Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • De Oorlog • Toerisme • Transport • Ontdekkingsreizen • De Vrouwen • De Ljkverbranding • Algemeen

De Oorlog

 

Koloniën. LOMBOK. Krantentitel:
Rotterdamsch nieuwsblad Datum, editie:
29-09-1894, Dag
 
Koloniën. LOMBOK.
De gisteren uit Indië ontvangen telegrammen luiden niet zeer bemoedigend. Inderdaad stuit men bij de Baliërs op hardnekkiger en krachtiger tegenstand dan men vermoed had. Bijna 14 dagen geleden (op 14 September) werd uit Indië geseind, dat de staf geloofde, binnen een week Mataram te kunnen bemachtigen. En thans wordt zelfs bericht, dat er sprake zou zijn van hervatting der onderhandelingen, omdat de verovering van Mataram en Tjakra Negara zooveel moeite kost!
Er wordt echter nog enkel van geruchten gesproken. Wanneer die al een grond van waarheid hebben, dan zal die wel een andere zijn dan dat onzerzijds de eerste stap is gedaan om te onderhandelen, omdat... de onderwerping der Baliërs door kracht van wapenen zich langer laat wachten dan men gemeend had. Veeleer is het aan te nemen, dat van de Baliërs een poging is uitgegaan om weder tot ecu schikking te geraken en heeft het ondervonden onoplhoud, dat vermoedelijk met terreinbezwaren samengaat, aanleiding gegeven tot het gerucht, dat men onderzijds aanraking zoekt. Het gerucht klinkt al zeer weinig geloofwaardig.
Stellig luidt het bericht, dat een oorlogsschip en een bataljon naar Bali gezonden zijn, omdat Goesti Djilantik daar onrust stookt. Men zal zich herinneren, dat deze vorst van Karang Asem (op Bali) vazal is van den vorst van Lombok en met zijn volk naar Mataram was gekomen om hulp te verleenen. Hij was de ziel der vorige onderhandelingen en werd beschouwd als de vredestichter. Aan het verraad verklaarde hij geheel onschuldig te zijn en men liet hem ongemoeid naar Bali terugkeeren. Nu hij daar onrust stookt, schijnt hij het masker te hebben afgeworpen. Het is te hopen.dat de komst der "troepen tijdig genoeg zal zijn om die zaak in den aanvang te smoren. Een opstand in Bali zou zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Ook met het oog daarop is het wenschelijk, dat op Lombok spoedig de zaken een beslissende wending nemen. Waarom ongerustheid te Makacsar heerscht — gelijk het telegram verder meldt — is .yegens de beknoptheid der mededeeling niet geheel te verklaren. Er wordt gesproken van de aanwezigheid van 5000 man hulptroepen uit Goa en Sidenreng. Dit zijn staatjes in het zuidwestelijk deel van Celebes, waar ook Makassar is gelegen. Reeds vroeger is gemeld, dat de hoofden dier staatjes hulptroepen aan het gouvernement hebben aangeboden. Van aanneming is echter niets vernomen. De hoofden schijnen echter alvast 5000 man te hebben bijeengebracht en in de nabijheid van zulk een inlandsch leger acht de burgerij van Makassar zich blijkbaar niet volkomen veilig. H b 1. Aan een brief van een soldaat, die deelneemt aan de expeditie op Lombok, ontleenen wij de volgende eigenaardige .voorstelling omtrent land en volk aldaar: „(Bali?) en Lombok weigerden om onder de Europeanen te staan en wilden geen belasting betalen. Het inlandsche hoofd speelde daar den baas. Als er een was, die 50 gulden verdiende, dan moest hij daar 25 gulden van af geven, en zoo niet, dan motst hij dood gemaakt worden. Dit gaat hier heel gemakkelijk ; ze nemen maar een kris, een steek in het hart en weg ben je, want aan de. kris zit zwaar vergift. Als een huisvader of een huismoeder of ook een landbouwer de grootste helft niet gaf, was het onmiddellijk de dood. Er waren dagen, dat er 30 a 40 om het leven werden gebracht. Op het laatst begon men tegen elkander te oorlogen en dit is nu al twee jaar aan den gang. Het behoeft dus niet gezegd, hoe verwilderd de menschen er'waren en wat het voor ons was, daar aan land te gaan. Het hoofd — de koning van Lombok — heeft zich zelf daarop gewerkt, dat wil zeggen op den troon. Wegens de herhaalde binnenlandsche vechtcrijen, waaraan de mannen moesten deelnemen, zijn de vrouwen er reeds aan gewoon geraakt op het veld te werken, zoodat men nu, nu er niet gevochten wordt, de mannen het huiselijk werk ziet verrichten en met de kinderen loopon, en de vrouwen op den akker. Wanneer zich nu de een of andere compagnie soldaten vertoont, gelijken de menschen op herten : zoo ziet men zeen zoo zijn ze verdwenen. Het is hier 's nachts zoo koud, dat ik met een sprei, deken en mijn kapotjas over mij hoen nog niet warm word. Bij ontwaken spoed ik me dadelijk naarde keuken om brood, koffie en een oorlam te koopen. Hier zijn vijf buitenverblijven. Er zijn erbij veel mooier dan in Nederland en die stellig een millioen hebben gekost. De arbeiders van een der verblijven moeten echter werken voor niets, zonder eten, en die dit niet verlangt, wordt eenvoudig gedood. Hier groeit van alles, wat men ook maar bedenken kan." H b 1.
 
Lombok. Krantentitel:
Algemeen Handelsblad Datum, editie:
17-06-1894, Avond
 
Lombok.
Nu. volgens de Staatscourant van Donderdag, van Lomboksche zijde niet voldaan is aan de door het Indisch Bestuur gestelde eischen on daarop door den Gouverneur-Generaal aan den vorst van Lombok de oorlog is verklaard, schijnt ons het oogenblik gekomen in eenige beschouwingen te treden omtrent de kansen der expeditie. Wij stellen op den voorgrond, dat wij steeds hebben aangedrongen op minnelijke tusschenkomst, wanneer die slechts eenigszins mogelijk was. „De vorsten van Lombok, zoo schreven wij een paar jaren geloden, zijn onze oudste bondgenooten in het Zuidoostelijk gedeelte van den Indischen Archipel; wij hebben verplichtingen aan het Lomboksche vorstenhuis, en de aangewezen weg is dus: niet dat wij ons met de opstandelingen verbinden om den vorst te verdrijven, maar wel dat wg trachten, met den vorst betere toestanden in het leven te roepen." Wij zullen dus de laatsten zijn om de door den gouverneur-generaal Pijnaeker Hordijk gevolgde gedragslijn af te keuren. Nederland verlangt geen uitbreiding van zijn gebied, en de vorsten, aan wio zelfbestuur is gelaten,
moeten in het algemeen wel overtuigd zijn dat wij hunne rechten ten volle eerbiedigen.
Doch .... aan alles is een grens. Wanneer de vorst van Lombok weigert de brieven van den gouverneur-generaal, den vertegenwoordiger van den souverein, in ontvangst te nemen, dan verbiedt onze waardigheid, daarin te berusten. Wanneer het wanbestuur des vorsten zoo hoog stijgt dat ellende en hongersnood in zijn land heersenen, dan verzaakt de souverein zijn plicht als zoodanig, en den plicht der monschelijkheid tevens, indien hij niet tusschenbeide komt: vriendschappelijk zoo het kan, met de wapens in de hand, zoo het moet. En door de vriendschappelijk bedoelde inmenging op de lovopste wijze af to wijzen, heeft de Lomboksche potentaat ons ten slotte tot de expeditie gedwongen. Aldus is de indruk, dien wij verkregen uit do van tijd tot tijd openbaar gemaakte berichten. Die indruk zou wellicht gewijzigd kunnen wordon, indien wij vollediger waren ingelicht dan thans hot geval is. Doch wij meenen te weten dat èn de reside«t van Bali en Lombok, èn de Raad van Indië sedert lang op wapengeweld hebben aangedrongen. Zeker is dit feit niet zonder beteekenis: de resident kan de politieke toestanden on ook de moeilijkheden, aan eene expeditie verbonden het best beoordeelen; — de Raad van Indië, geheel uit burgerlijke ambtenaren samengesteld, kan allerminst van „militaire aapiratiën" worden verdacht. Als zoowel de resident als de Raad van Indië een militair optreden noodzakelijk en onvermijdelijk achten, is er inderdaad groote waarschijnlijkheid dat het zulks ook is. Om ons volk do overtuiging te schenken dat de expeditie naar Lombok volstrekt noodig, door onze waardigheid geboden was, ware het wenschelijk dat alle daarover handelende rapporten sedert het begin van 1890 — toen de opstand der Mohammedaansche bevolking een aanvang nam —» werden gepubliceerd. Wij vermoeden, dat dan afdoende zou blijken, dat de meest mogelijke, wellicht zelfs overdreven lankmoedigheid is betracht, en dat de tegenwoordige Indische regeering niet anders kon handelen dan zij gedaan heeft. Wanneer de overtuiging daarvan zich bij ons volk en zijne Vertegenwoordiging gevestigd heeft, is dat een moreele steun voor de Regeering, waaraan zij wellicht eenmaal behoefte zal hebben. Ten aanzien van Atjoh heeft zq die te veel gemist! Uitgaande van de meening dat het zenden eener expeditie thans — nadat alle andore middelen tot vereffening der Lomboksche quaestiëu te vergeefs zijn beproefd — ten volle gerechtvaardigd is, willen wij thans trachten, het pessimisme te bestrijden, dat ten aanzien der kansen van de expeditie verleden week bij monde van den oud-Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk aan het woord was. Luchthartigheid is voorzeker misplaatst. Men moet de slechte kansen niet over het hoofd zien, en daartegen zooveel mogelijk zijne maatregelen nemen. Maar van den anderen kant — hij die in het volle vertrouwen op zijn goed recht een oorlog begint, moet ook niet beangst ge-
maakt worden voor den uitslag; zijn zelfvertrouwen moet niet ondermijnd worden!
lïeeds bij de aanvraag tot het houden zijner interpellatie, op 7 Juni, sprak de heor Hordijk over de „ongerustheid" die zich van hem had meester gemaakt, op het vernemen van het bericht dat eene expeditie naar Lombok werd voorbereid. En hij wees daarbij op de Balische expeditiën van 1846—1849, „om te doen uitkomen dat eene expeditie tegen eene bev^lking van dezelfde geaardheid en een eiland" van ongor?0*1 «lenzelfden omvang eene zaak is van niet gering S"wicht.- die vergelijking gaat, dunkt ons', _nêr.nlmBt .°P! De heer Hordijk erkende „dat er belaügriji*-6 verschilpunten tusschen Bali en Lombok zijn, maar wees deze niet nader aan. Zij zijn, bovenal, dat wij op Bali de gansche bevolking tegen ons hadden, terwijl, op Lombok, nagenoeg de geheele bevolking (94 pCt. volgens Jacobs, bl. 149) reikhalzend naar onze komst uitziet en onze troepen als bare verlossers van de schandelijkste overheersching begroeten zal. Op Bali vochten onze troepen hoofdzakelijk tegen Boegmeezen, daartoe door de Baliërs gedwongen (Jacobs, bl. 115); op Lombok zullen zij staan tegenover Baliërs, die volgens Jacobs niet dapper en krijgshaftig zijn. Inderdaad, de „verschilpunten" tusschen Bali en Lombok zijn wel belangrijk; zóó belangrijk, dat men kan zeggen dat er tusschen beide expeditiën — die van voorheen tegen Bali, van thans tegen Lombok — niet de minste overeenkomst is waar te nemen ! Bij het houden zijner interpellatie, op 8 Juni, heeft de heer Hordijk zich herhaaldelijk beroepen op een opstel, door den kapitein H. P. Willemstijn in het Indisch Militair Tijdschrift van 1891 geplaatst. Wij willen hierbij opmerken, dat dit opstel niet anders was dan eene, wij voegen er gaarne bij, zeer volledige en 'verdienstelijke compilatie van hetgeen iv vroeger en later tijd over Lombok is gepubliceerd; het was niet gegrond op eigen onderzoek of eigen waarneming. Meu mag het dus niet te hoog lateu klinken dat het stuk, als afkomstig van een kapitein van den generalen staf, derhalve wel eenig vertrouwen verdient (Handelingen le K., bl. 17). Zoo wat de ongezondheid betreft. Voor zoover wij hebben kunuen nagaan, is alles wat daaromtrent medegedeeld is, afkomstig vau Zollingen, die in 1847 over Lombok schreef. Zollingen had (Tijdschrift voor Ned^ Indië 1847 II bl. 303) „de droevige ondervinding dat het klimaat van Lombok zeer gevaarlijk was"; Pidjoe was de eeuij'e „zeer gezonde plaats die (hem) als zoodanig bekend was". Maar wij vragen: is dio mededeeling als een afdoend bewijs te beschouwen? Zollinger zelf schrijft: „bij den eersten aanblik zou men het eiland zeer gezond uoomen; het land is goed bebouwd, de moerassen zijn zeldzaam, de berg- en zeewinden waaien bijna altoos en temperen de groote warmte". — Jacobs schrijft, (bl. 154) dat het drinkwater „uitstekend" is. Vanwaar dan de roep van ongezondheid? „De inboorlingen zeiden mij — Bchrijft Zollinger t. a. p. bl. 304, — zich geen enkelen goedeu moesson te herinneren waarin de koortsen zoo gevaarlijk waren geweest als in die van het vorige jaar". Welnu, in 1846 was het ook op Java hoogst ongezond ; toen heerschte er in het Zuidelijk deel onzer bezittingen eene koortsepidemie,die duizendeu en duizenden ten grave sleepte, ltochusson spreekt in zijne Toelichting en verdediging van eenige daden van mijn bestuur in Indië, bl. 152, van do „epidemie, welke gedurende de jaren 1846, 1847 en 1848 in de bergdistrieten van het centraalgedeelte van Java heeft gewoed en zooveel verwoesting heeft aangericht. Mag men daaruit nu de gevolgtrekking maken dat Java een hoogst ongezond koortsland is, waarin de Nederlanders zich liefst niet moeten wagen? Immers neen! Do heer Pij_acker Hordijk, op grond van de beschouwingen des heeren Willemstijn aannemende dat de Mohammedaansche bevolking door Mohamraedaansch fanatisme togen hareu vorst wordt opgezet, stelt de vraag: „of het op onzen wog ligt om, daar waar naast den Mohammedaanschen godsdienst ook de godsdienst der Hindoe-Baliërs gevonden wordt, door expeditiën in zekeren zin propaganda te maken voor het Mohammedanisme?" Wanneer men den brief leest, uit naam der bevolking tot den resident gericht en Woensdag jl. in ons blad opgenomen, dan zal men zion dat niet het Mohammedaansche fanatisme, maar wel de verregaande onderdrukking en knevelarij waaraan het volk van de zijde van den vorst was blootgesteld, de oorzaak van den opstand is geweest. Doch wanneer men de bescherming eener Mohammedaansche bevolking beschouwt als het maken van propaganda voor het Mohammedaansche geloof, eu haar daarom bedenkelijk acht, dan stellen wij daartegenover de vraag: wat de dertig millioen Mohammedanen in onsen Archipel wel van ons bestuur zouden moeten denken, wanneer zij zagen dat wij ous op jLombok van de
bescherming der bevolking onthielden omdat deze Mohammedanen zijn? Natuurlijk heeft de heer Pijnacker Hordijk dit niet zoo bedoeld. Maar wij meenen dat de Regeering, in goeden zin neutraal blijvende ten aanzien der verschillende godsdiensten, nooit de overweging mag laten gelden, dat een Hindoe-vorst de Mohammedaansche bevolking mag onderdrukken, omdat men,dit tegengaande, „iv zekeren zin propaganda zou maken voor den Islam" ! Eindelijk zeide de heer Pijnacker Hordijk nog, dat men den vijand, dien men tegenover zich zoude vinden, niet moest onderschatten; bi) fceeft „een groot getal wapenen, dat eenigen tgd geleden a' gerekend werd te bedragen 25000 geweren, waarvan 1000 achterladers, en verstaat zelfs de kunst om geweren te maken..." Overschatting van den vijand is altijd verkeerd; maar men hoede zich evenzeer tegen oj-erschatting! De indruk, dien de lezing van het opstel van kapitein Willemstijn ons gaf omtrent de bewapening ver Lomboksche benden, >b geenszins zoo verontrustend als Enen uit dé mededeelingen daaruit, van den Hordijk, zonde afleiden. De „vuursteu- en percussiegeweron' zrjn van weinig waarde. „De oefeningen èestaan in het uitvoeren van bewegingen en uitdagende gebaren die, wel verre van het vu"ur te versnellen, veel tijd doen verliezen. De* Baliërs besteden vooral met het aanleggen zooveel tijd, dat een Europeesch soldaat drie maal laadt en vuurt vóór zij het geweer hebben afgeschoten". „Overweegt men", schrijft Willemstijn, „dat Zollinger dit heeft geschreven in den tijd toen onze troepen nog met voorlaadgeweren bewapend waren, dan zal het overwicht va ft ons tegenwoordig vuurwapen izel zeer groot zijn" (Ind. Mil. Tijdschrift 1891, I. b1.529)r al „gebiedt de voorzichtigheid, om de mogelijkheid aan to nemen dat de Baliërs op dit gebied sedert wel zijn vooruitgegaan". Deze zinsnede bewijst wel, dat alle zekerheid dienaangaande ontbreekt. Daarentegen weten wij wel, dat 's vijands artillerie „ons niet behoeft af te schrikken"; er zijn 70 :i 80 kanonnen van zeer oude constructie, waarvan het grootste gedeelte geen affuiten heeft. Eene expeditie naar een eiland, waar de overgroote meerderheid der bevolking aan onze zijde staat en ons als hare verlossers begroet; waar het klimaat met dat van Java ge wordt gelijk te staan; waar de bewape) onzer tegenstanders in hooge mate lager staan dan die onzer troepen, — zoodanige expeditie heeft, n:tar onze meening, alle kans op succes. En het is onze vurige wensch, dat dit succes spoedig en afdoend verkregen worde, opdat in de toekomst niet meer sprake zij van „Lomboksche gruwelen", maar de bevolking reden hebbc de wijsheid en de rechtvaardigheid van Nederland te roemen.
 
Eerste Blad. DE EXPEDITIE NAAR TABANAN. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
15-01-1904, Dag
 
DE EXPEDITIE NAAR TABANAN.
II.*) [Slot]. Hier vond men derhalve in beginsel het paria-wezen uil» Hindostan terug. En eveneens uo opvatting daar in zwang, volgens welke de vrouw, die weigerde haren echtgenoot in dea dood te yoigen, uit de samenleving werd genooten en als een verachtelijk persoon be.landeld. Een schrijver in een yxoeger Indisch tijdschrift, den „Moniteur des Indes". schreef over dez© weduwenverbranding: „Of dit wel altoos vrijwillig geschiedt, mag veilig betwijfeld worden; dooh men i.s niet karig met bedwelmende dranken en gebruikt desnoods gewelddadige middelen. Er bestaan zelfs voorbeelden, dut zoons hunne moeder het hart doorboorden, omdat zij weigerden huns vaders lijk ten vure te volgen."
lets dergelijks gebeurde ook bij het recente geval in Tabanan. Het was ter kennisse van de itcgeering gekomen, dat minstens één van de daaj- verbrande weduwen tegen haar wil op den brandstapel werd geworpen, en dat deze omstandigheid door een deel der B^ulisahe toeschouwers, bij wijze, van protest, beantwoord was door zich onmiddellijk te verwijderen. Trouwens, zulk een protest was niet zeldzaam, ook in het vaderland der lijkverbranding, bij inboorlingen, die men voor hun tijd liberaal had kunnen noemen. De bereisde scheepschirurgijn Wouter Schouten bevestigt dit in zijn bekend "reisverhaal. En ook - dat" degenen, die schroomden dit hoogste blijk van huwelijkstrouw te geven, door hunne landgenooten voortaan uit de gemeenschap gebannen werden. Over rijn bezoek aan de kust van Coromandel, waar do 0.-I. Comp. hare factorijen bezat, en hetgeen hij daar van het „sutti" of de weduwenverbranding gezien had, schreef hij:
"De vrouwen, welke do kloekmoedigheid gehad hebben van zig dus te laten verbranden, wordan onder de heiligen in den hemel geplaatst. Doch dezulken integendeel, die geen lust hebben op deze wijze de reis naair de ander© waieredd aan tè vangen, worden gevat, heit haar offeiesnedsn, ge- Fcholden, smadelijk gehandeld en vervolgens van menden en magen schandelijk ver&tooten; wanneer zij dan genoodzaakt zijn lianen kost op eea oneerlijke wijs te winnen."
De koloniale staatslieden in Engelsch-Indië waren intusschen de Hollandsche in Ned.-Indië ver vooruit, zoowel met de afschaffing der slavernijl als met de onderdrukking van „sutti". Er was geen denken aan, de millioenen Hindoes en Mohammedanen, welke Voor-Indië bevolkten, van hun voorvaderlijken godsdienst te willen afbrengen; de reeks der nationale opstanden zou daardoor slechts vermeerderd zijn geworden. De leer der volkomen godsdienstvrijheid werd door hen in Indië gehuldigd en volgehouden met die beginselvastiteid. welk© het Angel-Saksische *) Zie Set Nieuws van den Dag van 11 Jan.
ras zoo vaak onderscheidt. Maar het misbruik van „suttee" kon geen genade in hun oogen vinden. Daartegen werd een absoluut verbod uitgevaardigd, en dit verbod door de Britsche residentie aan de inlandsche hoven met klem gehandhaafd. In hefc rijk van Bicanir, waar zioh nog (te Dcvi Kound) de marmeren gedenk. teekenen bevinden voor de vrouwen, die ?ich met, het lijk van een overleden vorst lieten verbranden, had de laatste dezer hekatomben plaats in hot jaar 1826. Toen werd de tweede zoon van den radja, een zeer schoon jonkman, na. zijn overlijden verbrand, en tegelijk met hem zijne weduwe, die eene prinses van Oudipore en slechts achttien jaren oud was.
En in Ned.-Indië daaaentegen werden dertien jaren te voren, nog twintig vrouwen verbrand, bij gelegenheid van het overlijden van den radja van Boieleng (Bali). De 0.-I. Compagnie volgde ten deze eene staatkunde van non-interventie; zij liet zoowel den soesoehoenan van Mataram als de vorsten van Bali hun gang gaan, waar zij het bloed hunner onderdanen als water vergoten, mits hare handelsbelangen slechts niet in de knel kwamen. Beeds Va.lentijh maakt van deze toestanden gewag als een erkend godsdienstig gebruik, waarmede de loffelijke Compagnie zich niet dacht te bemoeien in een tijd, toen zij buitendien elders de handen vol had, eh ook vaak de middelen miste om aan hare wenschen met ijzer en staal kracht bij te zetten. Jn zijne „Beschryvinge van Bali" leest men:
"Een. groot blijk van de genegenheid en onderdaanigheid dezer vrouwefi -bespeurt men ten tijde als J.iaare mannen komen ta sterven; alzoo zij, wanneer hunne lijken na 's lands wijze verbrand worden, met haaire juweelen aan en onder 't geluid van hunne speeltuigen, al danzendö in 't vuur springen, en zich met hen zeer welgemoed laaten verbranden; zich vast inbeeldende, dat zij met hen in de andere wereld, en zoo zij elders sterven in hun vaderland, op 't eiland Bali, ten eersten zullen herleven, en daar in een veel lij ker staat weer bij hare mannen zijn, om welke reden zij te minder zwaarigheid maken om hen te volgen. Wij hebben dit ook elders met een geval van een overleden prins van Balamboang (Balembangan), dat mede meest Baliërs zijn, aangewezen, met welke eenige honderd vrouwen toen stierven."
Het lijkoffer wt*_dt „satija" genoemd, wan-: neer de vrouw zelve zich opoffert, maar is het een bijwijf of slavin, dan noemt men het „bela". Aan de vrouwen van alle kasten komt het recht toe zich op te offeren, maar bij de handeldrijvertde en de militaire klasse werd dit gebruik het meest gevolgd. De aanwijzing d<?r slachtoffers bij: het pverlijden van een vorst geschiedde door den „braohmana phidanta" of hoofdpriester, brj. gelegenheid dat het lijk van den overledene werd „afgelegd" en met wijwater besproeid. Dweepzucht en bijgeloof aan den eenen kant, het vooruitzicht op levenslangen smaad en schande aan den anderen kant waren in den regel voldoende om de vrouwen tot vrijwillige aangifte te bewegen; maar tochi niet ieder was gemaakt van het deeg waaruit men martelaren vormt. Gewis werden in den loop der jaren honderden vrouwen niet door eigen overtuiging, maar door vreemden dwang ten vure gedoemd.
Men zou de Koloniale Verslagen oplettend moeten doorlezen om te ervaren of, en zoo ja, sedert wanneer, de resident van Bali en Lombok, als vertegenwoordigers der Indische Eegeering, zich tegen dezen openbaren gruwel heeft verzet. Een krachtiger steun dan het gouvernement gewoon was aan de pending in Indië te geven, had hier zeker wel iets goeds kunnen uitwerken. Het strekt Nederland niet tot eer, dat, waar de Britsche autoriteiten in Hindostan sedert lang de secte der Thugs of worgers uitroeiden (óók eene uitspatting van den Hindoe-godsdienst) en de weduwenverbranding geheel deden ophouden, in Oost-Indië nog heden ten dage eene expeditie noodig blijkt om aan de barbaarschheid paal en perk te stellen.
Wat (zoo vraagt men zioh af) heeft de Eegeering tot dusver gedaan om aan de duistere gebruiken van den Shiwa-dienst ¦ een eind te maken; en is het eerst onder dezen Gouverneur- Generaal, dat do. zaak in die mate de aandacht heeft getrokken? Het is waar, dat "na de derde Balis-ehe expeditie (waarbij' Tabanan en Badong als bondgenooten der Eegeering optraden) eigenlijk eerst sedert het jaar 1859 althans in de gouvernements-afdeelingen van het eiland de mensclienoffers ophielden. - Maar in de zgn. Vorstenlanden bleef het gebruik in zwang, en nog in 1890 werden de wettige vrouw en twee bijwijven van den overleden vorst van Badong aldus aan do goden geofferd. De maohtsontwikkeling bij de thans op het getouw gezette expeditie (twee marschvaaTdig gemaakte bataillons infanterie met een vijftal oorlogsschepen en een tiental kanonnen voor de landingsdivisie) bewijst wel, dat de Eegeering éen indrukwekkend wapenfeit voorbereidt, berekend, om de eilandvorstjes te dwingen zich te voegen naa^r Westersche begrippen van menschelijkh 1.. Eu recht. Reeds de Gouverneur-Generaal Rochussen,. schreef tijdens de tweede Balische expeditie aan den commandant daarvan, den Generaal Van dea- Wyck:
"Laat God mij in het leven, ön de Koning mij in mijne betrekking, dan zal ik niet rusten, voordat Bali in zoover zal ten onder gebracht zijn, dat het ons niet tarten of 6chadem kan. Ik heb steeds verklaard geen conquest tot vermeerdering van ons eigen gebied, tia veclaogjes.: dit verlang ik nog niet", enz.
Maar een jaar later, toen de derde expeditie noodzakelijk was geworden, schreef dezelfde landvoogd aan Generaal Michiels:
"Ik herhaal nogmaals, dat inlijving van Bali onder de bezittingen onder ons onmiddellijk beheer doel noch wensch is, maar dat men daarvoor niet moet terugdeinzen, wanneer zonder dit niet is te verkrijgen heit tweeledig oogmerk: voldoening voor het verleden© en waarborg voor de toekomst."
Welnu, de verbonden vorsten van Bali moesten bukken, en die voldoening voor het verleden© werd tot op zekere hpogte wel verkregen. Niet alzoo de waarborg voor ile toekomst — hefc voornaamste! De vorsten behielden hun- ne 'Volkomen zelfstandigheid, onder erkenning van de Nederlandsche suzereiniteit; zij beloofden alleen zeeroof ca slavenhandel 'te zullen tegengaan en deden afstand van het kliprecht Met de voorvaderlijke instellingen en godsdienstige gebruiken, derhalve ook met de vrouwenverbranding, liet de Regeering zich niet in, toen zoo min als vroeger. En zóó weinig *as de toekomst gewaarborgd, dat nog in 1857 en in 1868 expeditiën naar Bali moesten ondernomen worden, hoewel die sleohts kort van duur waren en me«r een politionneel dan een staalkundig karakter hadden.
Alleen in de gouvernements-aideelingen, in Boleleng en Djembrana, waar .het Nederlandsche gezag in de plaats was gekomen van het gezag der inlandsche potentaten, werd voor altijd een eind gemaakt aan menschenoffers, die een voortdurende aanklacht waren tegen.het bestuur van de erfgenamen der Oost-Indische Compagnie. Hetzelfde onverbeterlijk optimisme, dat in 1849, na de eindelijke onderwerping des èïlands, het gewonnen terrein weer prijs gaf en alle verbetering van de staatkunde hoopte, speelde ook later aan. Nederland zijne parten. Men geloofde niet door geweld, maar door politiek beleid zijn invloed te zullen uitbreiden; men geloofde, dat alleen daardoor de aan ons gebied grenzende landschappen er toe zouden komen om zich eveneens ouder het Hollandsche bestuur te stellen, ten ginde de welvaart ca de rust der gbuverruementslanden jnede deelachtig te worden. De thans op handen erpnd» krijgstbcht' is hèt antwoord op dat aveiechtsche Begeeringsbeleid. En voorzeker zal men die krachtsontwikkeling toejuichen, waar ze mede dienstbaar gemaakt wordt aan de beschaving, aan de uitroeiing van een onmenschelijk-godsdienstig gebruik. Wist men niet<, dat instellingen, die met het waas van het goddelijke overtogen zijn, soms lijnrecht ingaan tegen de wetten der natuur, men zou het schier onmogelijk achten, dat een volk eeuwenlang 'uit godsdienstwaanzin berusten kon in den marteldood van zooveel honderden onschuldigen. Want ook hier geldt het woord des dichters:
Jedoch eter schrecklichste der 'Schreckeii, Dae ist der Mensch, in. sein .oa, Walm. S. KALFF.
 

De Tabanan-Kweatle. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
19-02-1904, Dag
 

De Tabanan-Kweatle.

II. O De schrijver eindigt zijne belangwekkende studie als volgt: Hier vond men derhalve in beginsel het paria-wezen uit Hindostan terug. En eveneens da opvatting daar in zwang, volgens welke de vrouw, dia weigerde haren echtgenoot in den dood te volgen, uit de samenleving werd gestooten en als een verachtelijk persoon behandeld. Een schrijver ineen vroeger Indisch tijdschrift, den „Moniteur des Indes", schreef over deze weduwen verbranding : ,0f dit wel altoos.vrtjwillig geschiedt, mag veilig betwijfeld worden: doch men is niet karig met bedwelmende dranken en* gebruikt desnoods gewelddadige middelen. Er baataan zelfs voorbeelden, dat zoons hunne moeder het hart doorboorden, omdat ztj weigerden huns vaders lük ten vure te volgen." Iets dergelijks gebeurde ook btj het recante geval in Tabanan. Het was tor kennissavan de Begaering gekomen, dat minstens één van de daar verbrande weduwen tegen haar wil op den brandstapel werd geworpen, en dat deze omstandigheid door een deel dar Balische toeschouwers, btj wijze van protest, beantwoord was door zich onmiddellijk te verwijderen. Trouwens, zulk een protest was niet zeldzaam, ook in het vaderland der lijkverbranding, bij inboorlingen, die men voor hun tijd liberaal had kunnen noeman. De bereisde scheepschirur(*) Z»e ons nummer vaa 17 dezsr (T weede Blad.) gön Wouter Schouten bevestigt dit in zfln bekend reisverhaal. En ook dat degenen, die schroomden dit hoogste blflk van huwelijkstrouw te geven, door hunne landgenooten voortaan uit de gemeenschap gebannen werden. Over z|jn bezoek aan de kust van Coromandel, waar de O. I. Comp. hare factorflen bezat, en hetgeen h|j daar van het „sutti" of dé weduwenverbranding gezien had, schreef h|j: „De vrouwen, welke de kloekmoedigheid gehad hebben van zich duste laten verbranden, worden onder de heiligen in den homel geplaatst. Doch dezulken integendeel, die geen lust hebben op deze w|jze de reis naar de andere wereld aan te vangen, worden gevat, het hair afgesneden, gescholden, smadelijk behandeld en vervolgens van vrienden en magen schandelijk verstooten; wanneer zfl dan genoodzaakt z|jn haren kost op een oneerlijke wijs te winnen." De koloniale staatslieden in Engolsch-Indië waren intusschen de Hollandsche in Ned.- Indië ver vooruit, zoowel met de afschaffing der slavernij als met de onderdrukking van .sutti". Er was geen denken aan, de miliioenen Hindoes en Mohammedanen, welke Voor-Indiö bevolkten van hun voorvaderlijken godsdienst te willen afbrengen; de reeks der nationale opstanden zou daardoor slechts vermeerderd z|jn geworden. Ds leer der volkomen godsdienstvrijheid ward door hen in Indiö gehuldigd en volgehouden met dis beginsel vastheid, welke het Au gel-Saksische ras zoo vaak onderscheidt. Maar het misbruik van .suttee" kon geen genade in hun oogen vinden. Daartegen werd een absoluut verbod uitgevaardigd, en dit verbod door de Britsohe residentie aan de inlandsche hoven mst klem gehandhaafd In het r|jk van Bicanir, waar zich nog (te Dcvi Kound) de marmeren gedenkteeken en bevinden voor de vrouwen, die zich met het l|jk van een overleden vorst Heten verbranden, had de laatste de&er hekatomben plaats in het jaar 1826. Toen werd de tweede zoon van den radja, een zeer schoon jonkman, na z|jn overlijden verbrand, en tegelijk met hen. zjjne weduwe, die eene prinses van Oudipore en slechts achttien jaren oud was. En in Ned. Indiö daarentegen worden dertien jaren te voren nog twintisr vrouwen verbrand, b|j gelegenheid van het" overlijden van den radja van Boleleng (Bali). Da 0.-I. Compagnie volgde ten deze eene staatkunde van non-inter ven tic; z|j Het zoowel den soesoehoenan van Mataram als de vorsten van Bali hun gang gaan, waar zfl het bloed hunner onderdanen als water goten, mits hare handelsbelangen slechts niet in de knel kwamen. Reeds Valentfln maakt van deze toestanden gewag als een erkend godsdienstig gebruik, waarmede de loffelijke Compagnie zich niet dacht te bemoeien in een tijd, toen z|j buitendien elders de handen vol had, en ook vaak de middelen miste om aan hare wenschen met Ijzer en staal kracht b|j te zetten. In zflna „Bescaryvinge van Bali" leest men: „Een groot bl|jk van de genegenheid en onderdanigheid dezer vrouwen bespeurt men ten t|jde als haare mannen komen te sterven; alzoo z|j, wanneer hunne l|jken na 's lands w|j_e verbrand worden, met haare juweelen aan en onder 't geluid van hunne speeltuigen, ai u3_.__o_.do in 't vuur springen, en zich met hen zeer welgemoed laaten verbranden; zich vast inbeeldende, dat z|j met hen in de andere wereld, en zoo zij elders sterven in hUn vaderland, op 't eiland Bali, ten eersten zullen herleven, en daar in een veel heerlijker staat weer bv hare mannen zflo, om welke reden zij te minder zwaarigheid maken om hen te volgen. Wfl hebben dit ook elders met een geval van een overleden prins van Balamboang (Balembangan), dat mede meest Baliers zfln, aangewezen, met welke eenige honderd vrouwen toen stierven. Het lijkoffer wordt „satfla" genoemd, wanneer de vrouw zelve zich opoffert, maar is het een b|jwflf of slavin, dan noemt men het „bela." Aan de vrouwen van alle kasten komt bet recht toe zich op te offeren, maar bfl de handeldrflvende en de militaire klasse werd dit gebruis: het meest gevolgd. De aanwflzing der slachtoffers bfl het overlflden van een vorst geschiedde door den .brachmana phidanta" of hoofdpriester, bfl gelegenheid dat het lflk van den overledene werd „afgelegd" en met wfl water besproeid. Dweepzucht en bflgeloof aan den eenen kant, het vooruitzicht op levenslangen smaad en schande aan den anderen kant waren in den regel voldoende om de vrouwen tot vrflwillige aangifte te bewegen; maar toch, niet ieder was gemaakt van het deeg waaruit man martelaren vormt. Gewis werden in den loop dör jaren honderden vrouwen niet door eigen overtuiging maar door vreemden dwang ten vare gedoemd. Men zou de Koloniale Verslagen oplettend moeten doorlezen om te ervaren of, en zoo ja, sedert wanneer, de resident van Bali en Lombok, als vertegenwoordigers der Indische Begeering, zich tegen dezen openbaren gruwel heeft verzet. Ben krachtiger steun dan het gouvernement gewoon was aan de zending in Indië te geven, had hiar zeker wel iets goeds kunnen uitwerken. Eet strekt Nederland niet tot eer, dat, waar de Bdtache autoriteiten in Hindostan sedert lang de aecte der Thugs of worgers uitroeiden (Ó6V_ eene uitspatting van den Hindoeegodsdienst) ei de weduwenverbranding geheel deden ophouden, in Oost- Indië nog heden ten dage eene expeditie noodig blijkt om aan de barbaarschheid paal en perk te stellen. Wat (zoo vraagt men zich af) heeft de Begeering tot dusver gedaan om aan de duistere gebruiken van den Shiwa-dienst een eind te maken; en is het eerst onder dezen öouverneUr-Qeneraal, dat de zaak in dié mats de aandacht heeft getrokken ? Het is waar, dat na de derde Falischa expeditie (waarbfl Tabanan en Badong als bondgenooten der Begeering optraden) eigenlflk eerst sedert het jaar 1859 althans in de Gouvernementsafdeelingen van het eiland de menschenoffers ophielden. Maar in de zgn. Vorstënlanden bleef het gebruik in zwang, en nog in 1890 Werden de W9ttige vrouw en twee bfl wfl ven van den overleden vorst van Badong aldus aan de goden geofferd. De machtsontwikkellng bfl de thans op het getouw gezette expeditie (twee marschvaardig gemaakte batalllons infanterie met een vflf tal oorlogsschepen en een tiental kanonnen voor ds landingsdivisie) bswflst wel, dat de Begsering een Indrukwekkend wapenfeit voorbereidt, berekend om de eüandvoratjös te dwingen zich te voegen naar Westersche begrippen van mensihelflkheld en recht. B.^da da Gouverneur-Generaal Bochuasen schreef tfldens de tweede Ballsche expeditie aan den commandant daarvan, den Generaal Van der Wyok: „Laat God m£ in het leven, en de Koning mfl in mflne betrekking, dan zal ik niet rusten, voordat Bali in zoover zal ten onder gebracht zmn, dat het ons niet tarten of schaden kan. Ik heb steeds verklaard geen conquest tot ver_userdß_ing van ons eigen gebied te verlangen: dit verlang ik nog niet", enz. - Maar een jaar later, toen de derde expeditie noodzakelijk was geworden, schreef dezelfde landvoogd aan Generaal Michiels : „Ik herhaal nogmaals, dat inlijving van Bali onder de bezittingen onder ons onmiddellijk beheer doel noch wensch is, maar dat men daarvoor niet moet terugdeinzen, wanneer zonder dit niet is te verkrflgen het tweeledig oogmerk: voldoening voor het verledene en waarborg voor de toekomst." Welnu, de verbonden vorsten van Bali moesten bukken, en die voldoening voor het verlödone werd tot op z_ker6 hoogte wal verkregen. Niet alzoo de waarborg voor de toekomst — het voornaamste! De vorsten behielden hunne volkomen zelfstandigheid, onder erkenning van de Nederlandsche suzerolnitelt; zfl bsiooMen aüeen zeeroof ca slavenhandel te zullen tegengaan en deten afstand van het kliprecht. Met de voorvaderlijke instellingen en godsdienstige gebruiken, derhalve ook met <?.<_ vrouwenverbranding, liet de Regeering zich niet in, toen zoo min als vroeger. En zóó weinig was da toekomst gewaarborgd, dat nog in 1857 en in 1868 expèdltiöa naar Bali moesten ondernomen worden, hoewel die slechts kort van duur waren en meer een politi.onneel dan een staalkundig karakter hadden. Alleen in de gouvernements-afdeelingen, in Boleleng en Djembrana, waar het Nederlandsche gezag in de plaats was gekomen -van het gezag der inlandsche potentaten, werd voor altfld een eind gemaakt aan menschen* offers, die een voortdurende aanklacht waren tegen het bestuur van ds erfgenamen der Oost-Indische Compagnie. Hetzelfd» onverbeterlijk optimisme, lat in 1849, na de eindelflke onderwerping des oilands, het gewonnen terrein weer prfls gaf en alle verbetering van de staatkunde hoopte, speelde ook later aan Nederland zjjne parten. Men geloofde niet door geweld, maar door politiek beleid zfln invloed te zuUen uitbreiden ; men geloofde, dat alleen daardoor de aan ons gebied grenzende landschappen er toe zouden komen om zich eveneens ondor het HoJlandsche bestuur te stellen, ten einde de welvaart en de rust der gouvernomantslanden mede deelachtig te worden. Da thans op handen zfl nde krflgstocht is het antwoord op dat avarechtsche Regeeringsbeleid. En voorzeker zal men dis krachtsontwikkeling toejuichen, waar ze mede dienstbaar gemaakt wordt aan de beschaving, aan de uitroeiing van osn onmenschalflk-godsdienstlg gebruik. Wist men niet, dat instellingen, die met het waas van het goddelflke overtogen zijn, soms lijnrecht ingaan tegen de wetten der natuur, men zou het schier onmogelijk achten, dat een volk eeuwenlang uit godsdienstwaanzin berusten kon in den marteldood van zooveel honderden onschuldigen. Want ook hier geldt het woord des dichters: Jedoch der schreckllchste der Schrecken, Das ist der Mensch, in seinem Wahn.
 
Lessen uit het verleden. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
11-01-1905, Dag
 
Lessen uit het verleden.
Tn een duidelijk, zeer leerrijk opstel over Boni („Een land van onrust", inhetDecem- Der-nummer van Onze Eeuw) heeft Dr. E. B. Kielstra, naar het getuigenis van Chs. Boissevain, op treffende wijze aangetoond, hoe nadeelig de gevolgen zijn wanneer men zich, na welgeslaagde krijgsverrichtingen, met een schijn-succes tevreden stelt en niet zoodanige maatregelen neemt als in de toekomst moeilijkheden kunnen voorkomen. "Wij noemden die onjuiste taktiek kortheidshalve het „stelsel-Van Swieten", zegt het Algemeee Handelsblad, omdat generaal Van Swieten als de incarnatie van dergelijke opvatting te beschouwen is . al is het óók waar, dat in die opvatting vele Indische staatslieden hem zijn voorgegaan en gevolgd! Ik schreef dit dan ook waarlijk niet om dien, in menig opzicht zoo verdienstelijken generaal nu nog als het ware in staat van beschuldiging te stellen, maar alleen om te voorkomen dat de vroeger zoo vaak aangewezen weg opnieuw worde gevolgd. Voor alles moet belet, dat men in Indië weder vol zelfbedrog in halfheid zijn kracht gaat zoeken. Daarom is het leerrijk als wij nagaan hoe generaal Van Swieten, bij verschillende gelegenheden, zijn taak opvatte. In het laatst van 1844 werden onze onderdanen bij de kampong Bedjandjang aangevallen door lieden uit de toen nog onafhankelijke 111 Kota's (Sumatra's Westkust). Op last van generaal Michiels rukte de overste Van Swieten (7 Januari 1845) uit; hij verdreef den vijand uit de op ons gebied gelegen kampong Talang Berboenga, en joeg hem op de vlucht maar hij keerde daarop onmiddellijk naar Solok terug (17 Januari). Doch de vijandelijke stemming was onveranderd gebleven: nergens toonde zich eenige zucht tot toenadering! Het was de bedoeling geweest van Michiels, de 111 Kota's voorloopig bezet te houden, tot onze tegenstanders verslagen zouden zijn en de eigenlijke bevolking in hare kampongs was teruggekeerd. Hij noemde dan ook „den overhaasten terugmarsch onbegrijpelijk, door geene enkele gebeurtenis gewettigd en op geenerlei last gegrond," en betreurde dat die vruchten van onze operatiën zonden worden getrokken welke eene bezadigde wijze van handelen onmisbaar zoude hebben medegebracht." Voor het oogenblik had Van Swieten succes behaald, maar zonder eenig blijvend nut! Reeds den 3n Maart kreeg hij bericht de Alahan Pandjang, op ons grondgebied, door den vijand bezet en de bevolking van Soepajang uit vrees was gevlucht. Van Swieten kreeg nu last, opnieuw den vijand te verdrijven en offensief tegen de 111 Kota's op te treden. Opmerkelijk is, dat hem, daarbij in het bijzonder werd opgedragen „het venvoesten der kampongs tegen te gaan". Zoo dikwijls toch — maar geheel ten onrechte!—is Michiels voorgesteld als „de incarnatie van het soldatengeweld". Daarom mag er waarlijk wel eens op gewezen worden dat hij een voorstander was van humane oorlogvoering! Van Swieten versloeg nu den vijand voor goed. De eigenlijke strijd, den 15n Maart aangevangen, was den 24e dier maand geëindigd, maar de troepen bleven totdat een eenigszins geregeld bestuur in werking kwam en het vertrouwen van hoofden en bevolking gewonnen was. Hier ziet men nu de tegenstelling. Van Swieten was in Januari met den schijn, met half werk tevreden; — Michiels, die onmiddellijk inzag dat men daarmede niet verder kwam, deed hem in Maart de begane fout herstellen. Bij de derde expeditie tegen Bali sneuvelde de opperbevelhebber, generaal Michiels, en ging het bevel over op den overste Van Swieten. Deze had zich, volgens de instructie tot het „voor het oogenblik onvermijdeliike" te bepalen. Maar onze troepen waren op marsch naar Kloengkoeng; Kasoemba met den nabij gelegen tempel was veroverd, en de laatste opdracht van Michiels luidde nog: dadelijk doorgaan naar Kloengkoeng ! Van Swieten had dus het doorzetten van den marsch gerust voor zijne verantwoording kunnen nemen. Als eene operatie eenmaal is aangevangen, kan men eerder de noodzakelykheid betoogen van voortgaan dan van terugtrekken! Toch besloot hij tot terugtrekken. Het physiek der troepen heette ernstig ondermijnd, het zelfvertrouwen heette door de nachtelijke overvalling en den daardoor veroorzaakten dood van Michiels geschokt.... en daarom werd besloten Kasoemba weder te verlaten en naar het strand terug te gaan. Aan den vorst van Kloengkoeng werd een brief geschreven, waarin de hoop werd uitgesproken, dat de hem reeds toegediende tuchtiging voldoende zou zijn om hem tot inkeer te brengen. Wilde hij zijn troon redden, dan moest hij binnen acht dagen in onderwerping komen....
Die brief werd den 28en Mei verzonden. In de eerstvolgende dagen nam de vorst van Kloengkoeng den schijn aan van toenadering. Maar het op 9 Juni ontvangen antwoord luidde o.a. dat de overste, wilde hij een einde aan de vijandelijkheden zien, moest beginnen met naar Kasoemba te gaan om hem vergiffenis te vragen voor het aantasten en vernielen van de plaats ! Natuurlijk! Door den terugtocht der troepen, dadelijk na Michiels dood, was bij den vorst van Kloengkoeng de overtuiging gevestigd, dat hij de machtigste was. Hoe kon men dan goede uitwerking verwachten van een stukje papier, een brief? Maar nu was het wel duidelijk geworden, dat de „afwachtende houding" moest worden verlaten. Nu werden geen bevelen uit Batavia meer afgewacht nu waren de beschikbare troepen — slechts veertien dagen geleden in „deerniswaardigen, uitgeputten en diep neerslachtigen toestand" — voldoende om de offensieve beweging te hervatten.... nu kon aan het gemis van koelies worden tegemoetgekomen door 150 sloeproeiers van de marine te gebruiken; nu was de munitie voor geschut en geweer niet meer te gering.... nu was het bezwaar dat men geen gidsen had niet overwegend meer — Als men al de zwarigheden nagaat die den 25sten Mei opgesomd werden om den terugtocht te verdedigen, en daartegenover stelt wat den lOen Juni toch gedaan werd, dan voelt men de overdrijving van het pleidooi voor de rugwaartsche beweging. Op dien lOen Juni werd Kasoemba opnieuw veroverd, en werd besjoten den volgenden dag naar de hoofdplaats op te rukken. Maar toen kwamen de vredesaanbiedingen van 's vijands zijde! Gedrongen door de vorsten van Badoeng en Tabanan, opende Kloengkoeng de onderhandelingen, en de operatiën werden weder gestaakt. De hoofdplaats werd zelfs niet bezocht, want „dat zou vermoedelijk zelfs onze bondgenooten grieven"; men was tevreden met een gezantschap, dat naar Batavia zou gaan om vergiffenis te vragen en verder met contracten op papier zonder dat de naleving van deze verzekerd was. Nog altijd is tot op het huidige oogenblik Kloengkoeng onder de Balische rijkjes het meest weerstrevend, omdat wij het steeds meer hebben ontzien dan voor ons aanzien wenschelijk was. Moet zoo iets ons niet tot leering zijn ? Wij hadden op Bali, in 1846, '48 en '49, drie betrekkelijk groote expedities gehad. Ten laatste was nu, gedeeltelijk met wapengeweld, gedeeltelijk ook door onderhandelingen, de zege behaald. Met welk gevolg? De „onderworpen" landstreken hadden niet het minste offer te brengen; geen boete, geen schatting werd hun opgelegd. Van geen der vorsten werd de eed van getrouwheid aan ons bestuur gevorderd want dat zou maar moeilijkheden geven! Wij vroegen het niet want de radja van Kloengkoeng zou zeker weigeren, en anuere zouden er twijfel aan hunne goede trouw hebben gezien! Als wij dien eisch stelden, zouden de contracten misschien nief tot stand komen!.... In de contracten werd ook niet bepaald, dat de keuze der troonopvolgers onderworpen zou zijn aan de goedkeuring der Indische regeering „want men zou die bepaling toch maar ontduiken !...." Er werd geen bevoegdheid bedongen tot het aanleggen van versterkingen op Balisch grondgebied ... want als onzerzijds over zoodanige bevoegdheid gesproken ware, zouden wij licht „achterdocht" hebben gewekt! In één woord: nu aan de militaire eer voldaan en de vroegere nederlaag voldoende „gewroken" was, trokken wij ons geheel van Bali terug. Er waren contracten gesloten, die onze „rechten" op Bali tegenover vreemde mogendheden verzekerden, maar verder voor ons oppergezag, of voor de bevolking zelve, geen blijvende waarde hadden! Als men zich nu op Bali maar stil hield, zouden wij ons nooit meer met Bali inlaten ... En als men dat niet deed: „wie dan leeft wie dan zorgt". Natuurlijk is de toestand thans toch geheel anders geworden, dan Van Swieten in 1849 wenschte. Maar het is wel teekenend voor zijne staatkunde, dat hij daar tevreden is geweest met het behaalde succes, maar het onnoodig achtte daarvan noemenswaardige vruchten te plukken. En iets dergelijks geschiedde in 1860 in Boni en in 1874, na den val van den Kraton, in Atjeh Aldus moesten de Buitenbezittingen wel altijd lastposten blijven! Oók in ünancieelen zin. Men heeft voortdurend in Indië uit het oog verloren, dat men, zoover maar eenigszins mogelijk was, den vijand, die tot den oorlog dwong, de oorlogskosten moest laten betalen. Dat toch is men tegenover eigen onderdanen verplicht. Het is een les en een waarschuwing tevens. En wanneer dat reeds gebruikelijk is bij oorlogen tusschen Europeesche mogendheden — men denke aan de rijf milliarden van 1871 — hoe veel te meer is daartoe dan aanleiding in Indië, waar men, door ("naar Van Heutsz' uitdrukking) „op de geldkist te gaan zitten" zooveel macht kan oefenen! En men heeft óók al te dikwijls uit het oog verloren, dat men met eene „bestraffing" alleen ten slotte niet verder komt. Waarop komt het aan? Dat men de noodige maatregelen neme om te beletten dat dezelfde moeilijkheden zich weder voordoen. Half werk wreekt zich later altijd! Half werk is wreed werk!
 
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
10-04-1905, Dag
 
Bali.
Dei oorre.sgon_.ent van dei JJLN". Rott;. Ct." seint< nit Batavia: . „Het lid van den JRaad van Ned.-Indië, Liefrinck, gaat in commissie naar Bali, in verband met de vijandige houding deir Rijkjes Badoeng .en Tabanan." Naar men weet, ia de Heer Liefrinck na de Lombok-expeditie in. 1895, gedurende versohei. dene jaren, resident geweest van het vereenigde gewest Bali en Lombok. Hij! is de aangewezen man. voor een dergelijke missie, als kenner van de taal en bekend met al de hoofden. De „N. .Biott. Ct." toekent hierbij aan: Tegten het lijkje Bafloeng1 (-esa. der acht BalisfcJto landschappen, gjoleg'en in het zuidoosten van het eilamd Bali) bestaan de volglende grieven: 10. De strandbevolkingt heeft den schoener „Sri Koemala," die eenigle maanden geleden, op da BadoerLgsche kust strandde, leeggeplunderd, en vajn het geroofde, waarvoor de radja aansprakelijk is, niets willen terugigeven. 20. D© radja van. JBadoengl heeft do bakens bij de kust, • aangebracht door het op-nemingsvaartuig „VajifGJciglh," laten wegnemen. 30. De vorst heeft een invloedrijk hadji, wiens houdijDjg .hem niet aanstond, laten krissen. 40. Een Chinees', die opkwam voor een broertje, wiein een vliegter was afgencmicn, is gétjintjaagd. Van deze glrieven is natuurlijk het beroöven van een gestrand scihip;, het uitoefenen van het „tawaDa! kaïang?' of klipreeht, de ernstigste. Toen du de vorsten van Badoeng, Goesti Ngaèrah Pametjoetan en Goes-ti G' dé Ngoerah Den Pasar, ten deze geen genot!gdoenin<r wilden .schenkein en een toegezegd onderzoek naar de geroofde goederen op niets lieten uitlaopen, werd door de Indische Regeering .gelast, dat de kust van JBadoeng zou worde» geblokkeerd dooi: drie gouvememeintsvaar- tuigen, nl. ?De Zwaluw" (commandant de gezaghebber C. H. van Heekeren), ?I>e Spits" (commaindant de gezaghebber W. Wink^ en „De Reiger" (commandant de gezaghebber W. F. Berman). JDe gouvernementsmarine doet hier dus oorlogscüenst en wel zoo afdoende, dat de handel in JBadoeng haast too stilstand is gebracht, zeer ten nadeelo van de Chineesche handelaren, die groote schade lijden. Terwijl nu sommige berioihten vermelden, dat de JBadoengsohe vorsten persoonlijk hunne opwachting bij den Gouverneur-Genenaal zouden gaaa maken om hunne onschuld aan het tsa laste gelegde te betoogen, kwamen andere mededcolingen verklaren, dat de bevolking! zioh ten doode had gewijd. Het aan JBadoeng grenzende rijtje Tabanaa (met ongeveer 200,000 inwoners") schijnt, met het lijkje GiaJnjar, JBadoeng te ondersteunen. Men zal zioh herinneren, dat in het jaar 1903 met Tabanan, naar aanleiding van de toepassing' van het „mesatia" (wcduwc&verbrandingj) eenige verwikkelingen ontstonden, die leidden tot het zenden in de maand October van de schepen „Gelderland" en „Koningin Regentes-." De zaken op JBali werden dus eenigszins ingewikkeld cm om die reden ging de controleur, van het JB. J 8,., ohef van het bureau voor inlandsche zaken, H. J. É. F. Schwartz, in de vorige maand naar JBuiteiuzorg, om. persoonlijk meb den Gauve:rneur- Generaal over den toestand, van JBali te confereeren. Alvorens ten deze een besluit te nemen, zal do Gouverneur-Generaal voorgel iciht willen zijn door den oud-reisiident van JBali en Lombok, thans lid van den Raad van Nederlandsch-Indië, den Heer F. A. Liefrinck en daarom dezen hoofdj-imbtenaaj- naar JBali geaoaden hebben om op de plaats- aelve een oaderzoek in te stellen en daarna te dienen van raad. JD© vorst van Tabanan (oudste aocm van den oip 6 Maart 1803 overleden radja") met name Goesti Ngoeraih JRai, kwam den 18n Augustus 1903, onder den naam! van Goesti Ngaerah Agoeng aan heb bewind. ;
De Vereeniging vam Veldarbeiders te Leeuwarden heeft aan den Gemeenteraad een adres ingediend, waarin verzooht wordt gedurende den aanstaanden hooitijd, ben behoeve van maaiers en hooiers, in het centrum der stad een lokaaj beschikbaar te stellen om dienst te doen ais arbeidsbeurs.
 
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
06-07-1905, Dag
 
Bali.
Aan het kort verslag omtrent de afdeelingen Boeleleng en Djembrana der residentie Bali en Lombok gedurende de maand Mei 1905 wordt het volgende ontleend:
De politieke toestand van Badoeng bleef onveranderd.
By brief van 15 Mei jl. gaven de Radja's hunne bevreemding te kennen, dat ondanks hun aandrang om de blokkade op te heffen daarmede toch is voortgegaan; zy verzochten wederom de schepen te laten vertrekkenen de schade door de afsluiting van hun land aan henzelven, aan de handelaren en de bevolking, zoomede wegens de plaats gehad hebbende aanhouding van handels vaartuigen veroorzaakt, in billijke overweging te nemen. In antwoord daarop werd hun andermaal te kennen gegeven, dat de scheepsmacht de Badoengsche wateren verlaten zal, zoodra aan den hun gestelden eisch voldaan is. Blijkens hun schrijven van 30 Mei jl. wilden de Radja's van toegeven niets weten; zij verklaarden te volharden by hun hierboven omschreven verzoeken, brachten in herinnering, dat sedert den aanvang van de afsluiting van hun land aan hun, de handelaren en de bevolking, eene schade van 1500 rijksdaalders per dag is veroorzaakt. Den Uden van verslagmaand begaf zich de .Radja van Denpasar (Badoeng) vergezeld van landsgrooten en priesters naar Tabanan en keerde den 19den d.a.v. naar zijn land terug. Volgens ontvangen berichten hebben te Tabanan besprekingen plaats gehad om trent den huidigen toestand van Badoeng en zou de Radja van eerstgenoemd landschap zh'n bondgenoot hulp en steun tegen het Gouvernement verzekerd hebben. Op uitnoodiging van den radja van Badoeng zou hij spoedig een tegenbezoek afleggen, om aan de bevolking blijk te geven van de eensgezindheid der beide zelfbesturen.
Dadelijk na de ontvangst van de ordonnantie omtrent de beperkende bepalingen betreffende den in- en uitvoer in het land schap Badoeng (Staatsblad 1905 No. 300) werd daaraan publiciteit gegeven. Aan de bestuurders der landschappen zyn Balische vertalingen daarvan toegezonden met verzoek om bekendmaking binnen ieders gebied en om medewerking voor de naleving daarvan. Ook zijn regelingen getroffen voor het verleenen van vergunningen tot uitvoer van handelsgoederen en voor het heffen van uitvoerrechten volgens het in Badoeng geldende tarief. Voorts is het noodige gedaan met betrekking tot de vaartuigen en goede ren, welke gedurende de vorige maanden zijn aangehouden wegens verbreking van de blok kade.
Wegens de gunstige uitkomsten van den rijstoogst in Kloengkoeng wordt, volgens ontvangen bericht, daar thans de afsluiting van Badoeng, van waar de voor de consump tic ontbrekende rij st anders aangevoerd wordt, niet meer zoo zeer gevoeld.
Omtrent de andere landschappen vallen voor dit verslag geene bij zondeheden te vermelden.
Over het algemeen kan de uitslag van de oogst zeer bevredigend worden genoemd, hetgeen zeker voor een groot deel moet worden toegeschreven aan de gunstige weersgesteldheid.
boetambahan ondervindt men last van de muizen, die nogal schade aan hetgewas hebben aangericht.
In enkele soebaks van het landschap Koe
Verder doet zich hier en daar in geringe mate een ziekte voor, bij de Baliers be1 onder den naam „thandang api", waardoor de uiteinden der padibladeren rood worden en verschroeien, doch aangezien deze ziekt, zich slechts tot enkele plekken bepaalt, ge looft men niet, dat in de soebaks de opbrengst van den oogst dientengevolge belangrijk minder zal bedragen.
Ziekten onder het hoorn- en klein vee kwa 'nen in de afdeelingen Boeleleng en Djembrana niet voor.
Uit de afdeeling Boeleleng werden 1221 runderen ter waarde van f 53626.— uitgevoerde zoomede 1777 varkens ter waarde van f 20259.
Uit de afdeeling Djembrana werden naat Banjoewangi uitgevoerd 540 runderen, 6 buf fels en 3 paarden, en naar Boeleleng 190 varkens, 12 runderen, 30 buffels en 1 paard. De handel was vrij levendig. In verslasmaand werd aan koffie uitgevoerd ruim 1007 picols. De prijs varieerde van f 29.—- tot f 30.— en die van copra van f 8.50 tot f 9.50 per picol.
Ter reede Singaradja (Boeleleng) werden in-en uitgeklaard 303 en 309 vaartuigen, welke cijfers voor Djembrana 110 en 110 bedroegen.
De weersgesteldheid wés zeer gunstig te noemen, alsmede de gezondheidstoestand. Overige by zonderheden vallen niet te ver meiden,
 
Tweede Blad. Badoeng. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
06-07-1905, Dag
 
Tweede Blad. Badoeng.
fJE slot o yrlLort overzicht van de gebeurtenissen, welke aanleiding gaven tot conflict met de borsten van Badoeng (Bali). Jntusschen moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de vorsten van Badoeng eene schadeloosstelling niet goed ®shiks zouden willen verleenen, terwijl aan 'den anderen kant door het berechten der saak door de Badoengsche rechtbank de belangen der benadeelde party niet voldoende schenen te zullen worden gewaarborgd, te oordcelen althans naar vroeger voorgekomen analoge gevallen. Het zelfbestuur toch gaf «de volgende voorstelling van de toedracht •dezer zaak: 2>e eigenaar van het schip beweerde, dat t_B, onmiddellijk na het*Badoengsche strand te hebben bereikt, zich tot het hoofd van Kanoer begaf om diens hulp voor het aan wal brengen der lading in te roepen, hetgeen zou zyn geweigerd. Volgens het zelfbestuur was het hoofd achter dadelijk meegegaan naar de plaats des onheus en constateerde dat hoofd toen, dat de branding te hevig was; dit werd door den loods en de bemanning bevestigd. De eigenaar gaf verder op, dat hy het «chip zelf liet bewaken na een vergeefsche Poging om het Balisch hoofd er voor te doen borgen. Dit hoofd daarentegen verklaarde, dat hy er 10 man (de Vorsten spraken zelfs 12 bewakers) mede had belast, welke Verklaring echter eerst werd afgelegd, toen zelfbestuur onzerzijds in de zaak was .-mengd. Tegenover den Controleur, die het «erste onderzoek instelde, had bedoeld hoofd waarvan niet gerept. verder verklaarde dit hoofd nog te hebben geholpen tot het aanwerven van koelies, op 'ven dag na de stranding, wat wel aanne was, daar zonder hulp der hoofden fön vreemdeling op Bali geen werkkrachten tafflgt.
, Ten slotte nog was het vaartuig eerst op 'ast van den Ryksbestierder, Radja Kasiman, gesloopt, toen het door de belanghebbenden onbeheerd was achtergelaten.
Stelde men nu de vraag of voldaan was aan art. 11 van het politiek contract, dat het verleenen van „alle mogelijke hulp en ..iad aan schip en bemanning" voorschrijft, dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vast scheen te staan, dat het Zelf oestnur niet zoodanige bevelen gaf, dat art 11 behoorlijk werd opgevolgd. Deze tekortkoming moest worden toege schreven aan laksheid, aan het slappe bestuur aer Balische vorsten, voor zoover het hun sigen belangen niet gold. Wasdeberooving Biet op hun last geschied en hadden zy er °|* geen voordeel van gehad, niettemin stond het feit vast, dat door de Badoengers strandroof was gepleegd en daarvoor het. zelf bestuur verantwoordelyk was ingevolge art. 11 van het politiek contract. De Regeering had dus het recht rekenschap ** vragen en voor de belangen van den beloofde op te komen. Daarbij kon men de genoegdoening niet aan de rechters eener half beschaaf de maatschappy. De gewone rechter had met Ide zaak geen °e_noeienis. De Nederlandschlndische Regeering toch verhoudt zich contractueel Rechts tot het Zelfbestuur en niet tot de °evolking. In verband hiermede werd begoten te trachten langs den weg van onderhandelen de zaak te beëindigen en, naargelang Badoeng al dan niet bereid zou zyn daartoe mede te werken, haar met of zonder '*) Zie ons Tweede Blad van gisteren.
medewerking van Badoeng tot eene oplos sing te brengen en de vergoeding vast te stellen, welkn voor het Zelfbestuur zou moe ten worden betaald.
Daarom werd op 28 November 1904 aan den Resident van Bah en Lombok geschreven, dat aan de Vorsten van Badoeng een eisch tot schadevergoeding moest worden gesteld wegens het niet nakomen van arti Kei 11 van het contract. JËet bedrag dier schadevergoeding kon door den Resident worden vastgesteld, des vereischt na een nader onderzoek. In het geval dat de Vor sten deze schadevergoeding niet wenschten te voldoen, zouden, zonder direct wapengeweld, dwaugraiddelen worden toegepast en wel door stationneeafing van twee oorlogs- of Gouvernementsschepen — dan wel een flottielje en een Gouvernements vaartuig — (1), met opdracht tijdelijk allen in- en uitvoer te beletten, terwijl het bedrag der schadevergoeding dan zou moeten worden verhoogd met f 450 per dag voor een flottielje vaartuig en f 150.— per dag voor een Gouvernements stoomer.
De Resident gaf daarop in December 1904 den Vorsten van Badoeng kennis van de beslissing dei: Regeering, dat zy de door den eigenaar der Sri Koemala geleden schade moesten vergoeden, terwijl die schadevergoeding door hem werd vastgesteld op 3000 Rijksdaalders, zeker een niet te hoog bedrag, wanneer de in den aanhef van dit overzicht vermelde, verloren gegane waarde alleen aan goederen er mede vergeleken wordt.
Toen het Zelfbestuur zich ongenegen be toonde aan dien eisch te voldoen, werd schriftelyk een termyu gesteld van veertien dagen, welk termijn op 5 Januari 1905 ver streken was.
De vorsten antwoordden, dat aangezien hunne onderdanen ontkenden den schoener te hebben beroofd, de opgelegde schadever goeding niet zonder meer kon worden voldaan.
Daarop vertrok de controleur bij het bureau voor inlandsche zaken te Singaiadja den 6den Januari 1905 met twee schepen der Gouvernements Marine naar de Ba doengsche wateren tot tijdelijke sluiting vau het landschap voor allen in- en uitvoer; ter vergoeding van de kosten dezer schepen zouden de Radja's f 300 per dag hebben te voldoen. Ook van de land_ijde werd Badoeng zooveel mogeiyk afgesloten, o.adoor de medewerking van de hoofden der aangrenzende landschappen.
AI3 gevolg hiervan kwam gedurende de maand Januari alle handel over zee tot stil stand. Aan de vorsten werd dus aanzienlijke schade berokkend, toch gaven zy niet toe; zij gaven den resident integendeel kennis, da. zij het Gouvernement aansprakelijk stelden voor de schade wegens de afsluiting toegebracht aan ha .delaren, pachters en be volking, welke door hen werd begroot op 1500 lyksdaalders per dag.
Zelfs begonnen zij toerustingen te maken om zich bij een gewapend optreden onzerpiids, waarop zooals het bovenstaand leert, bij de Regeering geen plan bestond, te vczetten. Zoo werd op den 27_ten Februari 1905 ter hoofdplaats Den Pasar eene wapenschouwiug gehouden om zekerheid te hebben, dat de mannelijke bevolking zich gewapend had; de wapens werden gezegend en de ge wapenden aangezet tot krachtig verzet: over al werd de bevolking tegen ons opgehitst. Intusschen had de handel zich naar de afsluiting geschikt. „Meer en meer bhjkt," schreef de Resident op 13 Maart 1905, „dat het handelsverkeer tusschen Badoeng en Tabanan onveranderd is gebleven, dat Badoeng zich in laatstgenoemd landschap van vele benoodigdheden voorziet eu in contact is gebleven met de Kloengkoengsche districten Abeansemal en Sibang, die tusschen Gianjar en Badoeng geënclaveerd liggen. Daarbij komt nog de groote moeilijkheid dat handelswaren van Kloenkoeng, Gianjar en elders z g. bestemd voor de evengenoem de Kloenkoengsche districten en voor Ta( i Later werd het a«ntal bVikkeerende schepen -af-tgeste d op twee _Ouverne_nent_i stootuers en één fluttieljevaartu.g.
banan, maar feitelgk voor Badoeng, niet teruggewezen kunnen worden, aangezien de handel met die landstreken niet verboden is en ook moeielijk is te verbieden.
De bronnen van invoer zyn dus niet volkomen te stoppen. Armoede en gebiek zullen in Badoeng niet licht ontstaan; het zeer vruchtbare land, voor het grootste deel uit goede sawahs bestaande, levert meer dan voldoende levensmiddelen op en de voornaamste producten van uitvoer, kopra en klapp_rolie, zullen via Tabanan of andere streken hun weg wel vinden, terwijl opium en gatnbir voldoende wordt toegevoerd.
Met levendige belangstelling volgen de Balische bestuurders de gebeurtenissen in Badoeng en zeer juist is de opmerking van onzen stedehouder te Karangasem, dat aller oogen en niet het minst die der zelf bestuurders gevestigd zyn op Badoeng, waar de radja's, zooals alom bekend is geworden, de macht van het Gouvernement durven weerstaan".
Het zal wel geen betoog behoeven, dat in het stadium, hetwelk de zaak nu ingetreden was, het hoe langer zoo onwaarschijnlijker kon worden geacht, dat zij in der minne zou kunnen worden beslecht; niet alleen toch groeide de verschuldigde som met eiken dag aan, maar het zelfbestuur had ook geweigerd om in te gaan op een voorstel van de kooplieden en hoofden van Badoeng, die blijkbaar tot eiken prys een einde aan de kwestie gemaakt wilden zien en daarom aanboden de door het Gouvernement geëischte schadevergoeding geheel op te brengen, een aanbod dat — het zij uitdrukkeiyk vermeld — door het Badoengsche zelfbestuur van de hand werd gewezen.
Ook hierna gaf de Regeering de hoop niet op om het geschil op vreedzame wyze te beëindigen. Tot dat einde droeg de Landvoogd aan het Lid in den Raad van Indië, den Heer F. A. Liefrinek, oud-resident van Bali en Lombok en als zoodanig, alsook door zijn langdurig verblyf in dat gewest, bij de zelf besturen zeer gezien, op zich naar Badoeng te begeven om te trachten door een persoonlyk onderhoud met de vorsten deze alsnog tot toegeven over te halen.
Den 12den April 1905 begaf de Heer Liefrinek zich op reis; den loden d.a.v. werd Singaradja bereikt, waar de Resident eenige dagen te voren van den Vorst van Tabanan een brief had ontvangen, waarin de wensch werd uitgesproken, dat eene spoedige oplossing lang 3 minnelijken weg verkregen m ent worden.
Daai' de bestuurders van Badoeng en Tabanan bondgenooten en zeer bevriend waren en elkaar in gewichtige gevallen raadpleeg den, achtte de Heer Liefrinek het nuttig om eerst den Radja van Tabanan over de zaak te spreken. Zoo geschiedde. De Radja van Tabanan verklaarde zich bereid tot modew. .king, doch durfde niet vooruitloopen op den uitslag aer aanstaande conferentie met de vorsten van Badoeng.
Te Badoeng viel op de ontvangst niets aan te merken. De Radja van Den Pasar voerde er het daadwerkelyk gezag, omdat die van Patnetjoetan geesteskrank was. Met. den eerstgenoemde en zijn poenggawa's werd in meerdere samenkomsten de zaak uitvoerig besproken, waarbij hVin hunne tekortkomingen werden voorgehouden, zoowel wat betrof den stSrandroof als het niet volkomen nakomen hunner verplichtingen, gebleken uit le het niet keunis geven van de plaats gehad hebbende stranding aan het Europeesche bestuur te Singaradja; 2e het niet, of niet voldoende doen bewaken van het wrak.
De Radja voerde hiertegen wederom aan, dat noch hy noch zyne onderdanen, zich ten deze van schuld bewust waren. Een door hem mgesteld nauwkeurig onderzoek zou aan het licht hebben gebracht, dat geene berooving van het gestrande vaartuig had plaats gehad, hetgeen de inwoners der stranddesa's onder eede hadden bevestigd. Een kennisgave aan het bestuur meende hij voorts niet gebruikelyk, gelijk hem was medegedeeld door den sedert, gestorven Rijksbestierder, Radja Kaaiman. De vorst verklaarde zich échter bereid in den vervolge de ge wenschte mededeeling te doen. Daarentegen bleef hij volharden by zijne vroegere bewering, dat het vaartuig in dea nacht, verloopen tusschen de stranding ca het lossen der goederen, wel degelyk door een Balische wacht bewaakt was geworden.
Hy beriep zich hierby op de verklaring van den betrokken poenggawa, die echter niet in overeenstemming was met hetgeen deze zelf aanvankelijk den Controleur had medegedeeld en met de getuigenissen van andere personen.
Het van den beginne door het zelfbestuur van Badoeng ingenomen standpunt werd dus gehandhaafd, nl. alle schuld van zich af te schuiven, en te vermeenen geen straf verdiend te hebben; terwyi wat de klacht van den Chinees-eigenaar betrof, de berechting daarvan volgens het gevoelen van dat zelfbestuur behoorde tot de competentie van da Badoengsche rechtbank, desverlangd aangevuld met een door den Resident van Balen Lombok aan te wyzen pleitbezorger yoor den klager.
Verder vestigde de Radja er nogmaals de aandacht op dat door de sluiting der Badoengsche havens, ongeveer 1500 rijksdaalders per dag schade werd geleden. Naar aanleiding van zijn verzoek om dit in billijke, overweging te nemen, werd hem door den RegeeringsCommissaris te kennen gegeven, dat ook de Regeering niets liever verlangde dan den vroegeren toestand te herstellenen alle menschen weder geheel vrij te laten in de uitoefening van hun bedrijf, terwyi in dedoor den Vorst zelf geleden schade wellicht aanleiding zou kunnen worden gevonden tot eene gunstige beschikking op een der Regeering aan te bieden verzoek om geheele of gedeelteiyke vrystelling van de betaling der opgelegde vergoeding van kosten der blokkade, mits hij zich by de genomen beslissing neerlegde en vooraf de voor de beroofde goederen geëischte som (3000 rijksdaalders) betaalde.
By eene dergeujke schikking zou het geldelijk bezwaar voor den Radja zeker niet overwegend zijn geweest, zelfs nihil, indien het aanbod van de handelaren ware aanvaard; uit de omstandigheid dus, dat door hem ook deze wyze om de zaak tot eene spoedige oplossing te brengen, werd van de hand gewezen, mag met vrij groote zekerheid worden afgeleid, dat hij nbch door overreding, noch. door de dwangmiddelen, welke tot heden zijn aangewend, tot inkeer zal worden gebracht.
In verband met het vorenstaande werd door de Regeering besloten om de afsluiting van Badoeng voorttezetten, doch thans strenger dan tot dusver was geschied, waartoe op 21 Mei jl. eene ordonnantie (Staatsblad 1905, No. 309) werd vastgesteld tot beperking van den in- en uitvoer van dat landschap.
 

• De kwestie met Bali. Krantentitel:
• Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
• 28-04-1905, Dag
 

• De kwestie met Bali.

• Men schrijft ons uit Singaradja dd. 21 April: Uw correspondent uit Boeleleng, wiens brief U 12 April jl. opnam, heeft de Badoengsche geschiedenis toch niet geheel en al juist verhaald. U begrijpt toch zelf wel, dat het Bestuur zoo maar niet handelt op praatjes van een Chinees. De menschen vorderden bovendien vrij wat meer, doch wat niet bewezen was, is buiten rekening gelaten. De geheele zaak zou al uit zijn als de tegenwoordige radja niet zoo koppig was, en ook de overige radjas, zooals van Bangli enz., billijken onzen eisch ; zij zouden niets liever zien dan dat er geen herrie kwam en dat om goede redenen. Die blokkade, door de regeering.gelast, is ook geen nieuws. Daarmede is in vroeger jaren al meermalen gedreigd, o. a. ook tegen Badoeng en Kloengkoeng en wel met volledig succes, zoodat het tot geen uitvoering kwam. Omtrent den Raad Kerta heeft men de klok hooren luiden, doch weet niet goed waar de klepel hangt. Dat zou nu bepaald zijn wat men noemt bij den duivel te biecht gaan; of denkt U bij ireval dat die twee pedandas (priesters), waaruit zoon raad bestaat, ecu uitspraak zouden durven doen tegen het verlangen van den radja? Bovendien adviseeren zij eigenlijk maar en moet de radja de uitspraak goed vinden en die wil niets van schadevergoeding weten, ofschoon handelaren en hoofden het geld al dadelijk aanboden. De handel hier te Boeleleng, uitgeoefend door Armenianen en Chineezen, heeft natuurlijk het land over deze geschiedenis, daar ook zij min of meer nadeel van den toestand hebben, en daarom worden allerlei praatjes uitgestrooid, zoowel hier als op Java. Het komt ons voor dat deze verdediger ' van het tot dusver gevolgde beleid de zaak toch niet geheel juist inziet. Die Raad Kerta moge nu al of niet naar genoegen werken, zoolang hij bestaat met goedkeuring en toestemming van het Gouvernement, zoolang m. a. w. het contract met Bali niet is opgezegd, moet die Raad worden geraadpleegd bij dergelijke zaken. Daartoe verplicht dat contract. „De meeste opvarenden vorderden vrij wat meer", zegt de geachte inzender verder. Natuurlijk deden ze dat. Heeft men ooit van een Chinees gehoord die van zulk een prachtige gelegenheid geen gebruik zou maken ? Maar die vorderingen had men op Bali door de bij contract daarvoor aangewezen middelen moeten laten verifieeren, en dat men daarin niet heeft willen toestemmen, ziedaar juist de groote fout. Juist het zoogenaamde onbeschaamde aanbod van den Radjah: dat hij met genoegen het gouvernement van Ned.-Indië 5000 dollars wilde leenen, maar dat hij weigerde een hem opgelegde boete van 5000 dollar te betalen, is naar ons voorkomt eerder een aanwijzing voor de onwaarheid van de be- • weringen der Chineezen dan van zoogenaamde koppigheid. Alleen uit koppigheid terzake van de benaming waaronder hij die 5000 dollar zou afstaan, zou dus de Vorst van Badoeng een krijg beginnen, en nog wel daar hij in het ongelijk zou zijn wat de aanleiding betreft? Geloove wie het wil. Veeleer valt er uit op te maken dat het geld in deze voor hem hoegenaamd geen gewicht in de schaal legt, maar het alleen gaat om een rechtvaardigheids-kwestie, waarbij die Vorst overtuigd is van zijn goed recht, terwijl het Gouvernement van Ned.- Indië daartegenover zich steunt op de verklaringen van een paar kustvarende Chineezen; over het algemeen nu juist niet de meest betrouwbare personen, naar ons voorkomt. Intusschen is, dank zij het beleidvol optreden van ons Bestuur de zaak thans niet onaardig naar den dooden hoek gedreven en het zal den Heer Liefrinck inderdaad al den tact kosten, waarover hij te beschikken heeft, om de geschiedenis uit de impasse te redden waarin zij is geraakt. Mocht hij daarin niet slagen, en ook daarvoor is veel kans, dan staat ons het heerlijke schouwspel te wachten, dat hier op Java zelfs de allernoodzakelijkste uitgaven beknibbeld worden, op onderwijs, op weezenverpleging en wat niet al meer wordt uitgezuinigd, terwijl ter wille van het beweren van een paar Chineezen voor een nog geheel en al niet bewezen zaakje op Bali het geld met handen, met ballastschoppen zal worden weggeworpen, 't Is eene soort van zuinigheid die waarschijnlijk wel zijn reden zal hebben en waarvan de gevolgen zeker wel te een of anderen tijd Indië ten goede zullen komen, maar dat kan naar ons voorkomt toch nog zeer lang duren. Intusschen, vivent les principes, en naar de weerga met de eischen vaa de practijk. * Het Soer. Hbl. schrijft over deze zaak o.m. nog het volgende: Zaterdagmorgen zyn de heer Liefrinck, de naar Bali afgezonden regeeringscommissaris, en de controleur Schwartz van Singaradja met een der drie ter beschikking van resident Eschbach gestelde gouvernementsstoomers naar Badoeng onder stoom gegaan om een laatst en zeer waarschijnlijk beslissend onderhoud met den weerspaanigen vorst van dat rijkje te hebben. Eenige dagen geleden moeten de wettig door ons gouvernement bevestigde vorsten van Badoeng met name Goesti Ngoerabi Pametjoetan en Goesti G'dé Ngoerah Den Passer, bij den regeeringscommissaris klach ten hebben ingediend omtrent de toepassing der blokkade. De heer Liefrinck zeide den vorsten toe persoonlijk te Badoeng deze zaken en het afloopen der Chineesche handelsprauw te ke? men onderzoeken. Dat hij er geen gras over laat groeien, bewijst zijn spoedig vertrek naar het zuiden, gelijk hier boven vermeld. Do vorst van Badoeng is vroeger zoo onbeschaamd geweest — in onze oogen — om den resident van Bali en Lombok te doen weten dat hij „met genoegen het gouvernement van Nederlandsch Indië 5000 dollars wilde leenen, maar dat hij weigerde de hem opgelegde boete van 5000 dollars te betalen", en thans moet hij gelegenheid gevonden hebben ook den heer Liefrinck dit besluit te doen kennen. Opmerkelijk is het feit, dat de vorst hardnekkig volhoudt, dat de Chinees, wiens handelsprauw afgeloopen werd, niet van zijn geld is beroofd, reden waarom hij even hardnekkig weigert de in zijn oog veel te zware boete van 5000 dollars aan de Compenie te voldoen. De tocht van de heeren Liefrinck en Schwartz heeft thans ten doelden vorst voor het laatst te overtuigen van de dwaasheid van zijn verzet en de wenschelijkheid om de opgelegde boete te voldoen. Een soort van ultimatum dus ? Het schijnt wel zoo. Op Bali echter, dus wordt ons van daar gemeld, verwacht men algemeen, dat de goestis, mogen zij voor zich zelven overtuigd' zijn van hun goed recht, het niet zullen laten komen tot een expeditie, en gehoor zullen geven aan de raadgevingen van den heer Liefrinck, dien zij van vroeger kennen. Maar gesteld dat zij er niet voor terugdeinzen de bom te doen barsten —is ons gouvernement dan voorbereid op een krachtig en snel optreden om met de punt van de bajonet, onzen eisch te onderstreepen ? Men zou denken van niet, wijl tot nog toe niets verluid is van het gereedhouden van troepen. Toch is deze meening onjuist. Wij vernemen namelijk, dat het te Banjoe Biroe liggende linkerhalf 15e bataljon infanterie oorspronkelijk den 15en April naar Bali zou vertrekken. Door de zending van den heer Liefrinck werd echter de uitvoering van dit plan uitgesteld. Wij kunnen aan het bovenstaande toevoegen, dat het linkerhalf 15e bataljon nog steeds gereed staat om uitterukken, niet speciaal echter voor Bali. Het staat thans onder bevel van majoor J. H. Tummers.
 
Het optreden tegen Ball. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
15-06-1906, Dag
 
Het optreden tegen Ball.
De Java Bode van gisteren bevat het volgende nieuws omtrent den stand van zaken op Bali : 9ln afwachting der komst van de bewakingscompagnie werd te Singaradja dageiyks met een 200 tal Baliers gewerkt om het troepenbivak tydig gereed te hebben. In de drie oproerige leenrykjes, Bangli, Badoeng en Tabanan, zyn de geweren aan de bevolking uitgereikt. Biykbaar trachten de vorsten handig gebruik te maken van bet ongerief, dat het volk van de afsluiting ondervindt, om het tegen ons optezetten. Zyn de inlichtingen van het blad juist, dan lukt dit wonderwel; was vio'g.r nog een goed deel der bevolking vredelievend gezind, thans is de verbittering allerwegen zoo groot, dat de stemming dagelyks oorlogszuchtiger wordt. Men is di uk in de weer om, overal waar het terrein gunstig is, loopgraven aanteleggen en bentengs te bouwen. Ook gaan er geruchten dat in Taoanan alle bruggen zyn afgebroken en dat de vorst van BadoeUg een aantal Chineezen aan het werk gezet heeft om op de meest geschikte punten mynen aanteleggen." De Java bode maakt by deze berichtende volgende kantteekeningen: „Het belooft dus goed Le worden ; als
men lang genoeg wacht, tot September bijvoorbeeld, kan het zelfs hee! goed worden. Eerst was alleen Badoeng oproerlg; nadat wy de noodige biyken hadden gegeven afkeerig te zyn van krachtige middelen, koos ook Tabanan openiyk de zyde van Badoeng en toen nader bleek dat onze lankmoedigheid grenzenloos bleef, begon Bangli ons op eigen gelegenheid te hoonen. Thans wachten wy tot door minder geëigende represaille maatregelen heel de bevolking hevig verbitterd is, en dan eindelijk zullen wjj het zaakje gaan uitvechten. Als er dan dooden en gewonden vallen by tientallen, wy bedoelen aan 's vyands zyde, zal er een storm opgaan in de Kamers en in de pers. Ook zal er oprecht geweeklaagd worden als de rekening wordt gepresenteerd. Men zal gewagen van „schynbezuiniging" en „imperialisme". Wy zyn echter zoo vry nu reeds de vraag te stellen: am wie de schuld dat er noodeloos veel bloed zal vloeien, dat er ryksdaalders zullen worden uitgegeven . in plaats van guldens ?" Voor zoover wy deze opmerkingen van de Java Bode goed begrypen, wordt: le. de tegenwoordige, ongunstige stand van zaken op Bali door het blad toegeschreven aan de verregaande lankmoedigheid der Regeering, terwyi voorts eenige Sei tenhie b e worden uitgedeeld aan degenen die de maDier van optreden tegen de Balineesche Rykjes onvereenigbaar achten met de politiek van bezuiniging a outrance, zooals die thans reeds gedurende byna 2 jaren op Java wordt gevoerd. Wy behooren tot de menschen die hier worden aangeduid; wy hebben het reeds vele malen gezegd: zoolang het met de veiligheid op Java nog allerschandeiykst «lecht is gesteld, zoo lang het gezag van het Ned. Indische Gouvernement door tal van rooverbenden op dat eiland nog gehoond wordt en geminacht, zoolang hebben wy in de eerste plaats te zorgen voor verbetering van de misstanden op deze onze voornaamste vestiging. Elke uiting van opgeschroefd krachtsvertoon naar buiten, by telkenmale aan den dag tredende macateloosheid in eigen huis, is, naar onze meening, ten sterkste af te keuren. Wat derhalve betreft den schimpscheut aan het adres dergenen, die in zake Bali van oordeel zijn dat de Regeering schynbezuiniging dry ft, wy accepteeren deze gaarne. Maar nu wat aangaat de laatste vraag van de Java Bode: „Aan wie de schuld, dat er noodeloos veel bloed en veel te veelgeld zal worden uitgegeven?' Het antwoord daarop valt niet al te moeieïyk te geven voor dengeen, die de geschie» denis van het Badoeng conflict van den beginne af heeft gevolgd. In tal van correspondenties uit Boeleleng en entrefilets nebben wy verleden jaar ten duideiykste in het licht gesteld hoe de eerste aanleiding van het geschil was: een vry vage strandroof kwestie welke door verkeerde behandeling by het begin er van, is opgeblazen tot een came célèbre. Ware die zaak aanstonds behandeld met inachtneming van de bestaande contracten met Bali, zooals destyds het advies ook luidde van den toenmaligen Vice president en 3 leden van den Raad van Indie, dan had, by een onbevredigend verloop ervan, het status quo op het eiland kunnen blij ven gehandhaafd, tot tyd en wyie de Regeering de handen wat ruimer had, en de honderd en één zaken en zaakjes, waarin zy toen was betrokken, wat meer waren afgewikkeld, als wanneer zy de regeling der Balische zaken snol en met voldoende krachts vertoon had kunnen ter hand nemen. Van vyandeiykheden zou dan naar alle waarschyniykheid zelfs geen sprake zyn geweest. Dit is niet gebeurd; de Landvoogd heeft zich destyds vereenigd met het advies van de minderheid van den Raad — één lid I — die van oordeel was: „dat het gezag van Nederland was gehoond," en er is getracht om door een barsch gezicht de vorstjes van Badoeng te intimideeren. Dat het niet de onbetrouwbaarheid van de rechtspraak op Bali was, geiyk is beweerd, welke de Regeering verhinderde om, volgens de contracten, door deze de zaak van den gestranden schoener te laten berechten, biykt wel daaruit, dat nog steeds het berechten van zaken van leven en dood daaraan biyft toevertrouwd. De stranding-kwestie dateert van 24 Mei 1904, en op 28 April 1905 werd door den Raad van Kerta's op Bali nog een doodvonnis uitgesproken in een moordzaak. Dat het aan den anderen kant, van de zyde der Balische vorstjes, niet de kwestie was van roofzucht, biykt wel daaruit, dat zy volkomen bereid waren om het geeischte bedrag van 5000 dollars te betalen, maar niet in den vorm van eene schadevergoeding voor een roof, aangezien die volgens hen niet bewezen was. Geld legde derhalve by hen geen gewicht in de schaal, wel de rechtvaardigheid van hunne zaak. De aanleiding der zaak is echter aanstonds op den achtergrond getreden. Er zyn zachte dwangmaatregelen aangewend, zonder dat daaraan, desnoods door een krachtig optreden, nadruk kon worden ge geven. In haar streven om links en rechts en overal zaken te entameeren, heeft de Regeering ook de Balische koe by de horens gevat, zonder dat daartoe op dat tydstip eenige de minste dringende noodzakeiykheid bestond. En nu is dat beest wild geworden, waar het duideiyk gewaar werd dat de hand, die het wilde bewingea, daartoe geen kracht bezat. „Aan wie de schuld, dat er noodeloos veel fcloed zal worden vergoten" ? vraagt de Java Bode. Het antwoord daarop is eenvoudig het volgende: „Aan de tegenwoordige Regeering, die alles te geiyk aanvat en die daardoor de macht mist om ook maar één der door haar begonnen zaken tot een werkeiyk bevredigend einde te brengen."
 
Bali en lombok. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
09-12-1905, Dag
 
Bali en lombok.
Aan het kort verslag der afdeelingen Boe leleng en Djembrana der residentie Bali en Lombok over de maand October 1905 is het volgende ontleend:
Het bericht, in het vorige verslag opgeno men. dat de radjas van Badoeng als represaille tegen de rechtenheffi-ng onzerzyds allen uitvoer over zee en naar Gianjar verboden hebben blijkt, ook volgens bevinding van den Commandant van Hr. Ms. Sumbawa, meer en meer juist te zijn. Van 23 Scp tember tot en met ultimo October jl. werd slechts een bedrag van f 2.28 aan uitvoerrechten ontvangen. Alle uitvoer heeft volgens informaties vau betrouwbare zyden sedert de tweede helft van September jl. plaats naar Tabanan, van waar Badoeng alle benoodigde invoerartikelen betrekt. Be invoer over land Van Tabanan naar Boeleleng is dan ook ¦Jbelangrijk toegenomen. Overigens is in den politieken toestand van Badoeng geene verandering gekomen.
Het met Bangli aanhangig gebleven grensgeschil kwam niet tot oplossing. Daar van verdere onderhandelingen geen resultaat te verwachten viel, is de zaak aan de beslissing der Regeering onderworpen.
De twee knapen uit Karangasem, die voor Ctouvernements rekening de Inlandsche school te Singaradja hebben bezocht en daarna voor kweekeling werden opgeleid, hebben Met succes het daarvoor vereischte examen afgelegd. Zij zyn onlangs naar hun land teruggekeerd om aldaar onderwys te geven aan hoofden en anderen. In de onmiddel Ujke nabyheid van de poeri zal de Stede houder een schoolgebouw oprichten, waarvoor de noodige materialen reeds zyn ver zameld. Voor de aanschaffing van schoolbehoeften heeft hy onze tusschenkomst ingetoepen.
Behalve de twee Gianjarsche vrouwen in het verslag bedoeld bevinden zich ter hoofd¦plaats Pajangan (Kloengkoeng) nog dre Gian jareezen in gevangenschap. Blijkens het door den Stedehouder gehouden onderzoek hebben alle vyf personen niets misdaan, maar z^n opgevat en in ketenen ge klonken als represaille tegen een door een Gianjareü3 binnen het gebied van Pajangan gepleegden sapi-diefstal. Omstandig is zulks 4er kennisse van den Dewa-Agoeng van Kloeagkoeng gebracht, met verzoek die vijf menschen dadelijk op vrije voeten ta stellen.
Van dien zelfbestuurder is nog geen bericht ontvangen omtrent het resultaat van het toegezegde onderzoek in zake de ongeregeldheden door Kloengkoengsche onderhoorigen in het district Pajangan op de Gianjarsche grenzen gepleegd.
Volgens van den Stedehouder vau Gianjar ontvangen rapport hadden lieden yan Pajangan het irrigatiewater voor de sawahs van de desa's Tangajoeda en Boenoetin (Gianjar) op 25 October afgeleid, zoodat de sawahcomplexen geheel van water verstoken waren. Aan den Dewa-Agoeng werd ter zake om opheldering gevraagd met verzoek tevens de schuldigen te straffen en het beschadigde irrigatiewerk té doen herstellen, zooals bepaald is by de overeenkomst dd. 7 October 1902 (goedgekeurd en bekrachtigd bij Gouvernements besluit dd. 12 April 1903, No. 15).
De oogst in de strandsoebaks van West Boeleleng en in de bergsoebaks van Midden- Boeleleng was bevredigend te noemen, terwyl de bergsoebaks in West- en Oost-Boeleleng daarmede nog bezig waren.
In verslagmaand werd een bezoek ge bracht aan de desa Telokan Bawang om de nieuwe ontginningen op te nemen, welke in de nabijheid dier desa door Mohamme danen en Hindoe Baliërs zyn ondernomen. De ontgonnen gronden der eerstgenoemden zullen voornameiyk gebezigd worden voor den aanplant van klapperboomen, terwyl de laatstgenoemden, waaronder eene nederzetting van Brahmanen te Laboean Kopek tevens zullen trachten nieuwe sawahs aan te leggen.
In de afdeeling Djembrana was de oogst geheel afgeloopen. De totale afslag wegens misgewas bedroeg daar slechts 742 timbang.
Uit de afdeeling Boeleleng werden 1113 runderen ter waarde van f 49970.— uitgevoerd, waarvan: 163 naar Singapore, 370 naar Batavia, 64 naar Macassar, 400 naar Atjeh, 10 naar Ternate en 106 naar Ambon, zoomede 1357 varkens ter waarde van f 20635.— waarvan: 1224 naar.Singapore, 16 naar Batavia, 113 naar Macassar en 4 naar Ambon, terwijl uit de afdeeling Djembrana naar Banjoewangi uitgevoerd werden 654 runderen, 16 paarden en 157 buffels en naar Boeleleng 120 varkens.
De handel was in de afdeeling Boeleleng levendiger dan in de vorige maand, vooral die in lynwaden. Groote hoeveelheden copra worden ter markt gebracht en vonden by de Chineesche handelaren gretig afzet. De kotfieproductie was minder dan het vorig jaar en behaalde de pryzen van f 25.— tot f 28.— per pikol lste kwaliteit; hiervan werden 823 pikols uitgevoerd. De prijzen van copra en katjang tanah bedroegen resp. f 8.25 en f 4.25 per pikol., Ter reede Singaradja (Boeleleng) werden in- en uitgeklaard 316 en 322 vaartuigen, welke cijfers voor Djembrana 98 en 100 bedroegen. De weersgesteldheid was in Boeleleng warm en droog over dag, met vry koele nachten; in de bergdesa's waren de regens doorgekomen. In Djembrana was het in de eerste helft van verslagmaand regenachtig, in de tweede helft zeer droog. De gezondheidstoestand was bevredigend ; in Boeleleng werden twee gevallen van waterpokken geconstateerd, die goedaardig verliepen ; in beide afdeelingen werd met de vaccine geregeld voortgegaan.
Een Balische vrouw benam, om onbekende redenen zich het leven door ophanging in een bosch, terwijl een Baliör uit een boom dood neerviel. Twee Baliërs in het district Bandjar DentjarfF werden in de nabyheid hunner desa's vermoord gevonden.
Een inlandsch vaartuig, volgeladen met ryst, werd door hevigen wind en golfslag op het strand van Peijgastoelau stuk geslagen. De opvarenden en de lading werden gered. Vier huizen gingen door brand ten gevolge van onvoorzichtigheid verloren. De schade bedroeg 10 rijksdaalders.
Twee mannen en vier vrouwen vertrokken van Tanggoewesia met een djoekoeng naar PabeanSingaradja, met het doel eenige door hen medegebrachte zakken katjang tanah aldaar te verkoopen. Aangezien daarna niets meer omtrent hen vernomen werd, wordt vermoed, dat zij, door zwaar weder overvallen, in zee omgekomen zijn.
 
Naar Bali! Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
05-06-1906, Dag
 
Naar Bali!
Het Bat. £{bl. bracht Zaterdag-avond de tyding dat de Radja van Badoeng gedreigd zou hebben om, in vereeniging met volk uit andere rijkjes, de hoofdplaats Boeleleng af te loopen. De regeering heeft gelast om aanstonds troepen naar Boeleleng te zenden. Uit Buitenzorg vernam het blad dien dag nog dat het telegram van den resident van Bali in den namiddag pas werd ontvangen en een ware opschudding heeft veroorzaakt. Men heeft er niet op gerekend dat de balische vorstjes, na ons. dreigen en nog eens dreigen, zelf den knoop zouden doorhakken. Maar al komt er nu ook niets van een overval: de expeditie zal nu wel onvermydeiyk zyn! zegt het blad. Ronduit gezegd, gelooven wij niet aan dien beweerden overval. Die „bedreiging" van den Radja van Badoeng komt in dezen expeditie-lievenden tyd goBd te pas. Da resident is denkeiy k wat vlug op praatjes afgegaan, wetende dat het bericht 'wel opschud iing zou veroorzaken, maar toch ra zekere kringen niet ongevaüig zou zyn. „De expeditie zal nu wel onvermljdeiyk zijn", zegt het Bat. Nbl. Die expeditie was reeds lang „onvermydeiyk". En zulke overvallen maken haar nog veel onvermydelijker. In Djambi, zoo deelde een officier ons mede, werd hy om den anderen dag „over vallen", soms wel door 20.000 man, altyd ala men op de praatjes wilde afgaan. En toch liepen die vreeselijke dingen goed af, al zond men er geen extratroepen heen. Men wil thans wel zool Men zal a. s. Woensdag eene Gemengde Compagnie van het lste depot Bataljon te Buitenzorg naar «*aU sturen, als „observatie-korps". Die reepen schepen zich te Tandjong Priok in, >p de „Baud" Let op dat ze van hst lste Depot-bataljon 'Hln. Heel veel anders was er blijkbaar niet :'6gehikbaar. De artillerie, die aan de expeditionnaire i tuepenmacht voor Bali bestemd, zal worden i ingevoegd, is ditmaal niet gering. Naar h:t Soer. Hbld. van goed ingelichte zyde aemt, wordt het advies vau den majoor d >r cavalerie A. M. C. J. van Exter, die in h 'h. als stafofficier met eene geheime zen naar Bali is geweest, gevolgd, om de e houwitsers van 12 cM. mee te nemen. P bestaande goede wegen op Bali laten Ire, en zoo ziet de 12 eM. Hw. A. zich htPSohapen in een „Paldhaubitze". Er gaan 4 houwitsers mee: ieder stuk in den gevechtstrein bestaat uit 2 vierradige voertuigen, terwijl in de tweede linie nog totaal 4 vierradige voertuigen meegaan. Voor deze uitrusting is gebruik gemaakt van het materieel der veldbatteryen uit Batavia en Willem I. Het geheel staat onder commando van een luitenant, terwijl bij de pionierafdeeling ook nog een luitenant der artillerie zal worden ingedeeld. Als „echte" bereden artillerie gaat voorts de Bergbattery van Soerabaja mede, met 4 kanonnen van 3 7 c. M. (afkomstig van de Marine).
 

koloniën. Batavia, 6 Juni. Krantentitel:
Rotterdamsch nieuwsblad Datum, editie:
09-07-1906, Dag
 

koloniën. Batavia, 6 Juni.


B ali. Hedenmorgen verspreidde het Bat. N b 1. het volgende buiietin : „Naar wij vernemen is gistermiddag- laat bij de regcerimg Ui. ontvangen van den resident vaa Bali en Louir bok, houdende bericht dat de radja van Badoeng gedreigd zou hebben, in vereeniging met volk uit aaidcne rijkjes, de hoofdplaats Boeleleng af te loopen. Do regeering heeft onmiddellijk gelast troepen naar Boeleleng to zean. Nog gisteravond kreeg het fcsgerbestuur opdracht een compagnie infanterie zoo spoedig mogelijk naai' Bali te dirige. Waarschijnlijk zal daarvoor een compagnie van het Ie depotbataljon te Buiteuzocg aangewezen worden." Een bevestiging dezer tijdingen door liet Persbureau bleef tot dusver uit, maüi- aan de juistheid behoeft daarom uietgcttvjjfeld te worden. Eem feit is dat een compagnie van het eerste depotbataljon naar 80-aWLeng gaat, zooals het officieel heet: om als bcwaJciagaafdeeling dienst te doen. ïlet eerste depotbataljon, feitelijk bestemd voor de opietding van recruten, beschikt over penoeg stof om een veldcompasnie af te stean. Uit BuitejizorjLj vernamen wij nog, dat het telegram van den resident van bali in den namiddag pas werd ontvangen ca een ware opschudding heeft veroorzaakt. Men heeft er niet op gerekend, dat de Balisebe vorstjes, na. ons dreigen en nog eens dreigen, zalf den knoop zouden doorhakken. Maar ai komt er nu ook niets van eea overval: de expeditie zal nu wel onveraijdiehjk zijn 1 De J a v a-B o d © vernam, dat bij de regeering een telegram was ontvangen va» den heer G. F. De Bruijm Kops, resident van Bali, om te melden dat de radja va» Badoeng gedreigd had de afdeeling Boeïaleng te zullen afloopen en dat daarop gjelast was, onverwijld een gemengde cornjjj*. gnie vam het Ie depotbataljon te Buitcnxorg gereed te maken om beden, anders morgen, naar Bali te vertrekken. Bij informatie bleek ons, dat dit berictit waarheid bevatte en dat inderdaad eèn compagnie Europeanen en inlanders iras aangewezen, onder commando^ van kapt. i. Willems,om met spoed van Buitenzere «aar Bali te worden overgebracht ter bezetting van Singaradja. De troepen zullen per spoor naar Seerabaja vertrekken en vam daar naar Bah' wor den overgevoerd. • De adviezen van kapitein Schutstal van Woudenberg, die, gelijk bekend is .reed» gadurende geruimen tijd op Bali vertoeft,Tntlen alsmu zeer te stade kunnen komen. Barbe rt j e moe t han gen- * Men seint aan het <B a t. N b 1. uit Bangkalan: „In verband met het gescharrel met do ziéktecyfers is de assistent wcdono vnn Tandjoeng Boemi overgeplaatst naar Banipang. Den wedono van Tandjoeng Boemi ia aangezegd ontslag uit 's lands dienst te \ ragen. De assistent-wedono beweert: „ate ik schuld heb, heeft de wedono ook schuW-ïfn de wedono zegt: als ik schuld heb, dan ook de controleur." Er zijn reeds méér Barbertjes gehangen, ginds op Mndoera. De wedono, die nn wordt weggezonden, is dezelfde, die op SO en *1 April op taja staten de hooge ziektecijfers bleef behouden, welke door controleur Blanken, in overleg met „de" geneeskundigen, eLw.z. de doktere djawa, met duizend verminderd werden. En de assistent-wedono, die nu overgeplaatst is, had oen schrijver in dienst, die de tiendaagsche staten over Januari aanhield en op wiens ataat van 20—30 Januari 20') dooden méér voorkwamen dan officieel aan den residtnt gerapporteerd was En dut wegmoffelen van 230 dooden was verkregen door een rekenkunstige en evenredige verlaging der cijfers, zooals men ieker niet van een inlandschen schrijver «oa verwachten... De dokter djawa Soekirmo, bekend nit hot „conflict" met controleur Bl<mkeu,oaadat hij voor dezen niet wildd hurken,maaite deze cijfcrveimuidering aan den civieigenecsheer bekend ;en de inlandsche vdhrij' ver ve.-klaarde daarbij, dat hij de juiste cijfers, zooals ze hem dcor de dessahoofden gebracht waren, had ingevuld, maar nu bar.g was te worden ontslagen, omdat de co; troleur terugschrikte voor zulke hooge cijfers. En dat was in dessa's bekend geraakt, wat de dessahoofden angstvallig heeft gemaakt. De zaak is druk besproken onder de lagere inlandsche arabtenajen, vooral omdat de inlandsche schrijver eer kei ij b ontslagen is. Zoo maakt, men ziekternpporten op Ma» d>>era en zóó hangt men Barbertjes! Kleine dieven hang', men en groote di*» ven gaan ongehinderd... De resident van Madocra seinde gisteren aan de regeering: In koortedistricten Aiv>sbaia,SepoeJea cm Kctapang van 10 tot 20 'Mei respectievelijk 15, 28 en 3 dooden. Aantal zieken op 20 Mei 195—M 69 en 631. Aantal reconvalescente» 163—425 cm (miei vermeid); stijging ziektecijfers, niet door bijkoming gewone zieken, maar door bijvoeging chronische malarialijders, wier behandeling dr. Terburgfc voor bestrijding malaria noodig oordeeK, beschouwende hij die personen als infectiehaarden, van waaruit de anopheles daziekte verspreidt. Te voren werden door de geneeskundigen alleen als ziek opgebracht zij, die koorts hadden. Het vertrek der troepen. Wij zijn hedenmorgen even naar Tand jong Pritok geweest ewn te kijken, hoe alles m zijn werk ging bij het vertrek der «mengda compagnie, die voor Bali is Sefitemd. Naar on» uit Buitcnzorg geecind is, wer» den troep to Buitenzorg met muziek megeleide gedaan ; ook aan het station ca het Koningsplein was een muziekkorps opgesteld, dat bij het binnenrijden yan dêa trein er lustig op los toeterde. Eenige hoege militaire autoriteiten gaven door hu» aanwezigheid bhjk van belangstelling. Aan boord van het s.s. „Baudf' ging alles rustig toe; men was er bezig me* het ontladen der zwarte, aüe even groote soïdatenkisten, waarop de onderluïtenaa* Mulder het toezicht hield. Do Javaantjes cm Europeanen hadden het zich om strijd gemakkelijk geanarft*» Het scheen den eersten weinig te kunne» schelen of ze „top expeditie" gangen, als ac hun gezin maar mochten meenemen, rfrieet elkaar huisden se op matéee, beschikken»*, ever eea plankgebied in net tuaflcheswMj ▼an precies twee vierkanten «eter. O». als de adat dat wil en de onschuld, of met haar kinderen, poedelnaakte erden te loopen en het ■.ulied' verkenden. Ken eind verder tijtje gom uten ze in di oh ton drom saamgehurkt om den gokbaas, die het toilletflo draaide, het geld inde en met loeroogien ieder op zijn vingers keclk. Mem waagde zijn laKfcstè „stuvers". En de Europoaeaa?... „Blij cla'k er van luoschen teek', merkte een groot-Mop. „'t Wars 'm rommel op Bogor, gcön fcrtier en als maar ekserseeïe". r krijg je gauw genogt van !" stemde éen koiporaal in. „Nou ziem me nog 's wat ld. Bin nou i» maanden in tien Oost en nog niet verder gewces dan ISufjtenzoi'g-.'' In luchtige klecdij zwabberden ze rond, i op het dek, beneden. jur waren er ook, die hun nieuwe slobkousen zaten te bewonderen en het niet van dr hart konds.-i vei'.'nijgen, ze uit te trekken. Drie Europeanen zaten in de buurt van het kombuis met opgestroopte hemdsmouwen aardappelen te jassen en de putten dr uitv te halen. Een neuriede: „Sla, kroten cm andijvie...", mikte het geschilde goedje netjes in den emmer, zoodat het water opkletiste Buiten ïiepen er een paar, in uniform en met blank ».apmes; gfio bewaakten de loopplank cm hielden de ondeugd uit de buurt der vaderlancteohe vlag. Vanmiddag ~o,mt do muziek van het 20e een deuntje spelen en komen de „hooge oornes" even een kijkje nemen en als het vijf uur slaat, komt de schroef in bew-eging en gaat de „Baud" Oostwaarts op. *** En zoo zullen dus vanavond de eerste troepen naar Bali onderweg gaan. Maar tot een expeditie is nog steeds niet besloten.
Wel zijn drio bataljons, waarvan een ala reserve, gereed gemaakt, om op alle gebeuiiijkneden te zijn voorbereid, maar het kon nog best gebeuren, dat de omstandigheden van mem aard werden, dat alles weer werd afgelast.
Een commandant van de expeditie en een chef van den staf zijn dan ook nog steeds miet aangewezen, hetgeen stellig geschied zou zijn, indien de regeering reeds bepaalde plannen had gevormd. Want de hier bedoelde autoriteiten hebbon tijd noodig om zich voor te bereiden voor hun taak en een, benoeming op het laatste oogenbius zou in hooge mate ongewenscht genoemd moeten worden. Maar dat het binnen niet te langen tijd tot cein» expeditie zal komen, om de Balineesche vorstjes tot rede te brengen, is beslist zeker. J.B. Moord in den trein. Uit Bangkalan schrijft men aan do N Soe r. Ct. Gepassoerden, Zaterdagmorgen had in een 3e klasse waggon van d 3 Madoera stoomtram, die even over negenen van Sampang te Toendjoeng — een halte vóór Bangkalan — aankwam een moord plaats. Een inlander met een plaatekaartje in d 9 hand stapte den waggon binnen,nauwelijks gezeten te midden van tal vam medepassagiers, werd hij onverhoeds door een Madocreesch medepafieagicir in de borst gestoken en zeeg dood neer. In de consternatie, die daarop ontstond, wist de moordenaar den waggon te verlaten en het hazenpad te kiezen. De vermoorde werd onmiddellijk door de te Toendjoeng stationneerende dessa politie naar buiten gebracht en naar het ziekenhuis te Bangkalan ter schouwing gezonden. Inmiddels zette de tram de reis verder voort. Een pvitiebeanibtc kwam onderweg in den waggon en ondervroeg alle inlanders die van den brutalen moord getuigen waren, namen en woonplaatsen werden opgeteekend, maar niemand wist iets mede te deelen. Noch de moordenaar, noch de vermoorde was hun bij name bekend. Dit was wel te voorzien uit vrees voor weerwraaK. Mocht óp politie te Bangkalan het geluk hebben den moordenaar te vatten, dam pas zullen de getuigen hun vreesachtigheid >if leggen en bijzonderheden van den moord vertellen.
 
 BINNENLAND. AMSTERDAM, Dinsdag 18 September. De toestand in Bali. Krantentitel:
Algemeen Handelsblad Datum, editie:
18-09-1906, Avond
 BINNENLAND. AMSTERDAM, Dinsdag 18 September.
De toestand in Bali.
In „De Locomotief" vinden we een overzicht van het operatietooneel, waaraan het volgende is ontleend :
• Het eiland Bali is een der schoonste eilandan van den Indischen archipel. Hoewel klein — het geheele eiland is ongeveer zoo groot ala de halve residentie Preanger-regentsclrappen— telt het ongeveer een millioen inwoners. Ten einde aan die dichte bevolking levensonderhoud te kunhen verschaffen is over het geheele eiland tot hoog in het gebergte het terrein her-schapen in sawahs, welke op die kunstige wijtea geïrrigeerd worden, «aaivan alleen do Baiiërs het geheim bezitten. Zonder door controleurs of waterstaatsingenieurs gemassregclt te worden, zooals de Javaan bij wien eigea energie en initiatief door aanhoudende vaderlijke zorgen geheel zijn uitgedoofd, tapt hij de rivieren hoog in den bovenloop af en leidt liet vruchtbrengend water langs lange leidingen naar de sawahs. Daarbij ziet iiij er niet tegenop soms eoer lange tunnels door lieiivelruggen te graven, hooge aquaducten t» bouwen en andere vernuftige werken aan te leggen. En dit kan hij doen doordat het gevoel van eendracht maakt macht, het gevoel voor coöperatie hem in het bloed zit. De Fa-.vahbeziiters toch vereenigen zich onderling tot soebacs. welke een eigen bestuur kieken, geheel afgescheiden van het des» sabestuur.
• Dit soebac-bestuur, aan welk* beslissingen, de Baiiërs zich — tot welke kaste ook behoorend — onvoorwaurdelijk onderwerpen, bepaalt de aan te leggen werken, regelt do waterverdeeling, gelast den planttijd enz. Eu treedt iv alles op ter behartiging van de belangen van de eigenaars der sawahs, die door onderling belang genoopt zich tot een soebac vereenigden. De aanleg van tunnels en dammen wordt uitbesteed bij landgenooten, die van den aan. leg dier werken hun vak maken en het is verwonderlijk welk scherp oog die mensehen ep het terrein hebben. Zonder waterpasinstrumenten of boussoles weten zij dea loop der leidingen te bepalen, taxeeren verwonderlijk nauwkeurig de hoeveelheid water eu ramen do hoeveelheid sawalis, weike daarmede kunnen worden geïrrigeerd; zij wijzen zonder aarzelen de complexen sawah aan, welke tot een soebao behooren te worden vereenigd enz. < Kn zoo slingert over geheel Bali een reusachtige net van groote en kleine waterleidingen en spoedt zich daarin het kabbelend water vun de bergen oraeduldig naar de sawahs, die daarop wachten om zich met een groen kleed van padi te tooien, hetwelk de vergezichten op Bali zooveel aantrekkelijks verleent. Tot waar het mogelijk is sawahs aan te leggen hoopt da bevolking zich in de van muren doorkruiste en met kleiwoningen bezaaide dessa's opeen en bestaat dus het terrein bt uit sawahs, welke in oen of ander stadium van bebouwing verkeeren, soms onafzienbare velden, of in grooto desa's met fraaie breede wegen, beschaduwd door «eeuwenoude waringins, door tal van vruchtboomen.
• Maar halt — niet enkel uit sawahs en dessa's bestaat het dithtbevolke gebied in Bali. Talrijk zijn ds plekken, heuveltjes, heuvelruggen, grillige terreinplooien welke niet «ioor het water kunnen bereikt worden. Mug bouwt; de Bahér daar een poera (tempel) of legt groote velden met alang-alang aan, welke g<v reegeld g«wneden wordt en waarvan de opbrengst dient vot vervaardiging van atapps tot bedekking der huizen.
• Wij spraken zooeven van de inrichting der dessa's en — hoe sympathiek ons het nijvere Balische volkje «>ok voorkomt •— het wandelen door hui woonplaatsen is in den regel alles behalve een genoegen. Eerstens wordt men de geheele wandeling begeleid door hondengo-
• blaf of varksnsgeknor, welko beide diersoorten in overvloedige hoeveelheid in de dessa huizen. Evenwel geen van dio dieren zijn kwaadaardig evenmin ils do paarden, karbouwen, «api's of «nder gedierto dat vrij op Bali rondwandelt en dat. door eijn gocdigeu aard, bewi>t dat de Baliër over het algemeen niet slecht is voor dieren. Met hondeu is het nog iets anders.
• Het volksgeloof op Bali wil dat menschen, die ©en onzedelijk leven op aarde geleid hebben, nis hond terugkeren na hun dood. En aangezien do Baliër pp het punt 'an zedelijkheid in den regel een slecht geweten heeft, en vrij zeker zich herinnert dat verschillende zijner ontslapon familiebetrekkingen of adathoofden het tijdens hun leven op aarde evenmin erg nauw namen met do zedelijkheid, zal hij nagenoeg nimmer een hond een slag of een schop toedienen, vreezend daarmede iijn overleden vader, oouii grootvader of poenggawa een opstopper toe te dienen. Doch bij dio negatieve blijken van welwillendheid blijft hot in den regel. De gierige aard van den" Baliër. maakt dat alleen die dieren go^d gevoed worden, welke hem voordeel apicveren ; mestvarken», sapi's en paarden en zijn overig gedierte moet maar zien hoe hot dën kost opsohvrrelt. Dag en nacht is het daartoe in do weer. En mijn lezers die den Indischen gladakker bij go'uida kennen, zullen dus kunnei begrijpen dat het verblijven van eon nacht in Mn Baliscae dessa allesbehalve als een gvumgen ma gword-jn beschouwd. Ook Piet om andore recbnen dan die tot sparing der g.-h.)orzenuwen kun.aan worden aangevoerd. Een Balisch huis toch bestaat ujt een muur, omheinend een vierkant erf dat kwistig bezaaid is met modderpoelen, vierkante van klei opgetrokken huisjes; rijstschuren die er oog het best en soliedst van alles uitzien. Met .rehrel is gevuld nvt varkens, kinderen, honden, vrouwen en mannen, die in een genoege- Ink'pêle mêb voort'.e/en'En do vorstelijk© paleizen (poen'sl bestaan uit niet veel andors dan 6 > S van zulke erven «mgeven door een plm. 4 M. hoogen en li a 2 M. dikken muur van gebakken steen, waardoor zij zich onderscheiden van de woningen van den gewonen man, die slechts een muur van klei om zijn i-rf heeft. Toegang tot de fciveri verleenen smalte, haosopgebouwde en in de poeri's soms fraai versierde poorten, welke echter zoo smal zijn dat zij slechts één persoon tegelijk toelaten. Soms treft men in die poen s enkele open loodsen aan tot terging dienend Tan vechtüanen of duiven of gevuld met geweerrekken, waarop oude voorl-ider?, vuursteen gewei en vertrouwelijk in het gelid zijn geschaard met Wineh«?ster-repeteerge.weren, alles echter be- Toest en overdekt met stof en vuil. Een retirade houdt de Baliër er niat «p »•_ doch beschouwt zijn geheide erf als zoolang, de vlccr zijner bale's of woningen doet tev_ns dienst als spuwbak waarvan de roode virihvlekken overal-getuigenis afleggen ; verder is hij bijzonder gastvrij zoodat -ie wanden der gebouwen, de zittingen der zetels die hij u aanbiedt wemelen van zeker onnoembaar gedierte, en dit alles bij ;enomei maakt dat een Europetsch logé ïicb bij hom alles behalve seneng gevoelt. Zijn 'wegen zijn prachtig, in de dessa namelijk."Dikwerf wandelden wij in de landschappen over heirwegon van 20 en meer Meters breed, prachtig beschaduwd. Doch nauwelijks en de desa gokomen acht de Baliër een galangan voor hot gebruik voldoende en vindt hij hot zonde en jammer zulke breede strooken grond als noodig zijn voor een weg onbebouwd te laten. . En aangezien alles in Bali is ondergeschikt gemaakt aan de sawahcultuur, zoo gaat de waterleiding vóór de 'wegen en passeert men . een kabbelend beekje waarover t. iets waaraan de ongeschoeide Baliër dan ook geen behoefde gevoelt. Zelfs waar het noodig is voor afvoer van het afgewerkte sawahwater, wordt het water eenvoudig over den weg geleid en plast men dus over soms moor dan honderden meters lengte tot de knieën door het water. Ook _e wandelingen n Je dessa zijn dus alles behalve een genot iemand, die niet houdt van natte schoehet daarmede gepaard gaande ongemak. • '- ■ lien is het terrein op Bah erg geaccidenteerd on do wegen, die niet een der uitioopers van het gebergte volgen, welko zich tot aan de kust voortzetten, doch dio evenwijdig aan hot strand loopen. snijden de ravijnen van de talrijke riviertjes, dio hun bed diep in den lachtigen ondergrond uitspoelden. Zoo is het zeldzaamheid om op een 10-tal palen f,l van de kust ravijnen te ontmoeten van 300 a 400 voet diep mot steile wandon, waarvan He passaspe menig zweetdruppel kost. Die riviertjes hebben alle het karakter van iergstroomen. Aangezien het water nagenoeg geheel voor de bevloeiing der sawahveldeu lt afgetapt, bevatten zij in den regel zeer weinig water en alle zijn dan ook doorwaadbaar behalve bij bandjir. Door bat groote verval is ©en bandjir in den regel in enkele uren tijds afgeloopen, zoodat men daarvan weinig ongemak ondervindt. Waar de rivieroevers buitengemeen steil zijn, hoeft do Baliër vernuftige bruggen gebouwd en zelfs duikers aanrol, zoodat hot passeeren der rivieren ner, 'buitengewone moeilijkheden ondervindt, live natuurlijk als men bijzondere vervoermiddelen bezigt en er togen opziet alles te voet wandelen. Werpen wij thans nog een blik op de landjehappen waartegen de- expeditie vermoedelijk cal optreden, nl. Badoeng, Tabanan en Bangli. Hot eerstgenoemde landschap is nagenoeg vlak. Van af do kust stijgt het terrein dadelijk tot 20 Meters om daarna zeer geleidelijk en .•aam in noordelijke richting op t© loopen. Do hoofdplaats Denpasar ligt op pl.m. 40 M. en de hoofdplaats van het oude rijk Mengwi op pl.m. 100 M. Bohalve.de nagenoeg onbewoond© Tafelhoek bestaat het rijk uit een zee van sawahs afgewisseld door dichtbevolkt© dessa's. In totaal bevat hot rij-k ruim 100,000 zielen en kan ongeveer 20,000 weerbare mannen op de been brongen. Als landingsplaatsen komen in aanmerking Koeta. op de Z.W.kust en Sanoer op de Oostkust waar de schepen goede ankerplaatsen vinden In den Oostmoesson zal Koeta, in den Westmoesson Sanoer als aanlegplaats van schepen do voorkeur dienen. Verder komt nog in aanmerking do Pantéj Timorbaai, waarbinnen echter groot© schepen niat kunnen komen. De baai valt toch achter hot eiland Serangan.bij ?b droog. De voornaamste tegenstand zal de rtepediiie kunnen, verwachten in de pocri-van .;>as;i.r en het daaromheen gelegen kampong-coniplex Denpasar Pametja^tan. Daar zal o-.-o.r- hot lot van Badoeng worden beslist.
• Wordt gencemd kampongcomplex hardnekkig verdedigd dan zal do vormeestering van dat uitgestrekt© door stcenen en klcdmuren doorkruist© terrein aan de troepen nog zeor voel moeite kosten. Bij do verovering van Mataram en Tja- Jtriuegara tijtkpa d© Lombokcxpeditio httoben n dit ondervonden. Nu moet'men daarbij in aanmerking nemen, dat sedert dio rxpeditic ons leger zoowel in bewapening als in offensieve waardo aanzienlijk is vooruitgegaan jbu vooral dit laatste mag men niet gering ichatten.
• Het rijkjo Tabanan, waarvan het zuidelijk gedeelte dicht bevolkt is, zal niet bijzonder oeito veroorzaker.. Na don val van Ba-'oeng zal de zelfbestuurder wol de wijste parto' kiecen en zich onderwerpen, doch het is altijd mogelijk dat enkele niet goed gezinde peenggawa's (bv. dio van Kedin) door .kracht van wapenen tot redo moeten worden gebracht. Met zeer geaccindcn'tecrde noordelijk gedeelte loont zich echter bijeonder voor oen gezetten guérilla-oorlog en het is gelukkig dat de Baliër tuchtig als hij is — van 7",:! i: houdt ah wij in Tabanan echter verdedigd v.ordon dan zal hot vervoor van hot zwaro ge■__<&*__:___, volgen^ g©ruj;btejLd^._g_<=rfitiie.. zal vergezellen — langs den weg Mengwi-Tabanan, welko wemelt van zware ravijnen, nog heel wat moeite kosten.
• Van het operatietooneel bestaat een goede schet3kaart, vervaardigd, gedeeltelijk naar gegevens van Inlanders, door den adsistent-resident tit. Schwartz, die thans nog té Bali geplaatst is en vermoedelijk bij de expeditie zal worden ingedeeld. Zelden beschikte een uitgezonden exp. troepenmacht over meerdere en betere gegevens omtrent het gebied waarin zal worden geageerd. Dat in Badoeng onze troepen een lot zou wachten als in 1894 te Lombok is uitgesloten door den verhoogden offensieven geest bij aanvoerder en bataljons die het: „een aangevallen'Baliër is een gansch andere vijand dan een aanvallende Baliër" in hun vaandels zullen voeren.
 
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
30-01-1907, Dag
 
Bali.
Aan het kort verslag der afdeelingen Boeleleng en Djembrana der residentie Bali en Lombok over de maand November 1906 wordt het volgende ontleend: Den 12 November keerde de regeeringscommissaris voor Bali in gezelschap van rapporteur over land van Zuid-Bali terug en vertrok den 14den daaraanvolgende met Hr. Ms. pantserschip „De Ruyter" naar Soerabaja. Op den 29sten November vertrok rapporteur naar Zuid- Bali en keerde den 3den December van daar terug. In de stra-ndsoebaks in de afdeeling Boete* leng heeft men overal uitgeplant; in het ge*, bergte is de oogst 'geheel afgeloopen. In de afdeeling Djembrana wordt een begin gemaakt met de sawah-werkzaamheden. Over den aanplant van tweede gewassen zijn geen bijzonderheden te vermelden.
Ziekten onder het vee werden niet geconstateerd.
De handel in koffie in Singaradja was levendig, doordat dit product in groote hoeveelheid van buiten de afdeeling werd aangevoerd na het beëindigen der verwikkelingen in het Zuiden. De prijs was f 27 de pikol; uitgevoerd werd naar binnen het tolgebied 4157 pikoL Copra kwam slechts in kleine hoeveelheden aan de markt, de prijs liep van f 12.50 tot fl3 de pikol. Van West-Boeleleng werden groote hoeveelheden katjang ter markt gebracht, prijs f 5 de pikol.
Opstootje te Weltevreden. — Het „Bat. Nbl." van 2 Januari bericht: Hedenmorgen ontstond te Ka-rang Tengah een oploop van volk. tengevolge van het gevangennemen, door den wedono. van een hadi. die zioh tot „Radja Pelaboean" had uitgeroe-' pen. -. - - De gewaande radja was door den wedono opgesloten in de di-trictsgevaneenis, die door de volgelingen -van den hadji, ongeveer twintig in getal,, werd opengeloopen.. De hadji werd aldus weder in vrijheid gesteld.
Eenige politieTopassers die de orde trachtten te bewaren bekwamen hierbij verwondingen.. pc assis_ent-re.-i.nent van Soeknb.emi, te'egraphisch gewaarschuwd, was spoedia; ter 'plaatse en leidde het verder onderzoek. De wedono, zegt men, trachtte het optreden van de fanatieken te bezweren, door hen te bedreigen met een jachtgeweer.. Toen hij aftrok, weigerde echter het wapen, wat de roep van onkwetsbaarheid, die van de volgelingen van den nieuwen „radja" uitging, in de oogen der bevolking natuurlijk bevestigde.
Aan de „Sumatra Post" werd den 4den.-'"Januari uit Weltevreden geseind: Ofschoon de toestand eerst dreigend was, zijn de opstootjes bedwongen.
 
Bali Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
29-12-1908, Dag
 
Bali
Aan het kort verslag der Residentie Bali en Lombok gedurende de maand October 1908 is het volgende ontleend :
Door de uitkomsten van onze recente diepingrijpende bemoeienissen met de landschappen Karang-Asem en Banglikan thans de politieke toestand van heel het gewest gunstig worden genoemd. In beide landschappen heeft de bevolking den nieuwen toestand gewillig aanvaard en toonen de hoofden zich vol ijver om de regelingen behoorlijk na te komen. Voor de invoering van de belastingen, zooals deze bij de vastgestelde verordeningen geregeld zijn, worden in de drie Stedehouderschappen de noodige voorbereidende werkzaamheden verricht.
In verschillende deelen van die landschappen werden door de aldaar gelegerde troepen patrouilles gemaakt. De ontvangst was allerwege voorkomend en de houding van hoofden en bevolking gepast. Ingeleverd werden in Bangli nog vier geweren. De voor den bouw van het bivak ter hoofdplaats Bangli benoodigde materialen worden geregeld aangevoerd en de bevolking verricht daarbij koelie-arbeid tegen betaling. De tot poenggawa's en Sedahans agoeng in de onderafdeeling Tabanan en Badoeng benoemde personen, zoomede deonderdistrictshoofden van Tjarangeari en Angantaka legden respectievelijk op den 24sten en 29sten d. a. v., in de pooradalem ter hoofdplaats Tabanan en te Pametjoetan in handen van den Assistent-Resident van Zuid-Bali, daartoe door rapporteur gemachtigd, den voor hen voorgeschreven eed af.
Met hei oog op het voorkomen van pokken in de afdeeling Boeieleng werden met den te Singaradja bescheiden dokter-djawa de noodige maatregelen beraamd tot stuiting dier ziekte en den hoofden op het hart gedrukt, hunne medewerking ter zake te verleenen en onmiddellijk nieuwe gevallen aau het bestuur op te geven. Behalve de gewone bestuurszaken werden met de Badoengsche (Zuid-Bali) hoofden op de vergadering van 19 October jl. door den Assistent-Resident eenige aangelegenheden, de landelijke inkomsten betreffende, behandeld en tevens aan de poenggawa's van Sibang»- Abeansemal en Blahbatoe, zoomede aan den man tja van Tjarangsari duidelijk gemaak . dat aangezien hun thans bezoldigingen zrjn toegekend en toelagen als vergoeding voor het gemis van vroegere inkomsten, zij voortaan niet meer de opbrengst van de sawahbelasting binnen hun gebied zullen genieten maar alle belastingen in 's Lands kas behooren te worden gestort. Dit werd op den 22sten d. a. v. ook bekend gemaakt aan de pengloerahs, de hoofdek der irrigatie-gebieden, die op dien dag Qe maandelijksche vergadering met de Sedahan Agoeng hielden. Verder werd met hen de inning der sa wanbelasting) de toekenning van ambtsvelden aan de soebakhoofden behandeld en aange' drongen op de spoedige indiening van de uitkomsten der door de soebakhoofden onder hun toezicht verrichte individueele opmeting6ll van de sawahs. Dezelfde aangelegenheden werden daarmede met de Tabanansclie poeng-" gawa's en soebakhoofden besproken.
Voorts werd een onderzoek gedaan naar de persoonlijke diensten waartoe de bevolking verplicht is en al wat daarmede samenhangt»-en medegedeeld, dat het in de bedoeling hg* deze materie voor Badoeng en Tabanan f 6 regelen. Daarna werd de wensehelijkheio betoogd om de werkzaamheden aan den hoofd* weg van de grens van Badoeng naar de hoofdplaats Tabanan met kracht voort te zetten, ten einde dezen weg spoedig per as begaanbaar te maken en werden ter zake zoowel t_r vergadering als plaatselijk de noodige aanwijzingen gegeven.
 

Alweer onrust op Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
05-09-1908, Dag
 

Alweer onrust op Bali.


Ba Java bode van gisteren oevat een schrfl < v.u «an iemand op Bali, aangaande den toestand op dat eiland, die nog steeds niet bevredigend moet zfln. Wfl oatlertnea daaraan het volgende: „Eenige weken geleden liep het gerucht dat de toestand in Bangli 't noodzakelijk maakte, aldaar troepen ter beschikking te hebben; het detachement te Gianjar son daarom naar Banglï verplaatst worden. _ Dat die troepenverplaatsing niet door is gegaan is waarschijnlijk toeschrijven aan den gnnstigen afloop der besprekingen, onlangs ter hoofdplaats Bangli gehouden en waarby tegenwoordig waren de resident, de assistentresident voor Z aid-Bali, de troepen comman* dant op Bali, e. a.
Thans schijnt op Karang Asem iets niet in den haak te zjjn, of te broeien en dit wel in verband met het brengen op sterkte van het detachement aldaar tot 200 man, met het dirigeeren van een stukje snelvnnrgesohnt daarheen enz. enz ; ook is reeds lang bekend dat den Hen September door Goesti Djelantikeen groot feest zal gegeven worden waaraan 10.000 JBaliërs zullen deelnemen en waarvoor reeds groote toebereidselen zijn getroffen."
Te verwonderen zou bet nauwelflka zfln, wanseer bet op Bali weder eens roerig werd. Er zfln in de laatste tflden daar geduchte opruimingen gehouden; nu eens vielen er 600 maEE-n, vrouwen en kindaren, dan weer werden er „eaniga honderden*9 neergelegd; het. zou eerder vreemd moeten worden genoemd, wanneer de nabestaanden van al die gevallenen bet er koeltjes bfl lieten, dan wanneer zfl tt achtten bun slag te slaan om die slachtoffers to wreken.
Bali is sdu we! onderverdeeld in zoovelo kleine slaaf jes, maar sen ieder voelt dat die verdeeling niet anders dan fictief is te noemen. Bali is ean éénheid, zoo goed als bet Bali 'scha volk één is.
En waar de eigenschappen van dat volk zfln: wraakzucht en doodaverachting; waar het bovendien mearmalen blflken heeft ge geven to zfln uiterst sluw en listig, ia de mcgelflkheid dat thans, nu bet leger weder overal in den Archipel bezig is, getracht zal worden een slag ta alaan, verre van uitge* aioten.
De Java bode deelt dan ook mede, dat het leg.rbestuur gereed ia om aan alle eventualiteiten onmiddellijk het hoofd te kunnen bieden, achter welke verklaring van „gereed zfln" echter, ietwat zonderling, demsdcdeoling volgt, dat er in September vermoedelijk géén manoeuvroa zullen kunnen worden gehouden, omdat, wilde men de daarvoor te bezigen compagnien brengen op oen sterkte van 80 man (I f), de infanterie geboel „uit baar verband" zou moeten worden gerukt.
't Is maar wat men noemt: „gereed zfln om alle evestualitsiten het hoofd re bieden"...

 

 

Previous • De Oorlog • Toerisme • Transport • Ontdekkingsreizen • De Vrouwen • De Ljkverbranding • Algemeen