepen soms van lang kleed door licht stuivelend stof van den
weg, is van een buitengewone, geheel natuurlijke bevalligheid, zwier en
schoonheidslust. Al die houdingen, al die kleuren in zonbegin of zoneinde zijn
ongelooflijk soms. De vrouwen dragen gele sarong, groene slendang-slip, en dan
is er nog iets als een smalle blauwe gordel. Die kleuren, onbewust, completeeren
elkander kleurig harmonieus. Een jonge man wandelt met een kersroode mantellap,
vierkante kan, over zijn naakte schouders en met vuurroode hibiscusbloem aan
zijn slapen. Azuurgazige sluiers van jonge meisjes zijn doorwemeld van
zonstofatomen.
En naar die wondervolle gratie-figuren kijken wij, en kijken wij links en rechts, en
je kan bijna niet bevroeden, dat zij levend realistisch daar over wegen, langs
dessa-muren henen wandelen... Van modern leven heeft dit sierlijk lijnige en
schitterend kleurige leven niets me: alleen... soms zitten zij in een auto!
Zoo, langs deze straat- en landwegen vol schoone dtails, zijn wij van Den-Passar
gegaan door Kloenkoeng naar Karang-Assem. Toen terug en naar Kintamani. Wel,
de namen zullen u niet dadelijk iets zeggen, maar onthoudt ze toch, o toekomstige
toerist op Bali, want zij zijn de rustpunten van den auto-toer, die door Bali te maken
is. Uit Den-Passar zelve bezochten wij den Poera Astrya, vroeger de voornaamste
offerplaats der Balische vorsten, en wij troffen er die Brahmanen aan, die niet voor
geld maar uit vroomheid er beitelden en beeldhouwden. Te Den-Passar is uw
pasangrahan waar gij logeeren moet - stel uw eischen niet te hoog; te Kloenkoeng
zult gij wederom - iets netter maar zonder veel accomodatie voor de maag - een
pasangrahan vinden. Uw bed en uw tafel, wel, ze zijn in Bali steeds maar zoo-zoo.
Het is jammer, dat de contrleur-vrouwtjes zich niet meer deze htelletjes
 aantrekken; het is eigenlijk hun moreele taak het oog er op te houden!
Maar te Kloenkoeng is zelfs geen contrleur meer...
Genoeg over deze kleine misre. Gelukkig is onze auto z goed en onze gids z
volmaakt, dat wij vergeten, dat er in Kloenkoeng noch brood, noch vleesch, noch
wijn was: alleen maar een beetje nassi-goreng (gebakken rijst). Driemaal per dag
nassi-goreng! Poera's en altijd Poera's: tempels en immer tempels; hoogsteltige
tabernakeltjes en negendakige pagodes. In muren vervat liggen zij altijd aan den
weg. Sierlijk lasten-dragende vrouwen, hanen aan het hart prangende mannen. Hier
zijn wederom aristocratische handwerkslieden: met zeer lange nagels aan de handen
snijden hier eenige zonen van Ksatrya's - de tweede kaste in rang, na de eerste der
Brahmanen - kleine idolen uit hout, meest gedrochtelijkheden - soms kleuren zij ze
fel - Boeddha of godsgezicht wordt niet gebeeld: trouwens, hier heerscht meer
iwaisme dan Boeddha-isme.
En toen hebben wij te Karang-Assem het paleis van den Stedehouder mogen zien,
want dit is nog de ambtelijke naam van Goesti Bagoes Djilantik. Daar ik echter
Karang-Assem geen stad of stede vind en dit paleis geen paleis moet ik aan u
overlaten hier meerdere interessante impressies op te doen dan mij mogelijk was.
Het paleis of liever het complex van eenige modderige hoven, vervallen open
pendoppo's, afbrokkelende trapjes, open keukens, waar offerkoeken werden
toebereid - want er waren juist groote, godsdienstige feesten - dan kakelende kippen,
blaffende gladakhonden, scheldende vrouwen, hun huilende kinderen: dit was alles
te zamen zoo ontstemmend nvorstelijk als men zich maar denken kan. Vreemd
was in de open lucht, hoewel overdakt, een bed, met witte klamboe's en geheel
overdekt in doeken en lijnwaad: op dat bed lag, sedert maanden reeds, een
gebalsemd lijk, zeide men ons, van een vrouwelijke verwante van den Stedehouder:
het wachtte om verbrand te worden.
Terug naar Kloenkoeng, en dan naar Kintamani. Nu onthoudt ge de namen wel;
trouwens niemand minder dan Clemenceau heeft deze route genomen en te
Kintamani overnacht (1500 meter). De koude plek in het midden der winden op het
Balische hooggebergte, tusschen Tjatoer-, Batoer-, Abang- en Ajoeng-bergen. Wijd
uitzicht over de bergvervluchtigingen heen tot aan de zee, tot aan de Noesa-Penida,
het boeven-eiland, eenmaal een duchtige piraterij. Maar het interessante punt om
naar te kijken en naar te gaan is de Batoer-berg. Hij werkt vervaarlijk, een dikke,
zwartgrauwe rookkolom kronkelt zich uit zijn gespleten flank. Zijn donder rommelt
en soms beeft de aarde hier, de hooge aarde van Kintamani. Dan is de mandoer
van de pasanggrahan bang en wil weg en wil naar beneden. Want hij toeft hier
eenzaam, zoo er geen ambtenaar of toerist bij hem vertoeft en de goden zijn boos
en openbaren dat door het gebrul van den Batoer.
Daar ligt hij, dreigende, vlakbij. Ge denkt hem zoo even op te gaan om nieuwsgierig
te turen in zijn gebarstene flank. Maar zoo gemakkelijk laat hij zich niet benaderen;
zeer vermoeiend is de tocht en aan de brandende lava verliest ge uw schoenen ten
offer. Daar ligt hij en het meer ligt op een lager plan maar niet zoo laag als vallei en
dorpje. Ge denkt u den Batoer uitbarstende; in die catastrofe zo het meer zich van
dat lagere maar nog hooge plan kunnen uitgieten eenvoudig als een wijde kom, die
kantelen zo, in dorp en vallei. Maar de goden behoeden, schijnt het, de
valleibewoners, die daar vreesloos aan den voet van den berg wonen. Want toen
de berg eens uitbarstte en de brandende stroom lava zich weg baande naar omlaag,
bleef de verderf-aanbrengende vloed stil staan, vlak bij het dorp, daar ter plaatse
waar nu uit dankbaarheid de poera - het heiligdom - zich uitteekent.
Indien ik mijn mooiste indrukken van Bali wil te boek stellen, mag ik niet vergeten
den Dans, dien wij 's avonds zagen dansen door twee meisjes, heel jong, als godinnetjes
gekleed, als kleine, fijne dewi, in hare gouden kans en slendangs met de groote,
driepuntige mijterkroon.
Het waren kinderen van dertien, veertien jaar misschien - op lateren leeftijd dansen
de meisjes niet meer - en zij mimeerden in haar dans een hartstochtelijk drama van ik
weet niet welke emoties vol wraak en toorn; de eene ten minste hield bijna steeds haar
gezichtje verwrongen in hevige passie; de andere - was zij eene medeminnares?
mimeerde bijna smeekend terug; wat de dalang verklaarde, begreep ik niet; nu en
dan scheen het mij toe, dat hij de stem der demonen nadeed; de gamelan was zeer
expressief. Het was geheel anders dan wat wij gezien hadden te Solo; trouwens,
daar was het de hofdans; hier in Bali was het vooral berekend om het volk mede te
doen leven in eene legende, die wel van goden en duivels en prinsessen scheen,
maar toch zeer bewegend moest werken op de volksziel. De antieken hadden het
statariesch en het motoriesch tooneelspel, het statige en het bewogene; mag ik
deze zelfde expressies gebruiken om deze beide dansen te kenmerken, dan zo
ik zeggen: de hofdans der bedojo's te Solo was statariesch - zelfs het malle
pistoolschot was statiglijk, - de dans van toorn en wraak der beide Balische meisjes
was motoriesch. Wat ook zeer trof, was dat deze dans - trouwens de Solosche
evenmin - ook maar eenigszins wellustig was; het was, trots den hartstocht, die
meer van gemoed dan van zinnen was, zeer kuisch en waardig en hoog, en deze
beide kleine, jeugdige danseressen waren artisten bewonderenswaardig om haar
kunst, waarin zij een climax wisten te leggen, die verbaasde.
Misschien zijn deze danseressen eigenlijk nog halve slavinnen. Zoo jeugdig reeds,
zijn zij, trots aanleg en kunstgevoel, moeten worden gedrild, en strengelijk, door
haar meester om niet het woord eigenaar te noemen. De Balische vrouw heeft
geen benijdenswaardige positie. Zij blijft, al is slavernij afgeschaft, de voor bruidschat
gekochte slavin haars mans. Zij werkt voor hem, zij zwoegt voor hem; liever trouwt
zij een Chinees, liever is zij de huishoudster van een Europeaan, dan dat zij aan een
man van haar eigen landwordt toegewezen. Maar zij heeft een oogenblik, dat zij
zegeviert in schoonheid en belangrijkheid.
En dit oogenblik is als zij ter offerande opgaat naar een poera -
tempel -, als zij de Sembaja Dewa - het offer den goden gewijd - gaat volbrengen.
Wij hebben het - na het eenmaal in een kleinen tempel gezien te hebben in modder
en schemering - onverwachts wedergezien in een tempel van grooten rijkdom en
in stralenden zonneschijn. En het contrast was van groote schoonheid. Het was ook
van groote reinheid, want op een dergelijk oogenblik moesten de tempelhoven
gereinigd zijn van alle vuilnis en de onreine honden waren geweerd. Langs den weg
gingen de gesierde vrouwen - sleepende kans, doorzichtige slendangs om trotsche
borsten, wiegende tred, en op het hoofd de sierlijk geschikte offerkorven vol ooft en
bloemen. Zij gingen de hooge, gebeeldhouwde trap op, in edele theorie. Er waren
geen mannen bij, wel jeugdige meiskens en knapen, en allen waren in statie gekleed,
bloemen in haarwrong, aan hoofddoek en oor, en het goud, doorweven en gedrukt
op lijnwaad en zijde, schitterde te allerwege. En de vrouwen zegevierden. Nooit zijn
zij zoo schoon als in deze vroomheid. Nooit zijn zij zoo waardig als plaatsende hare
offerkorven voor het aangezicht der onzichtbare goden op de lange offertafels.
Slechts en man - de pedanda, de priester - ging tusschen hen door. Er was gewijd
water, waarop bloemen dreven. Maar behalve de priester was er ook ne priesteres
- een jeugdige vrouw - en geknield voor de goden - bedenk, dat zij immer onzichtbaar
zijn, ofschoon zij daar geacht worden te zetelen in de lege tabernakels, achter de
offertafels - bad zij, zong zij, bewoog zij de altaarschel, sprenkelde zij met een bloem
het wijwater over de offeringen van bloemen en ooft en koeken - wat sierlijke
offerkoeken! - en gebak en zelfs gebraad, en tikte dan de offerbloem weg voor zich
uit met een allersierlijkst gebaar. En het geheel was volstrekt antiek en op dat antieke
oogenblik zegevierde de Balische vrouw voor het aangezicht harer goden. Zegevierde
deze priesteres met alle de andere vrouwen en heel jonge meiskens - en knaapkens ook -
 die met haar mede knielden.
Neen, hier moeten geen zendelingen iets aan willen veranderen of
verbeteren. Dit gevoelvolle, gelukkige, heidensche oogenblik moet deze offerende
en biddende vrouwen troosten voor l de ellende harer sekse - men ziet het aan de
vrome uitdrukking harer gezichten, aan hare zachte oogen - en hebben de mannen
dan hunne hanen en hanegevechten... deze vrouwen hebben hare offerande, haar
gebed en haar stil, in statie en praal omringd, gelukkig oogenblik voor het aangezicht
harer onzichtbare, maar onbetwijfelbaar ginds aanwezige goden.
Midden in Bali, bij Goenoeng Kawi, bijna ontoegankelijk, want slechts te bereiken
door de sawah-terrassen af te dalen en dan te dringen door een in rotssteen
uitgehouwen vierkant poortje, ligt het - door Rezident Damst ontdekte -
Hindoe-klooster. Het is moeilijk te vinden. De oppasser van Contrleur Haga, van
Gianjar, zal ons vergezellen. Een zee van zonneschijn dien stralenden morgen. In
draagstoel tusschen de glinsterende spiegels der sawah-terrassen den keienweg
omlaag. De draagstoel tuimelt bijna; de mannen tuimelen. Het poortje, het
geheimzinnige poortje door. Een verholenheid, dat Hindoesch heiligdom, die
eeuwenoude kloosterrune, midden in Bali en geheel uitgehouwen in de beide
rotsmassa's, die een rivier, de Pekrisan, doorsnijdt. Een diep, geheimzinnig dal, een
gewijde plaats, vermoedelijk nooit anders toegankelijk geweest, dan door dat poortje.
Nu weeft zich de mysterievolle stemming met den binnenvloeienden zonneschijn
in dit gewijde dal, tusschen alle de ruischende watervallen, die het geleide water
der sawah's omrond ner doet storten. Een muziek van water. Zingend water, dat
de sawah's afklatert; bruischend water, dat de rivier tusschen de rotsblokken
voortstuwt.
Ter eene zijde van de rivier vier in het rotssteen uitgehouwen, groote monumentale
grafgesteenten. Ten minste, het schijnen grafgesteenten. Van Koningen? Wie weet
het. Alles is hier raad-sel. Weinig is te weten van deze heilige plaats, trots eenig
Sanskrietachtig opschrift.
Veel is hier te raden, nog meer te vermoeden. Aan de andere zijde van de rivier vijf
dezer tjandi's of kolossale sepulkers. Bijna Egyptiesch van bouwtrant maar Hindoesch
van stijl. Geen beeldhouwwerk. Strenge eenvoud. Waarom die sleuven onder die
kolossale sarkofagen? Wie, wat bevatten zij en wat werd gegoten door die sleuven?
Of waren het geheime gangen naar binnen?
Vermoedelijk niet. Maar wij weten niets. Zijn dit kleine offertafels, deze vierkante
met rondten voorziene steenen...?
Maar hier terzijde is een tufsteen uitgehouwen... een klooster. Cellen, kleinere,
grootere, voor kluizenaren of voor bewakers dezer Koningsgraven? Dit was
vermoedelijk een vijver; bloeide de lotos hier?
Wij weten van niets. Maar zulke plekken, die gewijd zijn geworden aan vrome
gevoelens en eeredienst aan goden of koningen - in de Oudheid aan elkander
verwant - boeien mij zoo, dat ik, hier, in dit afgesloten dal, nauwelijks mij los kan
rukken van deze betoovering. Ginds rusten de tandoe(draagstoel)-dragers. Ginds
zwemmen zij, spelende in het water. En ik zit op een stuk rots bij het klooster, bij
wat eenmaal een klooster schijnbaar of blijkbaar geweest is, en achter mij en voor
mij rijzen de kolossale, in den berg uitgehouwen sarkofagen, en om mij rijzen de
sawahs den zonnehemel toe en ruischen de honderden watervallen. Tusschen
groen en goud en blauw, van padi en zon en water, geheimzinnigt onder een hooge
lucht, de gewijde plek die ik ben komen zien, en waarvan ik niets weet, dan wat ik
raden en aanzweemen kan. En het is genoeg om te beseffen, dat ons heden niet
meer is dan een ademtocht in den Tijd. Want dit alles was eenmaal het Heden en
het is nu niets meer dan een ongeweten Verleden.
En onder het Hindoesche Verleden schuilt nog ouder, nog antieker, de veelvuldige
Legende. De legende van Keboe-Soewa, den reus, den slokop, die te sterk was en
zijn ouders arm at, zoodat zijn vader zich van hem wilde ontdoen. En een waringin
ten deele liet omhakken, opdat, zoo de te sterke zoon, voorbij ging, hij door den
omvergeduwden boom verpletterd zo worden.
Maar Keboe-Soewa ving eenvoudig den over hem pletterenden
reuzenboom in beide armen als een riethalm op en slingerde hem in de lucht weg.
Toch mocht hij niet terug in het ouderlijk huis, en sedert zwierf hij door Bali en werd
er de bouwheer der antiekste tempels, en met zijn sterke nagels sculpteerde en
cizeleerde de artistieke reus er het poreuse steen en was hij de eerste, die de
demonische en gedrochtelijke motieven uitvond, die sedert altijd gebleven zijn als
de versiering der Balische poera's. En dan de legende van dien anderen reus met
de slagtanden, Begawa Kasisapan, die Dewi Danoe huwde, de godin van het
Batoer-meer, dat daar als een hooge, breekbare spiegel ligt boven de vallei. Zij
openbaarde zich als een glans aan haar vervaarlijken minnaar en hare stralende
zachtheid overheerschte zijn ruwe barbaarschheid en hun zoon was de trotsche
Masa-Danawa, dat is de Reus uit Glans geboren, en zoo trotsch was hij, dat alleen
aan hem geofferd mocht worden en niet meer aan de goden. Toovenaar was hij en
op zijn bevel bloeiden de kapok-boomen van lange kans en kleurige sarongs, en
de padihalmen hingen zwaar van ketoepats: dat is de in ruitvormig gevlochten
kokosblad gekookte rijst. Maar de verontwaardigde goden, die noode hunne offers
misten, verlieten Bali en trokken naar het midden van Java en zetelden daar op de
bergen en strijd ontbrandde tusschen de goden en den trotschen zoon van de
glanzende waternimf en natuurlijk werd hij, trots zijn leger van toovenaars en
demonen, verslagen, omdat in die tijden de goden altijd zegevierden...
Aan boord van de Both, op de, terugreis - ginds liggen op elkar de geknevelde
varkens en reizen, zoo stil, hun lot tegemoet! - las ik nog deze legenden over, als
ik Ma-Patimah zie verschijnen. Zij verkoopt nu hare Balische, gouddoorweven
stoffen, maar eenmaal was zij een der vrouwen van den kroonprins van Bali. En
toen deze stierf, zo zij met alle zijne andere vrouwen, moeten
worden mede verbrand, ten offer aan den doode. Dan zo zij, dan zouden alle
andere vrouwen de voeten worden geboeid, eerst met koorden en daarna met
bloemen-ketenen en dan zouden zij allen van af een hoog verheven plank boven
den brandstapel van den doode bij gamelan-slag en hymne-zang roepende: Ik kom!
Ik kom o Heer en Meester... door een wiegeling van de plank worden gestort in het
laaiende vuur. Een zware steen zo haar de ombloemde geboeide voeten bezwaren,
opdat zij loodrecht vallen zouden in het vuur en niet ter zijde van de naar haar toe
lekkende vlammen.
In de omwaakte poeri (paleis) wachtte Ma-Patimah (zij heette naar haar dochtertje)
haar lot af met hare gezellinnen. Zij had toegestemd in den vuurdood omdat te
weigeren schande zo werpen op hare ouders. Maar den nacht vr de plechtigheid
kreeg zij het leven te lief en... wist te ontsnappen, de muren der poeri over en...
zeventien gezellinnen, die mede verbrand zouden worden, vluchtten met haar. Zij
vluchtte, Ma-Patimah, van Kloengkoeng naar Singaradja en smeekte om hulp bij
het Nederlandsch bestuur aldaar. Zij was veilig...
Sedert werd de wreede adat der weduwverbranding afgeschaft. Ma-Patimah is
geene radja-vrouw meer, maar verkoopt hare mooie stoffen en met ons mede en
met de varkens reisde zij op de Both naar Soerabaia om daar eens - er werd een
Amerikaansch stoomschip verwacht met vele kooplustige passagiers - haar slag te
slaan, zoo zij vermocht. Nooit had zij in de poeri van den kroonprins van Bali ooit
gedacht, nog eens op rijperen leeftijd een eerzame koopvrouw te worden!

 

Previous