Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1892 De Baliers

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan

Dr J. Jacobs Geneesheer van het Nederlandsch Indisch Gouvernement
Naar Bali gestuurd om de Radja's te bewegen het inenten tegen pokken toe te staan

Mocht U weinig tijdhebben, lees dan alleen het groen geschrevene...

Inleiding
Den 10 Augastus, des morgens om 8 uur, was liefc gezelschap, dat aan de reis zoude deelnemen, aan den boom te Banjoewangi bijeen. Volgens afspraak met den Eommandant van de Watergeusi zouden wij ons tegen dien tijd naar boord begeven, terwijl onze reisbenoodigdheden reeds den vorigen dag aldaar waren aangebracht.
Eene menigte officieele personen en belangstellenden waren bij den boom vergaderd, om de vertrekkenden „als gold het een Noord- pooltocht", een goede reis toetewenschen. De havensloep, die ons naar ^de Watergeus''' zoude brengen, was voor deze gelegenheid in groot tenue gedoscht. Ook de kommandants-sloep lag gereed, om bij het overvoeren van de passagiers met hun gevolg behulpzaam
te zijn. Tijdens onzen overtocht naar de Watergeus werden van het fort Utrecht eenige saluutschoten gelost, ter eere van den ver- trekkenden. Resident de Vogel die op dat oogenblik dien officieelen titel met dien van „ Gekommitteerde voor de zaken van Bali en Lombok inwisselde. Er heerschte eene vroolijke opgeruimde stemming onder het kleine reisgezelschap, die deels veroorzaakt werd door de illusies, die ieder zich van den ophanden zijnden tocht had gemaakt, deels door het schoone weder, dat zóó uitlokkend was, als dit in
Augustus in Oost-Java slechts kan zijn. Aan boord van „de Wa- tergeus, die reeds stoom op had, werden we, zooals dit gebruike- lijk is, op officieele doch niettemin hartelijke wijze ontvangen. Met het grootste gedeelte van den état major hadden we reeds aan wal kennis gemaakt en met het resteerend kleiner gedeelte was dit spoedig geschied. Ik zal mij niet wagen aan eene beschrijving van den oorlogsstoomer, die ons op Balischen bodem zoude brengen. ^De Watergeus'^ is reeds oud geworden in den dienst, heeft, ik zoude
bijna zeggen, reeds zijne sporen verdiend en kan dus bij ieder be- langstellende genoegzaam bekend zijn. Zeker is het, dat het schip door de massa kisten, koffers en manden, die door ons moesten worden medegevoerd, bovendeks vrij wel gemetamorphoseerd was in een pakketboot tusschen Dover en Calais^ en de eerste officier, anders de joviaalste man ter wereld, kon niet nalaten bij herhaling op de heiligschennis te zinspelen, die ^de Watergeus'^ werd aangedaan. Hij deed alle moeite om de barang-barang tot het kleinst mogelijk volumen te doen inkrimpen, en die, zooveel zulks doenlijk was, aan het oog te onttrekken. Men moet marine-officier zijn, om zulk eene heiligschennis in al haren omvang te kunnen begrijpen. Hij, die ooit genoodzaakt was, in de binnenlanden een reis van eene maand lang te maken, zonder veel kans de hebben op die reis eene eenig- zins logeable pasanggrahan, laat staan eene Europeesche gastvrije woning te vinden, kan zich zoo ten naasten bij voorstellen, uit welke componenten die stapels op het dek van ^de Watergeus'^ bestonden. Kisten met blikjes waarin consumabilia van verschillende soort, dito met wijn, bier en andere versnaperingen, met petroleum, kleederen, lampen, rijzadels, keuken- en eetgereedschap, krandjangs met ajer-
blanda, aardappelen enz., hokken met kippen, blikken doozen waar- in steken, degens en andere attributen van den Gekommitteerde en den Kontroleur, groote kisten gevuld met officiecle geschenken van de Regering aan de verschillende Balische vorsten, dito dito met private geschenken van den gekommitteerde, veldbedden, stoelen en wat dies meer zij, lagen daar in bevallige wanorde dooreen. Bo- vendien had ik een kist met verschillende geneesmiddelen, verband- katoen en eventueel benoodigde instrumenten meegenomen. Onder
al deze reisgemakken moet ik afzonderlijk gewagen van een door- den Resident hoogst ingenieus uitgedachte, portatievc commodité, waarvan we in gewichtige oogenblikken uitstekende diensten hadden ;
op de wijze van een vouwstoeltje zonder leuning ingericht, paarden het eenvoud aan doelmatigheid. Het is een vierkant houten raam, waarvan de zijden ongeveer een halve meter lang zijn. Dit raam is met leder overspannen, in het midden waarvan de vereischte ronde opening is. Het geheel, dat op de helft kan worden dicht gevouwen, wordt geplaatst op vier bamboepaaltjes, die men overal heeft en dus niet behoeven meegevoerd te worden. Te velde, in bivakken en voor reizigers is dit model zeer aantebevelen. Bij
vorige reizen op Bali was het mij gebleken, dat dit voor ons zoo noodzakelijk meubelstuk den Baliers geheel onbekend is. Een onge- veer twee voet diepe kuil van niet meer dan een halve voet in middellijn, ziedaar alles wat ons daartoe verstrekt wordt. Men moet tenminste meer dan eene oppervlakkige kennis van het richten en
mikken hebben, wil men het er bij voortduring goed afbrengen. Dat een tolk, een schrijver, eenige oppassers en de noodige bedien- den tot het gevolg behoorden, behoeft nauwelijks gozegd te worden.
Zelfs een kok, wiens culinarische kennis proefondervindelijk geble- ken was, was niet vergeten.

Om klokke negen werd bevel gegeven om het anker te lichten en nauwelijks waren we goed en wel onder stoom of de Eomman- dant heette met een glas champagne zijne gasten welkom.

En zoo stoomden we, onder vroolijkèn kout, terwijl een luchtig zcebriesje uit het Z. O. waaide, met een zevenmijls vaart de straatBali uit in de richting van de op 11 zeemijlen afstands van Banjoewangi gelegene reede van Boellèng^ alwaar we des middags om 3 uur het anker lieten vallen. Of de Baliërs die daar in groote
hoeveelheid op het strand verzameld waren, met onvermengd genoe- gen een oorlogschip van het N. I. Gouvernement op hunne reede zagen voor anker komen, mag eenigzins betwijfeld worden. Immiers
bij de minder ontwikkelden onder hen staat het geloof vast, dat na zulk een feit meestal eene cholera-epidemie ontstaat. Bij vroegere gelegenheden hadden zij namelijk deze ondervinding opgedaan. Zoo
had dit o. a. plaats in 1868 na de Bandjarsche expeditie en in 1878 na het vertrek van de Ardjoeno die den verbannen vorst wegvoerde. Dat dit bijgeloof bij hen ruim veld zal winnen, nu ook thans weer eenigen tijd na de komst van de Watergeus de cho- lera (bal. groeboeg) (*) in hevige mate op Bali vooral in Boelèlèng^
heeft gewoed, mag men gerust als zeker aannemen. Daarbij had de Yori- ge oorlogsbodem, die, ongeveer negen jaren geleden, aldaar ter reede kwam (do Ardjoenó Kapt. Luit. t/z. dê Kanter) op zeer geheimzinnige wijze den Yorst van Boelèlèng ontvoerd en in ballingschap gebracht.

Nauwelijks lagen wij voor anker of de Assistent Resident Vries- manj die natuurlijk van onze komst verwittigd was, kwam met den aspirant Eontroleur Kilian en een gevolg van Balische hoofden aan boord, om zijne opwachting bij den Gekommitteerde en den Eom- mandant te maken. Al de schepen op de reede hadden de drie- kleur in top geheschen; van „de« Watergeus^' werden, toen de Ge- kommitteerde met een sloep naar wal roeide, elf saluutschoten gelost en yan den wal werd een gelijk saluut gegeven uit stukjes geschut, die vroeger het eigendom waren van den verbannen Yorst. Behalve de Gekommitteerde ging ook diens waarnemend Sekretaris en de Kommandant aan wal, om tot ons vertrek, dat bepaald was op den 12® Augustus, hun intrek te nemen in de gastvrije woning van den Heer Vriesman, Ook ik werd uitgenoodigd om tot zoolang de gast te zijn van den Heer Vriesman bij wien mij reeds, by eene vroegere gelegenheid, een gulle en vriendelijke ontvangst was ten deel gevallen. En om het der goede gastvrouw niet te druk te maken, èn ook omdat onze tocht over land toch een aanvang moest nemen in de onmiddelijke nabijheid der reede, wees ik die uitnoo-
diging beleefd van de hand en besloot aan boord te blijven. De reede van Boelelèng levert een prachtig ver-gezicht op op de bergen van Bali; het water is aldaar in den Oostmousson kalm, doch in den Westmousson zeer onstuimig, zoodat in dien tijd de schepen in de baai van het ongeveer 10 palen zuidelijker gelegene
kustplaatsje Temoekoes moeten ankeren. Des avonds ging ik met twee officieren van den état major aan wal om met een karretje van den aldaar wonenden kapitein-Chinees Tlie Tjing'Siang naar de op 2 palen afstands, te Singaradja gelegene woning van den Heer Vriesman te gaan en hem een beleefdheids-bezoek te brengen.
Nauwelijks aan wal gekomen, kwam een aldaar wonend Arnieniaan dien ik van een vroeger bezoek kende, in de hevigste opgewonden- heid op mij toegeloopen en verhaalde mij, dat zijne vrouw, even vóór de aankomst van de Watergeus ter reede, na eene overigens voorspoedige bevalling (het kind was evenwel tijdens de geboorte
gestorven) onder hevige verbloedingen was overleden. Hij verzocht mij dringend even bij hem binnen te gaan om de overledene te zien, aan welk verzoek ik natuurlijk voldeed.
De betreffende dame, een krachtig gebouwde, gezonde, 20 jarige primipara wier zwangerschap normaal was verloopen, had dienzelfden morgen de eerste dolores gevoeld, waarop de Balische doekoen (hier baljan manakan genaamd) die haar, bij gebrek aan andere hulp, zoude assisteeren, ontboden werd. De kindsbewegingen waren toen nog duidelijk waar tenemen. De partus zou, zooals mij werd verteld, volkomen normaal verloopen, en het kind, hoewel dood geboren, gemakkelijk ontwikkeld zijn, evenals de placenta^ die in zijn geheel was uitgestooten. In weerwil nu alles geheel normaal was, had de doekoen goed gevonden, om
der kraamvrouw een broeden band om den buik, op de hoogte van den umbilicuSy te binden en dien met alle kracht saam te snoeren; dit had eene hevige metrorhagie en tamelijk zeker dan dood ten gevolge. De overledene toonde dan ook alle teekenen van een hevig bloedverlies. Ik maak van dit geval melding, omdat ik
naar aanleiding daarvan de wijze kan bespreken, waarop de Balische parturiens geassisteerd wordt door de baljan manakan die ze daarvoor heeft bestemd. Komt het kind normaal en vrij spoedig ter wereld, dan bestaat de hulp dezer vroedvrouw^ behalve in het prevelen van eenige mantra's of in het neerleggen van offers in de toegoe (een offernis, die men aan den ingang van ieder huis (oemah) of erf (natah) kan vinden), in eene on-
schadelijke manudie. Zoodra evenwel het kind geboren en, door het afsnijden van den navelstreng met een bamboe, tot zelfstan- dig wereldburger bevorderd is, nl. in zooverre het voortaan voor eigen gaswisseling heeft te zorgen, begint eigenlijk het werk van de accoucheuse. Zij plaatst zich naast de jonge moeder op de
balé'balé en begint uit alle kracht met de handen en voeten den buik der parturiens te bewerken, ten einde niet alleen de pla- centa te ontwikkelen, maar ook later de lochien beter te doen afvloeien. Wordt evenwel het kind niet spoedig genoeg ontwikkeld, dan begint deze ulta-Crédésche manoeuvre reeds vroeger op tracht de vroedvrouw door aanhoudend kneden van den buik het kind te voorschijn te brengen. Het behoeft nauwelijks gezegd, dat voor vele der ongelukkige patiënten de moedervreugde van uiterst korten
duur is, daar zeer vele deze ruwe behandeling met den dood moe- ten bekoopen. Gelukkig wordt slechts zelden hulp van vreemden bij do verlossing ingeroepen. Nu ik toch bezig ben dit onderwerp te behandelen komt het mij het geschiktst voor, om hier reeds aan- tehalen, al hetgeen ik betreffende zwangerschap en wat daarop betrek- king heeft, zoo op deze reis als op vroegere heb kunnen te weten komen. Abortief middelen kent iedere Balische vrouw bij massa's, en het lijdt geen twijfel, dat er veelvuldig gebruik van wordt gemaakt.
Van daar dan ook dat er, volgens ingewonnen berichten, zoo be- trekkelijk weinig kinderen buiten huwelijk worden geboren, in weerwil door de meeste dochteren van dit uiterst voluptueus en cynisch volk, behalve hare gewone bezigheden, ook nog een hori- zontaal beroep wordt uitgeoefend. En niet alleen ongehuwde vrou-
wen grijpen dikwijls naar een dezer middelen. Eene vrouw nl. die zwanger {helincj laag Bal., mohot hoog Bal.) (*) is, ziet in vele zeer natuurlijke zaken dikwijls een slecht voorteeken voor hare bevalling. In hare gedachten bevolkt ze hare omgeving met honderde kala's (booze geesten) die het op het leven van haar of haar kind hebben gemunt, of hare zwangerschap willen bemoeielijken. Het huilen van een hond, het krassen van een vogel, het werken van een krater, enz. jaagt haar schrik aan; hare persoonlijke vijanden, de buren,
waarmee ze op niet al te vriendschappelijken voet leeft, trachten haar op alle wijzen te betooveren {ngléjak) om haar leven en dat van haar kind zoo doende in gevaar te brengen, en in wanhoop grijpt ze naar een der haar bekende middelen en offert haar onge- boren kind op om eigen leven te redden. Een paar dezer middelen,
die als aboriiva dienst doen, ben ik te weten gekomen. Zoo ge- bruikt men tot dat doel o. a. een koud aftreksel van den fijn ge- maakten bast van de kepoh {Stercidia foeflda L. nat. fam. der Ster- culiaceae). Verder een koud aftreksel van den bast van de Manga kawini {mangifera foetida). Op Java (Banjoeuangi) worden de onrijpe vruchten van dezen boom tot dat doel gebruikt. Onder de mechanische middelen is vooral het wrijven en knijpen van den buik bij hen veel in zwang; zij noemen dit ngoe-oet (mal: oeroet). Tijdens ons verblijf te Badong (zie later) verhaalde mij eene der panjeroiins van den vorst (ik zal later uitvoerig op deze bekla- gingswaardige lijfeigenen van den vorst terugkomen), dat, zoodra een harer zwanger werd, deze zich bij den vorst moest aanmelden, die haar dan onmiddelijk een chineesche obat, pèngërèt genaamd, toe-
diende. Dit mixtum van een zwarte kleur en wrangen smaak veroorzaakt na het gebruik een gevoel van warmte en heeft bijna altijd het verlangde effect. Mijne moeite om iets naders van dit middel te weten te komen, of om het machtig te worden, was te vergeefs.

Wanneer eene Balische vrouw van welke kaste ook van een tweeling bevalt van verschillend geslacht (men noemt dit këmhar boenfjing bruids-tweelingen) dan moet de moeder onmiddelijk na de bevalling naar de begraafplaats {sëma) lopen, waarheen haar de beide kinderen worden nagedragen, en aldaar in een, in der haast opgericht, hutje gedurende drie nieuwe manen verblijf houden, terwijl haar het voedsel wordt aangebracht. Haar huis wordt in de asch gelegd, zoodat ook de man en de overige familieleden hun for-
tuin elders moeten zoeken, de desa, waarin de woning stond, wordt gereinigd; de tempels der desa, op een paar uitzonderingen na, nl. die aan de nagedachtenis der dooden zijn gewijd, gedurende 60 dagen gesloten, vreeslijk veel offers geplengd en de dessa, alsmede moeder en kinderen met wijwater (toja tirta^ zie later) besprenkeld, en dit alles om de bloedschande uittewischen, die de tweelingen in utero zouden hebben gepleegd. De vrouw van den vorst of van een brahmaan is hiervan alleen uitgesloten. Men kan begrijpen, dat ook deze godsdienstige plechtigheid meermalen een menschenoffer eischt. Wanneer eene vrouw (dit geldt ook voor de huisdieren) van een misvormd kind bevalt, dan beschouwt men dit als een voorteeken,dat de betreffende dessa een ongeluk zal krijgen. Den vorst moet hiervan onmiddelijk kennis worden gegeven, die dan een godsdienstig feest aanricht, om de goden te verzoenen. Dit feest of slamatan heet ^rq/as^iato. wanneer eene vrouw sterft tijdens hare zwangerschap, dan mag haar lijk niet worden begraven noch verbrand, maar, moet ten toe- ken van de grootste verachting, óf in een ravijn worden geworpen, óf in een twee voet diep open graf of kuil gelegd (mëpasah), volgens Balische begrippen, de grootste oneer, die iemand kan te beurt vallen. Dit geldt voor alle standen en kasten, ook voor de vorstinnen. Was de zwangerschap reeds in een vergevorderd stadium, dan gebeurt het soms bij muliiparae^ dat het foetus^ door de spanning der door
de ontbinding, in abdomine zich ontwikkelende gassen, nog wordt uitgedreven. In dat geval is de schande uitgewischt en mag het lijk op gewone wijze nog de eer der verbranding ondergaan.

De Baliër beschouwt het als een groote gunst der goden, wanneer zijne vrouw hem vele kinderen, vooral vele zonen schenkt, vooral wan- neer de kinderen sélat hoenga (*) komen, d. i. om en om, een jongen en een meisje enz . ; doch even diep is de verachting voor eene onvruchtbare (békoeng) vrouw, en talrijk zijn dan ook de offers die de jongge- huwde speciaal daarvoor gecreëerde godheid, met name Dèwa Boetoeh- nja^ (volgens anderen is de naam dezer godheid Dkca Sambangan) brengt, om zegen te erlangen op hare huwelijkssponde. Genoemde god- heid, in steen uitgehouwen, wordt voorgesteld met een ontzachelijk hyper- trophischen penis in studio erectionis^ even als vroeger bij de Grieken het standbeeld van Priapus^ en bij de oude Germanen dat van den zonnegod Freijr of Frö^ die eyeneens met een famensen phallus werden voorgesteld. Ik was in de gelegenheid eenige dezer monstra te zien. Zeker om te toonen met welk eene innigheid zij hare offers brengt, en hoe gaarne zij hare hoop zou verwezenlijkt zien, zet menig jonge vrouw zich è cheval op voorzegden penis. Of het helpt, dat wil zeggen, of zij daardoor de moedervreugde deelachtig wordt, kon ik niet te weten komen. Het groote kanon bij de stadspoort te Batavia wordt, zooals men weet, om dezelfde reden door vrouwen
bereden. Ten einde zijn veestapel vermeerderd te zien, of indien zijn vee onvruchtbaar {djoehëng) is, wordt door den Baliër ook aan deze godheid geofferd. Men kan uit het pas aangehaalde gemakkelijk begrijpen, dat, wanneer een echt onvruchtbaar blijft, de schuld meestal aan de vrouw wordt geweten, terwijl de man dan tevens het recht heeft zich van zijne vrouw te doen scheiden.

Zeer zelden ziet men een zwangere vrouw op den publieken weg loopen, en nooit zal men haar veld-of anderen zwaren arbeid zien verrichten, immers overal zou ze kala-^ kunnen ontmoeten, die haar geluk zouden vernietigen.

Is de bevalling gelukkig afgeloopen, dan wordt al heel spoedig daarna moeder en kind een frisch bad toegediend; er wordt weer duchtig geofferd en feesten gevierd, vooral op den derden dag na
de geboorte, këpoes-poengsëd^ den dag nl. waarop de navelstreng afvalt, waarbij moeder en kind niet zuinig met tqja tirta (wijwater) worden besprenkeld. Voor 't overige mag zich evenwel de moeder niet voor den veertigsten dag in het publiek vertoonen, terwijl de vader gedurende veertig dagen niet aan een hanengevecht mag deel- nemen; misschien is dit laatste nog een reste van een in vroegere tijden bij vele onbeschaafde volkeren bestaan hebbend vreemd gebruik, nl. het mannen kraambed. De nageboorte (hoog Bal: ari^ari^ laag
Bal: loeoe) wordt onmiddelijk voor op het erf in een haWen klap- perdop, waaruit de pit niet is weggenomen, begraven. Gedurende 40 dagen wordt op die plaats eene palita gebrand, en spijzen, water en sirih neergelegd. Bij de Baliêrs staat het geloof vast, dat de ari-ari een broer of zuster van het kind is, en wanneer iemand sterft, die soedara hem halverwege tegemoet komt, om hem den weg naar den hemel van Indra te wijzen.

Ik had nog het genoegen dien avond een oud kennis op den wal te ontmoeten. Die hem niet van vroeger kent, zou niet kunnen vermoeden, dat de man, die in dat eenigzins excentriek wandeltenue op 2^2 Palen afstand van zijne woning komt aangewandeld, de bekende oriëntalist Dr, Neuhrojiner van der Tuuk is. lederen avond kan men hem de wandeling zien maken van zijn huis naar het zeestrand (Pabéan) op bloote voeten, blootshoofds, in slaapbroek en kabaija, en met den onafscheidelijken ruwhouten knuppel van verscheidene kilo's zwaar in de hand. Sedert bijna elf jaren te Boelèlèng woonachtig, om uit de beste bronnen de gegevens te putten voor zijn groot werk, een uitgebreid Balisch-kawi (oud Javaansch) woordenboek is hij zoo in het Balische volksleven te huis, dat menig voornaam Balicr hem komt raadplegen over Balische zaken. Een der radja 's van Badoeng^ die eens met mij over van der Tuuk sprak, zeide zeer eigenaardig van hem: „Er is op geheel Bali maar één man, die de Balische taal kent en begrijpt, en die man is van der Ttuuk^ Hij brengt in den waren zin van het woord
het leven en deszelfs genietingen ten offer aan een groot doel, dat hij zich heeft voorgesteld, nl. de grondige kennis van de kawi-taal, en dit wel met eene toewijding, die men bij een man met grijze haren niet meer zoude verwachten. En pieen nu niet, dat hij een keurig erf bewoont en eene huishouding voert, die hem ten minste eenigzins schadeloos kan stellen voor zijne ontberingen. Hoewel zijne middelenh om dit zeker zouden veroorlooven, woont hij desniettemin in een kamponghuis, midden tusschen zijne Baliërs, die hem als eene soort
halfgod beschouwen en met wie hij, ter wille zijner studie, op intiemen, zelfs familiarcn voet staat. Zijn huisraad is niet meer dan het allernoodzakelijkste. Een chair\. bureau miyiistre of Chesterfield ruMbanken zal men te vergeefs bij hem zoeken, daarentegen wordt zijn geheel huis, van voor tot achter, in beslag genomen door zijne uitgebreide bibliotheek. Op den vloer, op stoelen, tafels, kisten en planken liggen lijvige folianten, oude handschriften en dito be- schrevene lontarbladeren in onbevallige wanorde dooreen en 't is te
verwonderen, hoe hij uit die wanordelijke verzameling steeds het verlangde zoo spoedig weet voor den dag te brengen; de vrees, dat eene vrouw zou trachten meer regel en orde in zijne huishouding te brengen, is, volgens zijn zeggen, de eenigste reden, dat hij zulk een verstokt coelibatair is. Een ongenietbaar mensch, onmogelijk voor de samenleving, een echte boekenwurm, meent ge. Ge vergist u, waarde lezer ! Yan den vroegen morgen tot soms diep in den nacht kunt ge hem bezig vinden met zijne studie, die slechts voor een oogenblik afgebroken wordt door menschen uit alle standen en rangen der Balische maatschappij, die hem over een juridisch vraagstuk of over eene ziekte komen raadplegen, en die hij ook allen met de meest mogelijke gewilligheid helpt, doch van wie hij op zijn beurt ook weer profiteert door hen te ondervragen over zaken uit het Balische volksleven. Doch wanneer ge hem bezoekt is, als met een tooverslag, de heele geleerde verdwenen en gemetamorphoseerd in een jolig stu- dent, wiens kennismaking niemand, die ooit het voordeel had hem
te ontmoeten, zal betreuren. Wanneer er hoog bezoek ten huize van den Asst. Resident is, zooals thans het geval was, dan dompelt hij zich, zooals hij het noemt, voor eenige oogenblikken in de Europeesche beschaving, dat wil zeggen, hij trekt een pantalon en overhemd aan van twijfelachtige kleur, kleedt zich in een jas, die wat snit en wolligheid aangaat, alle air heeft van een erfstuk te zijn, dat hij als reliquie bewaart, trekt schoenen aan, die de helft te groot zijn, neemt zijn onafscheidelijken knuppel en gaat zijne opwachting maken. Doch hij is nauwelijks gezeten, en ge hebt nog ter nauwer- nood zijne patriarchale buitenzijde kunnen opnemen, of ge vergeet door zijne geestige kwinkslagen en talrijke anecdotes, dat de snit van zijn jas wat antidiluviaansch, een winkelhaak in een zwart klee- dingstuk met een witten draad genaaid is, of dat de helft van zijn boord tot den rubriek „staande'*, de andere helft tot dien der „liggende" behoort. Dat zijn schoeisel hem hindert en ongewoon is, ziet ge telkens wanneer hij opstaat. Doch de tijd vliegt om in zijn gezelschap en telkens wanneer men hem ontmoet, leert en profiteert men van hem. Ik heb verscheidene aangename uren in zijn gezel-
schap doorgebracht, uren in welke hij mij een heel studentenleven liet doorleven. Van zijne balilogische kennis heb ik veel kunnen profiteeren en vele wenken bij het samenstellen van deze bladzijden ben ik aan hem verschuldigd.

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan