Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1859 De krijgstogt tegen Bali

De kaart die ik heb is van 1897
dus de krijgsheeren hadden nog niet zo'n kaart,
maar veel zal er in die dertig jaar wel niet zijn veranderd
Let op alleen de dikke rode lijn is begaanbaar, de anderen zijn kapmessen werk
in de bergen waren de paden terrasvormig
dus men moest steeds omhoog klimmen naar een volgende trede
met geschut en al...

Djagaraga

 

Djagaraga

 

De slag bij Djagaraga

Djagaraga

 

De krijgstogt tegen Bali, in het jaar 1849, Behoort gewis tot de belangrijkste der overzeesche expeditiŽn, die in onze Oost-Indische bezittingen zijn volhragt. Wat den omvang der toerustingen betreft kan daarmede slechts ver- geleken worden de expeditie waardoor het, in 1811, den Engelschen gelukte zich van Java meester te maken, In overwonnen moeijelijkheden, zoowel ten gevolge der hardnek- kigheid van den geboden tegenstand als naar aanleiding van de vele en velerlei ontberingen en vermoeijenissen die aan onze troepen moesten worden opgelegd, vindt zij schaarsch hare wedergade. En evenwel was deze expeditie nog maar zeer oppervlakkig en zeer onvolkomen bekend en werd zij ó wettigt juist daardoor ó zeer uiteenloopend en vaak zeer onregtvaardig beoordeeld. Bit alles werd mij meer en meer duidelijk toen de omstandigheden , waarin ik geplaatst was , mij vergunden eene zoo naauwkeurige kennis van haren loop te erlangen, als slechts weinige in de gelegenheid zijn te bekomenĽ liet verhaal tvat ik hiernevens mijne landge- nooten aanbied, zal dan ook niet alleen bijdraagen om den militairen roem van onzen landaard te verhoogen en om de studie van de oorlogsvoering in IndiŽ te bevorderen maar het zal ook gewis eene gaping aanvullen in de krijgsge- sckiedenis van Nederlandsck IndiŽ. Mogt het eenigen bij- val vinden dan zal ik er mij te meer over verheugen daar ik tevens getracht heb er het lot van een aantal ongeluk- kigen door te verzachten.

Utrecht, September 1859.

DE SCHEIJVER.

INLEIDING.

Geographie en topographie van het eiland Bali. ó De bevol- king. ó De vorsten. ó De godsdienst. ó De vorst van Klonkong en zyne verhouding tot de overige vorsten. ó De kampongs of dorpen. ó De kratons der vorsten. ó De tem- pels. ó De krygsvoering bij de BaliŽrs. ó De popootan of stryd tot het uiterste. ó Verhouding van Bali tot het Neder- landsch Indisch bestuur. ó Het klipregt of tawang karang. ó Traktaten met de vorsten van Bali. ó Zij worden niet nage- komen. ó De eerste militaire expeditie naar Bali. ó Nieuwe traktaten, die evenmin nagekomen worden. ó Eene tweede militaire expeditie vertrekt. ó De goesti Djilantier. ó Te- genspoeden en ongunstigen afloop dier expeditie. ó Zij keert onverrigter zake naar Java terug. ó De gouverneur generaal KocHussEN besluit terstond tot eene derde expeditie , onder bevel van den generaal majoor Michiels. ó Z^ wordt belangrijk krachtiger zamengesteld dan do vorige. ó De stand van zaken op Bali. ó De generaal Michiels tevens benoemd tot gouver - nements kommissaris voor de zaken van Bali. ó Zijne instruc- tie. ó Des generaals persoonlijke inzigten over onze verwik- kelingen met de BaliŽrs. ó Verdedigingswerken op Bali. ó De militaire plannen van den generaal Michiels.

Het eiland Bali, gelegen ten oosten van Java en daarvan slechts door eene zeer smalle straat gescheiden, wordt gerekend eene oppervlakte te beslaan van ruim 105 vierkante geographische mijlen. Het heeft de ge- daante eens driehoeks, waarvan een der zijden naar het noorden is gekeerd en wordt bespoeld ten westen door Straat Bali, ten zuiden door de Indische Zee, ten oosten door Straat Lombok en ten noorden door de Java Zee. Een zware bergketen, waaruit zich, onder meer andere toppen, die der vulkanen Agoeng, Batoer en Tabanan, tot ver boven de wolken verheffen, doorloopt het eiland van het oosten naar het westen. De noordelijke helling dier keten, waarvan de kam zich, in hemelsbreedte, ruim twee geographische mijlen van het strand zal bevinden, vormt het rijk van Bleling. Langs zijne zuidelijke heUing treft men de vorstendommen Tabanan, Mengoei en Gian- jar aan; geheel in den zuidelijken hoek van het eiland ligt het rijk Badong; op de oostelijke helling van het gebergte vindt men de rijken Karang Assam'en Klonkong; op de westelijke het landschap Djembrana, terwijl midden in het eiland, binnen eenen muur van bergen, het staatje Bangli als verscholen is.

Talrijke ruggen en jukken dalen van het hooge gebergte naar beneden en strekken zich, vooral naar de oostzijde, soms tot in zee uit. In de diepe, steile en digtbegroeide ravijnen, waardoor ze gescheiden worden, bruisschen snel- vlietende stroomen die, in den regentijd, overvloedig van water voorzien, maar in de oostmoesson, door de aanzien- lijke helling van hun bed, maar al te spoedig uitgedroogd zijn. Uit kratermeren ó danoe^s ó die hoog en diep in het gebergte zijn gelegen, worden alsdan, door ver- nuftig aangelegde waterleidingen, de rijstvelden besproeid en de bevolking voor hongersnood behoed. Drinkwater is er niettemin in die tijden zeldzaam, zoodat zelfs reizi- gers, die Bali in rustige dagen doorkruisen, soms verpligt zijn dit mede te voeren.

Wanneer men Bali nadert, ziet men, in de valleijen, die tusschen de naar zee loopende kleinere bergruggen gelegen zijn, welbebouwde en welige sawa's zich, van het strand af, terrasgewijze verheffen; naar mate zij rijzen worden zij smaller en meer en meer afgewisseld, hetzij door maÔs- akkers, hetzij door aanplantingen van katoen en koffij, hetzij eindelijk door den plantendos, waarmee de onbedwon- gen Indische natuur het gebergte oorspronkelijk had over- togen. Die plantendos verkrijgt ten slotte geheel de over- hand en breidt zich uit tot de toppen der bergen. De kruinen der lagere ruggen, die de rijstvelden van een schei- den en waarop geen water kan worden gebragt, zijn meestal dor en schaarsch begroeid.

Bevaarbare rivieren, men zal het reeds begrepen hebben, worden op Bali schaarsch gevonden en worden althans niet aangetroffen in die gedeelten waar de krijg werd gevoerd.

De wegen die het eiland doorloopen zouden naar Euro- pesche begrippen op dien naam geen aanspraak kunnen maken; zoodra men zich eenigzins van het strand ver- wijdert, zijn het niet meer dan moeijelijke voetpaden, die zich door het gebergte slingeren en die men slechts man voor man vermag te betreden. Lastdieren kunnen daarbij slechts met de grootste moeite volgen en soms blijft het pad in de digte wildernis slechts herkenbaar voor het geoefende oog van een inlandsch gids.

Worden door het terrein op Bali, aan de oorlogsvoering, ongeloofelijke hinderpalen in den weg gelegd, niet minder wordt dit gedaan, door de gesteldheid der kusten, aan de landing van troepen en aan het veilig vertoeven eener vloot nabij het eiland.

Aan de noordkust bieden de reeden van Teboenkoes, Bleling en Sangsit wel is waar goede ankerplaatsen aan, maar de schepen zijn er toch slechts in de goede moesson in zekerheid, en de gemeenschap met den wal kan dan nog soms zeer moeijelijk zijn.

Op de zuidoostkust, waar de verwikkelingen met Klon- kong en Karang Assam onze troepen brengen zouden, wordt slechts in de baai van Laboean Amok eene bekwame anker- plaats voor eene geheele vloot aangetroffen. Het landen is er echter slechts mogelijk, wanneer de zuidoosten wind zich niet te sterk doet gevoelen, dus meestal in den vroe- gen morgen. Na half Junij evenwel tot aan de westmoesson is deze wind de heerschende en doorgaans vrij krachtig, zoodat geene vloot zich alsdan in de Laboean Amok baai langer in veiligheid kan achten.

Ten zuiden dezer baai ligt nog eene kleinere, die van eerstgenoemde slechts door een laag, smal en rotsachtig voorgebergte is gescheiden. Dit is de baai van Padang Cove, die het geheele jaar veilig, maar zoo klein is, dat daarin niet meer dan een schip zou kunnen ten anker komen, wanneer de geringe diepte het vergunde. Die diepte bedraagt slechts 1 Ť, 1^ vadem en veroorzaakt dat de baai van Padang Cove slechts geschikt is voor zeer kleine vaartuigen. Willen deze zich van de grootere sche- pen tot het bewerkstelligen eener landing, uit de baai van Laboean Amok, naar die van Padang Cove begeven, dan is het hun soms onmogelijk tegen den zuidoosten wind op te roeijen, wanneer hij slechts eenigzins krachtig is.

Te Kasoemba, een weinig ten zuidoosten van Padang Cove gelegen, is het landen in de oostmoesson zoo goed als ondoenlijk. Slechts zeer kleine visschers praauwen kun- nen daar met moeite van en naar wal gaan.

De BaliŽrs behooren tot een schoon en krachtig men- schenras. Zij hebben een open en regelmatig gelaat, zwart haar, donkere, levendige oogen en eene koperkleurige huid. Hun uiterlijk toont schranderheid aan, maar vele hunner, vooral die tot de hoogere standen behooren, zijn door het misbruik van opium en ander zinnelijk genot geheel ontzenuwd. De BaliŽrs zijn vrijpostig van aard en achten zich zelf in veel opzigten zeer hoog, maar zijn niettemin jegens hunne vorsten en gebieders uiterst gedwee en on- derworpen. Zij ondergaan liever den dood dan ligchame- lijke kastijding of mishandeling. Eene moedige ziel en eenen krijgshaftigen aard kunnen hun niet ontzegd wor- den, en zij verdienen gewis onder de dapperste tegenstan- ders gerekend te worden, die de Nederlanders in dezen archipel hebben aangetroffen.

De vorsten van Bali zouden van hunne onderdanen niet te onderscheiden zijn, ware het niet door den diepen eer- bied en gehoorzaamlieid, die hun door deze wordt betoond. Overigens is bij hen noch beschaving, noch kennis, noch waardigheid, noch verhevenheid van denkbeelden, in een woord, niets te vinden van hetgeen waardoor de hoogere standen zich boven de lagere behooren te verheffen. Hunne geschiedenis is eene aaneenschakeling van wreedheden en zedeloosheid; hun bestuur en de invloed der priesters wer- ken ongunstig op de bevolking, die anders zeer geschikt zou wezen om in rust en vrede een vlijtig en landbou- wend leven te leiden.

De godsdienst der BaliŽrs is eene soort van HindoeÔsme; er bestaat onder hen dus ook eene verdeeling in kasten, waarbij de kaste der Brahminen of priesters het eerste in aanmerking komt. De vorsten zelven behooren tot eene lagere kaste, maar dit belet niet, dat de vorst van Klon- kong het algemeene hoofd van de godsdienst van het ge- heele eiland is. Als zoodanig voert hij den titel van Dewa Agong Betara en geniet hij veel aanzien en groote eerbewijzen. Ook in het wereldlijke wordt hij met den titel van Tjoekoerda, althans in naam, als oppergebieder van Bali beschouwd. Al de overige vorsten zijn door eenen eed van getrouwheid aan hem verbonden ; zij raad- plegen hem in alle belangrijke omstandigheden, roepen hem in hunne onderlinge twisten als scheidsman in, doch erkennen hem inderdaad niet verder als hunnen opperheer en gehoorzamen hem ook niet meer dan met hunne belan- gen strookt. Waar het hunne verhouding met de Neder- landers geldt, verschuilen zij zich echter gaarne achter zijn gezag om het geven van beslissende antwoorden te ont- wijken of de zaken te verwarren. Uit dit alles vloeit echter voort, dat de vorst van Klůnkong in faam^en en invloed verre verheven is boven de andere vorsten van Bali. Alleen de vorst van het kleine rijkje Bangli beschouwt zich als onafhankelijk van hem te zijn, en doet hem ook geenen eed van trouw en bondgenootschap.

De kampongs of dorpen der BaliŽrs zijn vrij regelmatig aangelegd; meestal zijn zij verdeeld in groote vierkanten, omgeven van steenen muren ter hoogte van 8 Ť, 10 voet. In deze vierkanten staan de huizen, stallen, rijstschuren en pandoppo^s van verschillende gezinnen zonder orde door elkander. De huizen zijn eveneens uit gebakken steen of gedroogde klei gebouwd. Zij hebben geene vensters en zijn met allang-allang, atap- of lontarbladen gedekt. Over het algemeen zijn deze kampongs sterk bevolkt, er zijn er die ruim 3000 inwoners tellen.

De kratons of woningen der vorsten zijn omringd door verscheidene pleinen, die binnen muren van 12 Ť, 15 voe- ten hoogte en van 1^ Ť, 2 voeten dikte gelegen zijn en waar men slechts door zeer naauwe openingen binnen treedt. Het inwendige is in vele vierhoeken verdeeld, die met elkaar in gemeenschap zijn gebragt door deuren, dit slechts aan een persoon te gelijk toegang verleenen. Op de hoeken dier vierkanten staan pandoppo^s, waarin de vorst de frissche lucht geniet en zijne wachters plaatst. In oorlogstijd zijn die kratons zeer geschikt ter verdediging.

Menigvuldig zijn de tempels die men op Bali aantreft, doch zij onderscheiden zich in geenen deele door pracht. Het zijn meestal vierkanten van 50 Ť. 100 voeten zijde, die door eenen vrij hoogen muur omgeven en inwendig in tweeŽn verdeeld zijn. Deze beide deelen vormen eene buiten- en eene binnenplaats. In de eerste vindt men meestal een paar fraaije waringien boomen , terwijl de tweede, in een aantal kleine hutten of hokjes, de beelden hunner goden bevat.

Uit het bovenstaande is ligtelijk te begrijpen, dat niet alleen de dorpen en kratons, maar ook de tempels allezins bekwaam zijn om hardnekkig te worden verdedigd. lu de dorpen kan elk huis en elk erf eene afzonderlijke gere- trancheerde positie vormen, en binnen de kratons en tempels kan men moeijelijk geraken zonder de muren, door middel van kanon of mijn, te hebben geopend.

Wanneer de vorsten van Bali in eenen oorlog gewik- keld zijn, komen op hun bevel al de voorname, hun on- dergeschikte, hoofden met de geheele weerbare bevolking op de been. Elk man is gewapend met eene zeer lange lans en kris of met een geweer. De lans of het geweer wordt door den vorst verstrekt. Veldgeschut en ruiterij zijn bij de BaliŽrs niet bekend, maar hunne versterkingen zijn altijd rijkelijk met kanons en lilla's voorzien.

De goesti Djilantiek , rijksbestuurder van Bleling , die in 1848 en 1849 de ziel der verdediging was, had een vrij talrijk en met lansen gewapend korps scherp- schutters opgerigt. De vuurwapenen der BaliŽrs waren overigens nog zeer onvolmaakt en hunne geweren werden meestal door radsloten met lonten afgeschoten, evenwel waren er ook een aantal geweren met vuursteensloten van Singapore ingevoerd.

De kunst van versterkingen te maken en daarbij van het terrein op gepaste wijze partij te trekken verstaan zij uitmuntend. De borstweringen zijn van aarde, hout of steen en, behalve van schietgaten voor kanon en lilla^s, ook nog voorzien van eene menigte van bamboezen kokers om daardoor met klein geweer te vuren. Voor de borst- wering ligt eene zeer diepe en steile gracht en op de berm, zoowel als op de buitengrachtsboord, zijn doorgaans digte heggen of paggers van levende doombamboe ge- plant. Achter de borstweringen maken zij dikwerf stevige afdaken en daarachter weder gaten, die zij met water vullen; een en ander is bestemd om zich tegen vertikale vuren te beveiligen, dewijl de granaten, langs deze daken, in het water of in den modder rollen en zoo, althans gedeeltelijk, onschadelijk worden gemaakt. De toegangen tot hunne versterkingen worden altijd met borangs (eene soort van voetangels) beplant of soms door woKskuilen versperd.

In het open veld zijn de krijgsbenden der BaliŽrs ge- woonlijk verdeeld in eene voorhoede, een hoofdkorps met twee vleugels en eene achterhoede. Hunne bevelhebbers zijn groote voorstanders van omtrekkende bewegingen en trachten steeds den vijand in den rug of in de flank aan te grijpen. Deze aanvallen die gewoonlijk geopend wor- den door de zoogenaamde amokloopers (voorvechters die geheel in het wit gekleed zijn en hun leven aan de overwinning ten offer brengen) zouden door hunne woest- heid onwederstaanbaar zijn, zoo zij met orde en zamen- hang werden gedaan. Tot opening van het gevecht worden ook schutters en tirailleur gezonden; de piekeniers blijven alsdan in geslotene orde, onder de aanvoering hunner hoofden, buiten het schot der vuurwapenen, het tijdstip tot den aanval afwachten. Wanneer dit oogenblik door de tirailleurs voorbereid is, marcheren de piekeniers voor- uit, en de tirailleurs treden door de tusschenruimten terug. De aanvallende massa heeft geheel het aanzien eener Griek- sche phalanks. Blijft de tegenpartij staan, dan volgt er een bloedig gevecht. In hunne onderlinge oorlogen ge- schiedt dit evenwel zeldzaam en maar alleen wanneer de terugtogt is afgesneden. Gewoonlijk wijkt een der par- tijen na het tirailleurgevecht, of de overwinning wordt beslist door eene overvleugeling welke de aangevallene nimmer weerstaat.

De vorsten voeren tot onderscheidingsteekens twee groote payongs, die onder de benaming van payong agong be- kend zijn; de voornaamste goesties of prinsen hebben insgelijks ieder een dergelijken payong. Zij blijven daar- onder evenwel gedurende het gevecht niet staan, maar bezigen ze slechts om de standplaatsen der verschillende korpsen aan te duiden.

In den regel zijn de vorsten slechts aanschouwers en bestuurders van het gevecht, maar in geval van verras- sing nemen zij daaraan deel en alsdan met volharding; zoo zij eenmaal handgemeen zijn geworden is het vlugten voor de hoofden onteerend. De BaliŽrs zijn dapper, maar even als alle oostersche volken, bewaken zij zich te velde zorgeloos, weten zich niet voor overrompeling te bewaren en laten zich dan door eenen panischen schrik bevangen. De moedigste onder de BaliŽrs zijn die van Bangli en na hen die van Karang Assam en Bleling. Hunne hoofden zijn zij in het gevecht zeer getrouw; zoo lang die staan zal geen BaliŽr wijken en honderde malen is het geschied, dat zij hun leven ten offer bragten, om dat hunner hoofden te redden of den terugtogt van deze te beveiligen.

Hoewel ůok de gewone aanval met de piek amok ge- naamd wordt is er niettemin onder de BaliŽrs nog eene andere soort van amok die geheel en bij uitsluiting aan hunne natie eigen is; zij noemen die popootan. Deze is een wanhopige doodelijke strijd. Indien de hoofden den popootan willen strijden, kleeden zij zich geheel in het wit ; zij snijden de schacht hunner lansen voor een gedeelte af, om die beter te kunnen han- teren, en na hunne vrouwen en kinderen van het leven te hebben beroofd, loopen zij woedend op den vijand in. Indien zij de zege, in weerwil hunner wanhopige dap- perheid, niet behalen, dan sterven zij, maar laten hunnen vijand de overwinning duur betalen. Is de vorst bemind dan wordt hij gewoonlijk bij dusdanige popootan door 250 Ť. 300 man gevolgd, die alle tot den laatsten adem vechten.

De kleeding der krijgslieden is een rood vest zonder mouwen. Een lang wit kleed, dat tot de knieŽn of daar beneden reikt, is in het algemeen het bewijs dat men het voornemen heeft tot het uiterste te vechten.

Hoezeer Bali gelegen is in de onmiddelijke nabijheid van Java, de hoofdzetel onzer magt in IndiŽ, zoo had het Nederlandsche bestuur zich, tot nog toe, zeer weinig aan dat eiland laten gelegen liggen, en zich nog hoe- genaamd niet bemoeid met zijne inwendige zaken. Waren de inwoners minder barbaarsch geweest, en hadden de vor- sten hunne landen op eene beschaafder wijze geregeerd en steeds regt en billijkheid betracht, zoowel jegens vreemden als jegens landzaten, dan ware Bali misschien immer onaf- hankelijk gebleven. Dit was echter geenszins het geval; men had gegronde redenen om te gelooven dat zeeroovers vaar- tuigen er eene veilige schuilplaats vonden; men wist dat de slavenhandel er vrij openlijk werd gedreven en men was meer en meer tot de ervaring gekomen dat er nog bestendig een zoogenaamd regt werd uitgeoefend, dat niet alleen ge- heel in strijd was met onze belangen, maar ook met al onze begrippen van zedelijkheid en beschaving. Dit regt was het zoogenaamde tawang karang of klipregt en bestond in het berooven en plunderen der op hunne kusten ge- strande vaartuigen, waarbij de bemanningen nog boven- dien aan grove mishandeling waren blootgesteld. Door. de felle stroom in de straten Bali en Lombok, zoowel als door de hevige branding die, naarmate van het jaargetijde, dan eens op de noordkust en dan eens op de zuidkust staat, waren de BaliŽrs maar al te vaak in de gelegen- heid om dit onmenschelijke gebruik toe te passen. Hun overmoed begon in deze zelfs zůů ver te gaan dat in 1841 het Nederlandsche koopvaardij schip Overijssel aan hunne hebzucht en wreedheid ten prooi werd.

Het vereischt geen betoog, dat dergelijke handelingen niet konden worden geduld. Geenszins genegen zijnde van Bali een wingewest te maken, poogde de Nederlandsch Indische regering aanvankelijk, de daar heerschende vor- sten door redenering en overtuiging tot betere inzigten te brengen. Zij zond in 1841 eenen gevŲlmagtigde tot hen, die in onderscheidene met hen gesloten verdragen verwierf, dat zij de opperheerschappij van den koning der Nederlanden erkenden en de belofte deden van het klip- regt niet meer te zullen uitoefenen, den handel te zullen beschermen, de zeerooverij zoowel als den slavenhandel te zullen tegengaan, en alle drie jaren een gezantschap naar Batavia te zullen zenden om hulde te doen aan den gouverneur generaal.

Deze verdragen werden echter in geen enkel opzigt nagekomen en de pogingen die de Nederlandsch Indische regering vervolgens aanwendde om de vorsten van Bali daartoe over te halen, werden zoo hoogst oneerbiedig be- antwoord, dat zij wel verpligt was naar de wapenen te grijpen. Het waren vooral de vorsten van Bleling en Karang Assam, die zich haar billijk ongenoegen hadden op den hals gehaald en het was dan ook tegen deze, dat in 1846 de militaire expeditie werd gerigt, die onder den naam van eerste Balische expeditie is bekend gewor- den (1).

De landmagt, sterk 1700 koppen, waarbij 400 Europea- nen, 700 Inlanders, 100 Afrikanen en 500 man Madu- resche hulptroepen, werd aangevoerd door den Luitenant- Kolonel Bakker, Een voldoende zeemagt die, des gevorderd nog een vrij sterk landingskorps kon aan wal zetten, stond onder de bevelen van den schout bij nacht van den Bosch en was, met de ingehuurde transportschepen, be- stemd zoo wel om de landtroepen over te brengen als om de krijgsverrigtingen te ondersteunen.

De vloot ankerde voor Bleling in het rijkje van den- zelfden naam. Den 24 Junij werd den radja een ulti- matum aangeboden, waarbij van hem geŽischt werd de hernieuwing van de vroeger met hem gesloten overeen- komsten.

Bovendien werd van hem gevorderd de gedeeltelijke betaling der gemaakte oorlogskosten, die des noods eerst binnen eenige jaren behoefden te worden voldaan, gedu- rende welke alsdan, voor zijne rekening, eene bezetting in zijn rijk zou achterblijven.

Men liet hem eenen bedenktijd van driemaal 24 uren en toen na verloop daarvan geen voldoend antwoord was ontvangen, werden de troepen ontscheept en tot den aanval overgegaan.

De kampong Bleling was versterkt en kon door de onzen niet dan na eenen hardnekkigen tegenstand genomen worden. De nederlaag hier geleden, scheen evenwel des vijands moed te hebben doen zinken, althans bij den aan- val op Singa radja, hoofdplaats van Bleling, was de tegen- stand vrij wat minder krachtig, zoodat het aan de onze gelukte zoowel de kampong als den vorstelijken kraton op den 29 Junij zonder eenig verlies meester te worden. Beiden werden aan de vlammen prijs gegeven.

De radja van Bleling begreep thans, dat zijne middelen van verdediging hem in geenen deele veroorloofden onze magt te trotseren en voldoening te blijven weigeren aan onze regtmatige vorderingen. De tuchtiging door hem ondergaan maakte bovendien zoodanig eenen indruk op den vorst van Karang Assam', dat de eene zoowel als de andere zich aan onze eischen onderwierp.

De vrede werd hun toegestaan onder de voorwaarden hierboven genoemd, waarbij nog gevoegd werd de verplig- ting van, binnen drie maanden, al de versterkingen te slechten die zij in hunne rijken tegen de Nederlanders hadden opgeworpen en geene nieuwe daar te stellen. Drie vierde gedeelten der gemaakte oorlogskosten werden voorts voor rekening van Bleling en het overige vierde gedeelte voor rekening van Karang Assam gebragt.

Op den 6 Julij 1846 werden de traktaten gesloten, waarin dit alles werd vastgesteld en geregeld. Te Bleling werd eene redoute gebouwd en eene Nederlandsche bezet- ting daarin achter gelaten.

Het bleek echter reeds spoedig, dat de vorsten van Bleling en Karang Assam de geslotene verdragen als niets anders beschouwden, dan als middelen, om het gevaar wat hun boven het hoofd hing en gedeeltelijk reeds had ge- troffen, af te wenden, en tijd te winnen om zich tot een krachtiger verzet voor te bereiden. Naauwelijks had onze expeditionnaire krijgsmagt het eiland verlaten, of aan de bevolking werd, zelfs onder doodstraf, het houden van alle gemeenschap met de achtergebleven bezetting verboden. Men hoopte alzoo den terugkeer naar Java door gebrek aan levensbehoeften noodzakelijk te maken. Aan de beta- ling der oorlogslasten werd geen gevolg gegeven; vlugte- lingen uit de bezetting van Bleling en veroordeelden, die den arm der geregtigheid ontkomen waren, werden aUer- wege opgenomen en geduld; het plunderen van gestrande schepen en het mishandelen der schipbreukelingen einde- lijk , bleef plaats grijpen even als weleer.

Op nieuw poogde het Nederlandsch Indisch bestuur nu den weg der overreding te betreden, maar deze langmoe- digheid werd blijkbaar beschouwd als gebrek aan veerkracht en had slechts ten gevolge, dat onze billijke grieven er door werden vermeerderd. De overmoed der Balische vor- sten nam zoodanig toe, dat zij de vertegenwoordigers onzer regering op eene Ųnvoegzame wijze ontvingen of afwezen, terwijl hunne brieven niets behelsden dan uitvlugten of verzekeringen, die geheel in strijd waren met hunne open- lijke daden.

Het waren niet alleen de radja^s van Bleling en Karang Assam, die voort bleven gaan met ons gezag te minach- ten en onze regering te hoonen, ook de vorst van Klon- kong had ons gewigtige redenen van ontevredenheid ge- geven. Ook met hem waren traktaten gesloten van den- zelfden inhoud als die welke met de overige vorsten van Bali waren aangegaan, en hij had nog bovendien, als we- reldlijk en geestelijk gebieder over Bali, het oppergezag van den koning der Nederlanden over dit geheele eiland erkend, hij had zich verder persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de opvolging der aangegane verbindtenissen in de landen van Klonkong, Gianjar en Mengoei. Het is aan geen den minsten twijfel onderhevig, dat hij, door den grooten invloed, dien hij, in zijne dubbele waar- digheid van Dewa Agong Betaxa en Tjoekoerda, op al de overige vorsten van Bali uitoefent, het volkomen in zijne magt had, de gerezen geschillen op eene vreedzame en zoo wel voor ons, als voor de menschheid in het alge- meen, bevredigende wijze te doen beslechten. Het stond geheel aan hem om zijne landgenooten eenen duurzamen vrede en al de voordeden van eenen eerlijk gedreven en winstgevenden koophandel te doen genieten, maar in zijne hoogmoedige bekrompenheid verkoos hij eenen onvrucht- baren strandroof en den oorlog, die daarvan een onvermij- delijk gevolg moest wezen, boven de zegeningen, die hem en zijn volk zoo gemakkelijk hadden kunnen deelachtig worden. Hij wendde zijnen invloed niet aan om de afval- lige vorsten tot gehoorzaamheid te bewegen jegens den gouverneur generaal, die als vertegenwoordiger des ko- nings hunnen wettigen gebieder was, maar misbruikte dien invloed daarentegen, om de zaken meer en meer te ver- wikkelen. Hij zelf gaf steeds ontwijkende of onware ant- woorden; hij onthield aan den afgezondene van den Ne- derlandschen opperlandvoogd de eerbewijzingen, die hem verschuldigd waren; hij zond evenmin als de vorsten van Bleling en Karang Assam een gezantschap naar Batavia; hij liet niet alleen, gelijk zij, den strandroof toe, maar gaf ook evenzeer schuilplaats aan deserteurs en gevlugte boosdoeners. Het werd in een woord meer en meer dui- delijk en klaar, dat bij de drie opgenoemde Balische vor- sten het stellige voornemen bestond, om geen enkel punt der gemaakte overeenkomsten na te leven. Het bleek bo- vendien uit alle berigten, dat de bevolking op het eiland alom tegen de Nederlanders werd opgehitst, dat van alle zijden kruid en lood, zoo mede vuurwapenen gehaald of op Bali zelf vervaardigd werden; dat de stranden en de toe- gangen, naar de hoofdplaatsen binnen ^slands, versterkt werden en dat ten slotte de spoedige onderwerping van het jaar 1846 in geenen deele een gevolg was geweest van het besef, dat men slechts toegaf aan regtmatige vor- deringen, maar enkel en alleen van het onvoldoende der toenmalige middelen van verdediging.

Het opvatten der wapenen werd dus andermaal eene onvermijdelijke noodzakelijkheid voor het Nederlandsch Indisch bestuur; men kon het openlijk honen van ons aanzien in het onverborgen schenden der gesloten trak- taten niet langer dulden en men zag zich wel verpligt de veiligheid der zee en de bescherming van ongeó lukkige schipbreukelingen met geweld te vorderen, toen die door overreding en overtuiging niet waren te ver-* krijgen.

In Maart 1848 werd tot een tweeden krijgstogt tegen de vorsten van Bali besloten (1). Daar onze betrekkin- gen met hen evenwel nog slechts van korten duur waren geweest, werd hun eene laatste gelegenheid aangeboden om tot inkeer te komen. Men zond aan de vorsten van Klonkong, Karang Assam en Bleling manifesten, die het ultimatum der Nederlandsch Indische regering bevatten. Deze manifesten hielden, voor ieder der drie genoemde vorsten, den eisch in tot het uitleveren der Nederland- sche deserteurs en gevlugte boosdoeners en tot het zenden, binnen veertien dagen, naar Batavia van een gezantschap, bestaande uit aanzienlijke personen, die den gouverneur generaal namens hunne radja^s vergiffenis vragen en be- tuigen moesten, dat deze zich in alles aan zijne genade en grootmoedigheid onderwierpen.

Van de vorsten van Klonkong en Bleling werd voorts schadevergoeding gevorderd voor schepen, die op hunne kusten gestrand en daar weder uitgeplunderd waren ge- worden. Die van Bleling en Karang Assam moesten, bin- nen eenen bepaalden tijd, een gedeelte voldoen der sommen die zij in 1846, wegens door ons gemaakte oorlogskosten, hadden aangenomen te betalen , of wel in de plaats daarvan ieder eene aangeduide landstreek volkomen aan de Ne- derlanders afstaan. Wijders werd van den radja van Ble- ling nog geŽischt het onmiddelijk slechten van alle ver- sterkingen die vůůr en na den oorlog van 1846 in zijn rijk tegen de Nederlanders waren opgeworpen en hem de verpligting opgelegd aan ons uit te leveren den goesti Djilantiek, zijn oom en rijksbestuurder, dewijl deze zich door vijandelijke gezindheid jegens ons bijzonder had on- derscheiden.

Elk dezer drie manifesten eindigde met de verklaring dat, ingeval binnen veertien dagen, nadat den inhoud daarvan ter kennis zou zijn gekomen van den vorst aan wien het gerigt was , niet aan de gestelde voorwaarden mogt zijn voldaan, de vijandelijkheden eenen aanvang zou- den nemen, hunne rijken door de Nederlandsche krijgsmagt zouden worden bezet en zij, radja's, worden beschouwd, onherstelbaar vervallen te zijn als vorsten van het door hen bezeten rijk, dat alsdan toekomstig zou worden be- stuurd zoodanig, als de gouverneur generaal, in het be- lang der bevolking en tot waarborg van rust, orde en welvaart, zou vermeenen te behooren.

Men kan niet ontkennen, dat deze eischen veel in zich hielden, wat den vijand aanleiding moest geven om liever het uiterste te wagen, dan zich ddaraan te onderwerpen. Het betalen van groote sonmien in eens, hetzij dan in geld of in geldswaarden, dit kon niet zoo geheel onbe- kend zijn, gaat bij Indische vorsten steeds met onoverko- meUjke bezwaren verzeld. Evenmin als hunne onderdanen denken zij ooit aan de toekomst; wat zij bezitten wordt door hen verteerd, en zoo gewoon als het verschijnsel is, hen met schulden overladen te zien , zoo zeldzaam zou het wezen wanneer een hunner iets dergelijks bezat, als hetgeen wij eene gevulde schatkist noemen. Een beroep op het volk, het uitschrijven van belastingen, gelijk men in Europa zou zeggen, kan hen, in moeijelijke oogenblikken, weinig baten, dewijl het volk, in landen waar nog zoo weinig veiligheid van personen en eigendonmien bestaat, en waar nog zoo veel kinderlijke zorgeloosheid heerscht, als hier, ook niets meer bezit dan het voor den oogenblik behoeft.

De eisch tot uitlevering van den goesti Djilantiek was misschien nog de meest gewaagde van alle. Deze goesti stond onder zijne landgenooten bekend als een man vol geestkracht, beleid en liefde voor zijnen geboorte- grond. Men verhaalt dat in een der bijeenkomsten, tus- schen den Nederlandschen kommissaris en den vorst van Bleling, deze laatste door den eersten herinnerd zijnde, dat hij zijn rijk slechts regeerde onder de opperheer- schappij van den gouverneur generaal en aan deze hulde verschuldigd was, goesti D/ilantiek met fierheid en waar- digheid zoude hebben uitgeroepen: ,/Zoo lang ik leef, zal dit nimmer geschieden !^^ De latere gebeurtenissen hebben geleerd dat deze woorden in zijnen mond geene ijdele grootspraak waren.

Door hem werden de toegangen tot het binnenland op eene geduchte wijze versterkt, wapens vervaardigd en allerlei oorlogsbehoeften gekocht. Het volk was gewoon in hem de ziel en het leven te zien, van alle hande- lingen tegen de Europeanen. De BaliŽrs hadden boven- dien nog volstrekt geen besef van onze meer beschaafde zeden en gebruiken; men kon dus begrijpen dat zij het lot wat Djilantiek in onze handen te wachten had, zou- den afmeten, naar hetgeen zij zelf zouden beslissen over eenen aan hen uitgeleverden tegenstander. Dit lot zou bij hen de dood zijn geweest en zij moesten dus Dji- lantiek wel aan een wis verderf prijs gegeven wanen, wanneer hij zich eenmaal onder ons zou bevinden, en dit in weerwil der geruststellende verzekeringen die dienaan- gaande in het manifest voorkwamen.

Eene weigering was dus te wachten en de ijver, voor de zaak des lands, moest daarna bij den goesti nog ver- hoogd worden door het besef, dat bij eene nederlaag zijne eigene veiligheid op het spel stond. Een dergelijke eisch had reeds in vroeger jaren de hardnekkige verdediging van Bondjol ten gevolge gehad, en onze geschiedenis in IndiŽ vloeit over van bewijzen, dat inlandsche hoofden, die zich eenmaal het ongenoegen der Nederlanders hebben op den hals gehaald, steeds weigerachtig blijven zich in onze magt te begeven, dewijl zij, in weerwil van al onze verzekeringen, daar hun leven in gevaar achten.

Tntusschen mag niet worden voorbij gezien, dat men te Batavia destijds meende dat de nog onbeschaafde BaliŽrs, in 1846, de kracht onzer wapenen nog niet voldoende hadden gevoeld en dus, van eene gestrengere tuchtiging, de beste uitkomsten te wachten waren. De juistheid van dit begrip is door de gebeurtenissen van 1849 overtui- gend gebleken. In 1848 vergistte men zich echter in het begrooten der strijdmiddelen die tot het bereiken van het doel zouden gevorderd worden. Doch men verkeerde nu eenmaal in het stellige bewustzijn dat de magt, waarmede de generaal Jhr. van der Wyck uittrekken zou, meer dan voldoende was en het is niet onwaarschijnlijk, dat op grond hiervan, de manifesten opzettelijk zoo werden ge- steld dat eene tuchtiging met de wapenen onvermijdelijk moest volgen.

De drie genoemde manifesten werden ter hand gesteld aan den konmiandant der oorlogsvaartuigen, gestationeerd in de wateren van Bali, die ze aan de betrokken vorsten moest doen geworden. Zoodra hij zich van die taak gekweten had, moest hij zijne schepen zoodanig verdee- len, dat hij, onmiddelijk nadat de veertien dagen die als bedenktijd waren gegeven, zouden zijn verloopen, en hij geen voldoend antwoord op de manifesten mogt hebben bekomen, eenen aanvang kon maken met het in werking brengen der bepaalde dwangmaatregelen. De2e bestonden daarin, dat alle vijandelijke schepen in beslag genomen en opgebragt, alle aanvoeren voor den vijand belet, zijne versterkingen, voor zooveel die onder bereik van het kanon lagen, nedergeschoten en het oprigten van nieuwe verhinderd zou worden; dat men voorts alle ver- zamelingen of voorbij marschen van vijandelijke troepen uit elkander drijven en in het algemeen geweld met ge- weld te keer gaan en bestraffen zou. De weerlooze be- volking overigens zou in hare personen en eigendommen gespaard blijven.

De manifesten bleven, zoo als te verwachten was, zonder eenige uitwerking. Het moet gewis als een verzuim aan- gemerkt worden, dat men niet onmiddelijk na het ver- strijken van den verleenden bedenktijd is overgegaan tot het landen en krachtdadig aanvallen der BaliŽrs, gelijk door den generaal majoor Jhr. van der Wyck, komman- dant der daartoe bestemde troepen, was voorgesteld. Thans werd den vijand twee en eene halve maand tijd gegeven, om zich meer en meer te versterken en tot den oorlog voor te bereiden. Intusschen vergenoegde men zich met eene maritime demonstratie, die geenszins haar volle nut kon stichten, daar zij niet met toereikende middelen kon worden volbragt.

Het vertrek eener tweede expeditie naar Bali werd dan ook meer en meer noodzakelijk en zij werd zoo krachtig zamengesteld, dat men de gegronde hoop meende te mo- gen voeden, thans tot eene afdoende vereffening onzer geschillen met de vorsten van Bali te zullen geraken.

Zij stond, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, onder de bevelen van den generaal majoor Jhr. van der Wyck en was sterk 870 Europeanen, 119 Afrikanen, 385 inlan- ders en dus te zamen 2265 hoofden. Hieronder waren 27 man ruiterij, de bediening van twee bergbatterijen en 92 man genietroepen.

De zeemagt, onder de bevelen van den kapitein luitenant Sterk, bestond uit vier stoomschepen en vijf schoener- brikken of brikken, te zamen voerende 740 koppen en 72 stukken geschut. Daaraan waren nog toegevoegd 9 kruisbooten en de noodige koopvaarders tot transport der troepen.

Deze geheele vloot was in den maand van den 6 Junij 1848 op de reede van Boenkoelan nabij Sangsit vereenigd. Den 7 en 8 werden de troepen ontscheept en maakten zij zich, niet zonder tegenstand, meester van de kampongs Timor Sangsit en Boenkoelan. Den 9 rukten zij op naar Djagaraga, eene stelling die ongeveer drie palen van Boen- koelan gelegen is; zij sluit den toegang naar het binnenland en was door den vijand met alle mogelijke zorgen en op eene ongeloofelijke wijze versterkt en met al zijne strijd- krachten bezet geworden. Hier had een gevecht plaats zůů hardnekkig en zůů roemrijk als er slechts weinig in de jaarboeken der Indische krijgsgeschiedenis zijn vermeld ; doch de vijand had een al te goed gebruik gemaakt van de middelen, die kunst en natuur hem aan de hand gaven. Djagaraga was duchtig versterkt en bestond uit een stelsel van hechte redouten met zware profil, die door borst- weringen, met diepe en steile grachten, aan elkaar ver- bonden waren. Het geheel vormde eene aaneengeschakelde linie, wier vleugels aan diepe ravijnen paalden en bij wier aanleg, op de schranderste wijze, van het terrein was partij getrokken. De bezetting spreidde bovendien eenen moed en eene volharding ten toon, die maar zelden bij Indi- sche vijanden wordt aangetroffen en die voortdurend werd gestijfd en verlevendigd door talrijke versche benden, die men aanhoudend van het gebergte naar haar toe zag stroomen. De strijd had reeds meer dan drie uren ge- duurd en nog waren de onzen slechts meester van eene enkele redoute. Een^ versterkten tempel, die reeds door hen genomen was, hadden zij weder moeten ontruimen. Tegen eene andere redoute waren, zonder dat men haar had kunnen bemagtigen, door de artillerie 150 kogels en 84 kartetsen uit kanons, 42 grenaten en 22 kar- tetsen uit houwitzers h ll duim, en 128 grenaten uit mortieren van 11 duim geschoten en geworpen.

De infanterie had per man 50 schoten gedaan; er begon gebrek aan munitie te heerschen, maar de afstand waarop die gehaald moest worden was zůů groot en de daartoe beschikbare middelen waren zůů gering, dat op eenen tijdigen aanvoer niet kon gerekend worden. Het getal der dooden bedroeg reeds 5 officieren en 74 sol- daten en dat der gewonden 7 officieren en 98 soldaten. Onze krijgslieden waren doodelijk vermoeid en de generaal VAN DER Wyck had er reeds toe moeten overgaan, om zijne laatste versche troepen in het gevecht te brengen. Bij dit alles nam de moed en de geestdrift des vijands zigtbaar toe; hij begon de rol van verdediger reeds met die van aanvaller te verwisselen en verliet zijne linien om onze troepen in het open veld aan te tasten.

Het oogenblik om het gevecht af te breken was dus meer dan gekomen. De dapperheid der onzen, die op de- zen dag zoo glansrijk had uitgeblonken, was onvermogend tegen versterkingen en tegen eene overmagt als die welke men hier voor zich had. Tot zijne grievende spijt zag de generaal van der Wyck zich verpligt den terugtogt naar het strand aan te nemen.

Aanvankelijk was hij er op bedacht geweest om de geno- men redoute krachtig bezet te houden, zijne troepen slechts eene achterwaartsche stelling te doen aannemen, hun daar eenige rust te geven en den volgenden morgen den aanval te hervatten. Indien dit had kunnen geschieden zou het vermoedelijk tot goede uitkomsten hebben geleid, maar op deze barre hoogten was geen water noch middel om het in de nabijheid te bekomen; de gemeenschap met de redoute lag niet dan onder het vuur des vijands, bijna zelfs niet dan onder de spitsen zijner lansen kunnen geschieden; de troepen, die der bezetting hadden moeten versterken, zou- den haar niet zonder nieuwe en zware offers hebben bereikt en de aanvoer van munitie, levensmiddelen en water zou onmogelijk geweest zijn. Het gering aantal koelies ó slechts 500 waren er aan de expeditie toegevoegd ó was bovendien geprest tot het weg voeren der gewonden en an dere onvermijdelijke diensten en het zou lang geduurd hebben, eer men ze weder had herzameld. De bezetting der redoute zou dus zoo goed als geblokkeerd zijn geweest en van dit voornemen moest derhalve worden afgezien.

In positie blijven, de aankomst van nieuwen voorraad van munitie afwachten en nog denzelfden dag het gevecht hervatten en voortzetten was evenmin mogelijk. De ver- moeijenis der troepen veroorloofde niet nieuwe inspannin- gen van hen te vorderen. Door het verlies, aan gesneu- velden, gewonden en de begeleiders dezer laatsten, waren de gelederen bovendienzeer gedund. De vijand daarente- gen ontvng telkens nieuwe aanvoer van versche troepen en zijnen moed klom, gelijk reeds aangemerkt is, voortdurend. De terugtogt naar het strand was dus het eenige wat over bleef, en deze greep ordelijk, van stelling tot stelling, zonder belangrjk verlies plaats.

Men had op den 9 Junij de overtuiging opgedaan ^ dat de verovering van Bali geenszins eene gemakkelijke taak was. Er heerschtc onder de BaliŽrs meer nationali- teit en meer eensgezindheid dan men had verondersteld. Het bleek ook, dat de afwezigheid van verdedigingswerken aan het strand, geenszins het gevolg was van een verzuim, maar veeleer van een door den vijand aangenomen en zeer beredeneerd stelsel van concentratie der verdediging in de binnenlanden. Men kon dus ook aannemen, dat nabij de nog verder van het strand verwijderde hoofdzetels der rijken van Klonkong en Karang Assam, niet minder hechte en goed verdedigde versterkingen, zouden worden aangetroffen. Dat de linien van Djagaraga niet anders dan door eenen geregelden aanval konden genomen worden, was thans boven allen twijfel verheven, maar hiertoe waren de mid- delen niet in voldoende mate voorhanden. Het haperde vooral aan koelies of lastdieren om al het materieel, dat tot het bedwingen der versterkingen noodig zoude zijn, op het plateau van Djagaraga aan te voeren , werwaarts daaren- boven niet alleen een rijken voorraad van levensmiddelen, maar ook nog water had moeten naar boven gebragt. De transportmiddelen die noodig zouden geweest zijn, om hierin te voorzien , overtroffen verre hetgeen beschikbaar was.

Met het nemen van Djagaraga ware bovendien de taak niet volbragt geweest, die aan onze troepen ware opge- dragen geworden. Ook de rijken van Klonkong en Ka- rang Assam moesten veroverd worden, en daar zou men dezelfde, zoo niet grootere moeijelijklicden te overwinnen hebben gehad. Het zou dus noodig zijn geweest, vooraf aanvulling van troepen , materieel en andere krijgsbehoefteu van Java te doen komen , en dan nog zou het ten einde brengen van den oorlog meer tijd gekost hebben, dan men daarvan met het oog op. den toemaligen politieken toestand van Europa, meende te mogen besteden. De bevelvoerende generaal nam derhalve het besluit de krijgs- verrigtingen geheel te staken, van den stand der dingen berigt te geven aan den gouverneur generaal en, op de reede van Boenkoelan , diens nadere bevelen af te wachten.

Het antwoord van den gouverneur generaal werd den 19 Junij ontvangen en hield in, dat de gevraagde ver- sterking van twee bataillons infanterie en duizend koelies niet konde worden gegeven, dewijl er te veel tijd zou gevorderd worden om een en ander te verzamelen en zijne bestemming te doen bereiken, gedurende welken men niet werkeloos konde blijven en het niet geraden was om in den onzekeren toestand, waarin de staatkunde van Europa ons plaatste, mitsgaders te midden der verwikkelingen, die ontstaan waren tusscheu' de hoven van Soerakarta en Djokjokarta, het midden van Java van troepen te ont- blooten.

Ofschoon de gouverneur generaal zich onthield van be- paalde bevelen te geven over de verdere operatien, zoo gaf hij niettemin in overweging eene landing in de baai van Padang Cove en eene tuchtiging van Klonkong, met verlating der plannen die weleer, tegen Karang Assam> waren beraamd. Hij wenschte echter dat daartoe niet werd overgegaan, dan nadat de opperbevelhebber, over dit gewigtig onderwerp, had geraadpleegd met de gezamen- lijke hoofd-officieren, in eenen krijgsraad vergaderd. Be- houdens dit, wenschte de gouverneur generaal dat de troe- pen zoo spoedig mogelijk naar Java terug keerden en dat, ingeval de bevelvoerende generaal de expeditie mogt kun- nen verlaten, hij zich naar de hoofdplaats begaf waar Z. Exc. met hem de middelen wilde beramen, die tot versterking vau het leger en de verdediging van Java dienden te worden genomen.

Men ziet dat de veerkracht, die het Indisch gouverne- ment met betrekking tot de tweede Balische expeditie ten toon spreidde, niet weinig werd verlamd door de vrees voor eenen aanval op Java. Toegegeven dat men in de gebeurtenissen der maand Februarij aanleiding vond, om eenen algemeenen oorlog te verwachten, dat is, eenen oorlog tusschen het republikeinsche en het monarchale beginsel, dan zouden wij Nederlanders, naar den toen- maligen stand van zaken, de Franschen tegenover ons gehad hebben, wier zaak het niet was, ons in Java met eene expeditie te komen verontrusten. De latere voor- vallen lieten niet vermoeden dat de rust in Europa spoedig hersteld zou wezen; maar zij moesten de vrees voor eenen algemeenen oorlog en vooral voor eenen oorlog van Ne- derland met eene zeemogendheid allezins temperen (1). De inzigten die men destijds in IndiŽ schijnt gehad te heb- ben, aangaande de politieke toestand in Europa en zijne mogelijke gevolgen, vloeiden echter voort uit officiŽle me- dedeelingen die van het opperbestuur in Nederland ont- vangen waren; zij moeten derhalve voor rekening komen der staatslieden, die destijds aldaar aan het roer zaten, en wel verre van den aanvoerder der tweede Balische expe- ditie te laken, dewijl hij zich daarnaar gevoegd heeft, moet men de gematigdheid prijzen, die hem eigen roem deed vergeten om, gelijk hij meende, Java ter hulp te komen.

De minderheid toch, van den krijgsraad, die op verlangen van den gouverneur generaal werd belegd, hoezeer onge- negen zijne stem te geven tot operatien tegen Klonkong, wilde er wel toe zien overgaan om den aanval op Dja- garaga te hervatten. Zij meende dat die hernieuwde aan- val allezins kans van slagen zou hebben, dewijl men nu meer en beter met de vijandelijke stelling bekend was. Zij wilde op die wijze de eer onzer wapenen herstellen. Dan hoeveel hieraan ook, voor den generaal van der Wyck persoonlijk, mogt gelegen zijn, zoo meende hij toch, dat er in dien oogenblik overwegingen van gewigtiger aard waren, die daaraan niet mogten worden ten offer gebragt. Men had Djagaraga in ieder geval weder moeten ver- laten, en hij zou dus de eer van het gedurende eeni- gen tijd bezet te hebben, vermoedelijk al te duur hebben moeten koopen, in een oogenblik, waarin de daaraan besteedde levende en doode strijdmiddelen , gelijk hij redenen had te gelooven, zoo moeijelijk te vervangen zouden zijn.

De terugkeer naar Java was het natuurlijk gevolg van het geheel staken der operatien. Voor de veiligheid onzer redoute te Bleling werden de noodige maatregelen genomen en nog op denzelfden dag, waarop de krijgsraad gehouden was (20 Junij), werd het anker geligt en koers gezet naar Batavia.

In den ongunstigen uitslag, die in het jaar 18ť8 aan onze krijgsverrigtingen op Bali was ten deel gevallen, en in het daardoor onver\Tild blijven der voorwaarden die aan de Balische vorsten waren voorgeschreven, lag eene voldoende reden opgesloten tot het zenden eener derde expeditie naar dit eiland , zoodra de omstandigheden het maar eenigzins zouden gedoogen. Wij weten niet of de politieke berigten die kort na den afloop der tweede expeditie, te Batavia uit het moederland ontvangen waren, minder verontrustende mededeelingen inhielden dan die, waarvan wij vroeger gewaagden; maar wij moeten in ieder geval lof toezwaaijen aan de volharding, die de gouverneur generaal EochŁssen ten toon spreidde en aan de veerkracht, waarvan hij bewijzen gaf, door onmid- -delijk na het mislukken van den vorigen, en in weer- wil der zware verliezen die geleden waren, weder tot eenen nieuwen togt naar Bali te besluiten. Eeeds bij een kabinetschrijven van den 24 Junij 1848 werd aan den generaal majoor van deu Wyck door den gouverneur generaal kennis gegeven, dat Ątot het voortzetten van den oorlog tegen de wederspannige vorsten van Bali, in 1849, andermaal eene expeditie zou worden uitgerust." De gene- raal majoor van der Wyck had echter, reeds voor zijn vertrek naar Bali, het verlangen te kennen gegeven, om naar Nederland terug te keeren , zoodra de hem opgedragen onderneming zou zijn afgeloopen, en daar hij bij dit ver- langen bleef volharden, werd de generaal majoor Michiels bestemd tot bevelhebber in den aanstaanden veldtogt.

Deze generaal kwam reeds in de maand Augustus 1848, van de westkust van Sumatra, waar hij het civiel en militair gezag in handen had, te Batavia aan, ten einde zich volledig bekend te kunnen maken met de Balische aangelegenheden. Daar de kusten van Bali gedurende de westmoesson meestal ongenaakbaar zijn, werd de tijd van vertrek der nieuwe expeditie vastgesteld tegen het verstrijken van het kwade jaargetijde, dat is, tegen het einde van Maart of het be- gin van April. De generaal Michiels deed intusschen zelf nog eenen togt naar Bleling, ten einde de omstreken zooveel doenlijk in persoon te bezigtigen , en ter plaatse een aantal berigten in te winnen. Toen, na zijne terug- komst te Batavia, ook de depÍches aldaar ontvangen wa- ren, die in de maand October door het opperbestuur uit Nederland waren verzonden, vernam men daaruit dat de scheepsmagt in Nederlandsch IndiŽ eene belangrijke ver- meerdering zou ondergaan en dat ook de landmagt zoude versterkt worden, vooral om eene voldoende krijgsmagt naar Bali te kunnen zenden, zonder Java of andere be- zittingen te veel te ontblooten.

Onmiddelijk hadden er nu bijeenkomsten plaats, van den gouverneur generaal Rochussen, met de bevelhebbers der land- en zeemagt en den generaal majoor Michiels, waarin de grondslagen van de zamenstelling der expeditie werden besproken en geregeld. Dewijl de tegenspoeden van den jongsten veldtogt vooral moesten toegeschreven worden aan gebrek aan troepen en aan transportmiddelen, werd bepaald dat de krijgsmagt deze keer ten minsten tweemaal zoo sterk zou wezen als de vorige en dat zij door een zeer groot aantal koelies zou worden vergezeld. Tevens werd vastgesteld, dat de aanval op eene meer stelselmatige wijze zou geschieden; dat daartoe meer vuurmonden van zwaar kaliber en vooral werpgeschut zou worden medegevoerd, en dat de genie voor alle noodige materialen en gereedschappen zoude zorgen, ten einde de vijandelijke werken bedekt te kunnen naderen en er des noods mijnen tegen te kunnen openen.

Eene aanzienlijke scheepsmagt, die reeds gedeeltelijk in IndiŽ voorhanden was en voor het overige gedeelte daar weldra zou aankomen, zou aan de expeditie wor- den toegevoegd.

Daar de tegenwoordigheid van den generaal majoor Michiels op Sumatra's Westkust nog vereischt werd, zoo vertrok hij weder derwaarts en kwam eerst in de maand Februarij 1849 te Batavia terug. Onderwijl was men op Java met ijver werkzaam om de krijgsmagt, aan wie thans de dubbele taak zou worden opgedragen, om den hoon te wreken die onze wapenen was aangedaan, en ons gezag, benevens de regten der beschaving, te doen eer- biedigen, door eene woeste bevolking en hare hoofden, zoo geducht mogelijk te maken. Er heerschte bij alle departementen van algemeen bestuur eene bedrijvigheid, die ten bewijs strekte, dat een ieder doordrongen was van het groote gewigt der zaak, en die nog aangewak- kerd werd door de warme belangstelling, die de gouverneur De generaal majoor Jhr. van dee Wyck , provisioneel komman- dant van het Indische leger, stelde alles in het werk wat lig vermogt, om den generaal majoor Michiels gelukkiger in zijne onderneming te doen zijn, dan hij zelf geweest was. Het is ons een genoegen uit een aan hem gerigt schrijven van den gouverneur generaal het navolgende te kunnen overnemen:

Ofschoon , in verband met U H. E. G. vertrek naar Europa , het bevel van deze nieuwe en sterke expeditie niet aan U H. E. 6. kan wor- den opgedragen, maar een oud en verdienstelijk wapenbroeder daarmede wordt belast, zal het echter nog uwe, en eene zeer belangrijke, taak wezen die expeditie voor te bereiden.

Ofschoon ik daaraan geen oogenblik heb getwijfeld , is mij echter , in de heden gehouden conferentie, met levendig genoegen, op de ondub- belzinnigste wijze gebleken, dat U H. E. G. zich in de vervulling van die taak niet tot strikte pligtsbetrachting zal bepalen, maar daarbg uwe kennis, rijke ervaring en invloed op het ijverigst zal aanwenden.

Ik betuig U H. E. G. mijnen opregten dank daarvoor en ik reken ten volle op de voortduring dier gezindheid ; op die wijze zal U H. E. G. nog een zeer nuttig, ofschoon dan minder naar buiten werkend deel er van hebben, om den minder voorspoedigen afloop der expeditie van het vorige jaar te herstellen ; 's lands belang en eer is ťťn , allen zijn , elk in zijnen kring, gehouden dat te behartigen, naar gelang de omstan- digheden dit medebrengen. Zoo ook heeft U H. E. G. het begrepen." generaal Bochussen toonde in alles wat in verband stond met de aanstaande krijgsverrigtingen op Bali.

In den politieken toestand op het eiland Bali was intus- schen geene ons gunstige verandering gekomen; hetgeen men daarvan bij het vertrek der expeditie wist, kwam hierop neder.

De vorsten van Klonkong, Bleling, Karang Assam en Mengoei, die geheel onder den invloed van goesti Dji- LANTiEK waren, hadden vast besloten tot het uiterste weer- stand te blijven bieden. De vorst van Badong was ons genegen, maar zijne houding was flaauw en soms weifelend; men kůn duidelijk opmerken, dat de tegenspoeden, door ons in het vorige jaar geleden, op hem en andere een die- pen indruk hadden gemaakt. Hij scheen niet geheel en al overtuigd te zijn, dat wij deze keer gelukkiger zouden we- zen, en wilde ongaarne overgaan tot stappen, die aanstoot konden geven aan hen, die hij als onze mogelijke overwin- naars aanmerkte. Goesti Djilantiek had het voornemen de radja^s van Bali, die zich niet met zijne partij, tegen ons, wilden vereenigen, daartoe, vůůr de komst der expe- ditie, met de wapenen te dwingen. Hij had het vooral op Bangli gemunt, eensdeels dewijl dit rijk hardnekkig wei- gerde naar zijne voorstellen te luisteren en anderdeels dewijl het de gemeenschap stremt tusschen Bleling, Karang Assam en Klonkong. Het ligt bovendien, gelijk reeds aangemerkt is, in het midden des eilands, achter zware bergen, waar- tusschen slechts naauwe defilťs heenvoeren, zoodat het uit- muntend geschikt zou zijn, tot een laatste toevlugtsoord der verdedigers. Hij had de komst der onzen echter niet voor Junij verwacht, en moest zijn plan laten varen, toen zij reeds in de laatste dagen van Maart plaats had. De eerzucht en de stoute bedoelingen van goesti DjilanÔiek hadden echter sommige vorsten van Bali tot nadenken gebragt, en zij begonnen voor hunne onafhankelijkheid te vreezen, wanneer het hem mogt gelukken, andermaal overwinnaar te zijn. Zij gevoelden dus weinig lust, hem daarin behulpzaam te wezen. De vorst van Gianjar behoorde tot dit getal; mogt Bangli vermeesterd zijn, een voornemen waarvan de verwezenlijking door goesti Djilantiek slechts uitgesteld, maar niet opgegeven schijnt te zijn geweest, dan lag Gian- jar voor zijne aanvallen bloot. De radja van dit rijk poogde zich derhalve nader aan te sluiten aan dien van Badong, onzen bondgenoot, en deze weder eindigde met ons, op bescheidene wijze, aan de traktaten te herinne- ren, die hem onze hulp verzekerden, wanneer hij, door de ons betoonde vriendschap ó die trouwens nog weinig had te beteekenen gehad ó in ongelegenheid mogt geraken. ó De houding des radja^s van Tabanan ten slotte, bleef twij- felend en onzeker.

Het scheen derhalve dat wij Klonkong, Karang Assam, Bleling en Mengoei als volhardende en stoute vijanden te- gen ons over zouden hebben, terwijl Badong, Gianjar, Bangli en Tabanan ons wel niet veel bijstand zouden ver- leenen, maar dien toch ook aan onze vijanden zouden ont- houden en zich tegen hunne aanslagen vermoedelijk wel staande zouden weten te houden.

De geest der bevolking werd overigens gezegd, ons niet ongunstig te zijn, het meerendeel der ingezetenen was, naar men verzekerde, ontevreden met zijn lot, en wachtte slechts naar eene gelegenheid, om het juk af te schud- den, waaronder het zuchtte. Dergelijke geruchten waren evenwel ook bij het vertrek der vorige expeditie ver- spreid geworden, maar zij deden weinig ter zake, want al mogten ze waarheid behelzen , dan leefde toch het geringere volk op Bali in zulk eenen diepen eerbied en slaafsche onderwerping voor zijne vorsten , dat men overtuigd kon wezen, dat het hunne bevelen blindelings zou blijven volgen, zoolang zij althans hun aanzien kon- den blijven bewaren. De volkomen afzondering van de bevolking, waarin de bezetting onzer schans te Bleling verkeerde , leverde daarvan het bewijs, even als van de middelen, die de Balische vorsten wisten te bezigen, om zich te doen gehoorzamen. Onderscheidene personen, overtuigd van levensmiddelen aan die bezetting verkocht te hebben , waren op last van goesti DnLANTiEK ter dood gebragt geworden.

De generaal Michiels was niet alleen benoemd tot . op- perbevelhebber der expeditie, maar hem was tevens op- gedragen //het beleid en de behandeling van alle staat- kundige aangelegenheden, met deze onderneming in ver- band staande, en zulks met den titel en de magt van gouvernements kommissaris voor Bali/' Ten einde hem van dienst te zijn, bij de regeling dier aangelegenh'^ den, was hem toegevoegd de kapitein der artillerie, adj dant van den gouverneur generaal Jh. Th. van Capellen aan wien tot dusverre de behandeling van 's gouverne ments belangen ten aanzien van Bali en Lombok opgedragen geweest.

De volmagt, die aan den generaal Michiels a missaris voor Bali werd verstrekt, was zeer ruim, eenige bepalingen, die hem in zijne handelingen ten te binden, kwamen voor in art. 2 en 3 structie en luidden aldus :

Hij zal bij de leiding en behandeling der acht moeten nemen, dat verovering of uitb:^ jj grondgebied nimmer hebben gelegen in de bede het gouvernement; en hij zal zich alsnog eene gedeeltelijke of geheele bezetting van het eiland niet voorstellen, als doel, maar alleenlijk als middel waar en wanneer zulks gevorderd mogt worden, tot het tot stand brengen van eene verhouding en verkeer met de vorsten en het volk van Bali, welke zullen blijken het meest overeen te komen met de duurzame belangen en de waardigheid van het Nederlandsch gouvernement.

Ą Hij zal dien ten gevolge niet streven naar eene heer- schappij over het eiland, en hij zal niet brengen organieke veranderingen of wijzigingen in de bestaande inlandsche huishouding, verder dan noodig mogt bevonden worden, ten einde over dezelve te blijven uitoefenen magt en invloed ; dat is: te behouden de leiding, in welke alleen kan gevon- den worden, waarborg voor bestendige rust en ordelijk ver- keer, bij elke aanraking met inlandsche volken."

Voorts mogt hij geene verbonden sluiten, of maatregelen van blijvenden aard nemen, dan onder voorafgaande mag- tiging van den gouverneur generaal, of althans, wanneer de zaak spoed eischte, onder voorbehoud van diens nadere goedkeuring.

Deze volmagt ging echter niet in haar geheel over op den hoofdofficier , die bestemd was den generaal te ver- vangen, ingeval hij verhinderd werd zijne taak ten einde te brengen. Deze moest alsdan nadere bevelen vragen aan den gouverneur generaal, en mogt geene andere beschik- kingen maken of maatregelen nemen dan de zoodanige , die voor den oogenblik volstrekt onvermijdelijk waren; hierover moest hij dan nog in overleg treden met den chef van den staf der expeditie en den kapitein adjudant Jhr. Th. van Capellen, als belast met de behandeling van 's gouvemements belangen, ten aanzien der aangelegenheden van Bali en Lombok. Men zal later zien, dat deze voor des generaals opvolger zeer belemmerende voorschriften niet zonder invloed zijn gebleven op den gang der zaken. De persoonlijke inzigten van den generaal Michiels over de wijze waarop, na het tuchtigen der Balische vorsten en het herstellen van de eer onzer wapenen , de zaken op dit eiland behoorden geregeld te worden, zijn nimmer volledig bekend geraakt, aangezien hij dienaangaande met weinige heeft geraadpleegd en, voor zooveel men weet, niets in geschrift heeft nagelaten. Naar de wijze waarop door hem gehandeld werd, en in verband met hetgeen men daarom- trent stellig is te weten gekomen, schijnt men evenwel te mogen aannemen , dat de last om onze onmiddelijke heer- schappij niet over Bali of een gedeelte daarvan uit te strek- ken, geheel met zijne eigene meening overeenstemde. Die meening was ons bedunkens volkomen juist. Immers had men reeds genoeg ondervonden van den krijgshaftigen geest , en de zucht naar onafhankelijkheid van de BaliŽrs, om met zekerheid te kunnen voorzeggen, dat het geheel veroveren, bevredigen en onder geregeld bestuur brengen van het eiland, eene taak zou wezen, tot wier volbrenging eenige jaren tijds met schatten van geld en bloed zouden worden gevorderd. Nu waren de begrippen, die men des- tijds in IndiŽ, ten regte of ten onregte, over den staat der politieke aangelegenheden in Europa had, van dien aard, dat men het hoogst gewaagd moest achten, een zoo aanzien- lijk deel onzer strijdkrachten tot eene uitbreiding van grond- gebied aan te wenden, terwijl het totaal dier krachten welligt eerlang naauwelijks voldoende zoude wezen , om te behou- den, hetgeen wij in IndiŽ reeds bezaten. Bovendien al had men er geen bezwaar in gezien, een gedeelte der beschik- bare oorlogsmiddelen voor eenige jaren te verbinden aan deze onderneming, dan rees nog de vraag of de voordeden, die daaruit voor den staat konden ontstaan, opwogen, tegen hetgeen er aan ten koste moest worden gelegd, en ook deze vraag moest, met het oog op de geaardheid en op de zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling der BaliŽrs , stellig ontkennend worden beantwoord. Zou Bali eenmaal geheel onder ons gezag komen, dan moest dit van lieverlede en zonder schokken geschieden; het moest plaats hebben als een gevolg der behoefte aan meer veiligheid van personen en eigendommen, die het volk zelf zou beginnen te gevoe- len, wanneer het ons slechts gelukte, door eenen niet regt- streekschen, maar toch bestendigen invloed op zijne zaken, aldaar beschaving en welvaart te doen ontkiemen.

Eene gedeeltelijke in bezit name van Bali, bijv. van de rijken der vorsten, die tegen ons in verzet waren, was nog minder raadzaam. Wij zouden ons daardoor bestendig ge- plaatst hebben gezien, niet alleen tegenover den vermoedelij- ken afkeer en de herhaalde pogingen tot opstand onzer nieuwe onderdanen, maar ook tegenover onze onafhankelijk geble- ven naburen op het eiland. Wij zouden, van zoo nabij, geene werkelooze aanschouwers kunnen blijven van hunne wreede handelingen en bloedige twisten; wij zouden niet hebben kunnen weigeren den zwakke te beschermen tegen de onregtvaardige aanvallen van den ste'rke en ons, in een woord, voortdurend in oorlog hebben gewikkeld gezien, ge- lijk men dat alom ziet plaats hebben, waar beschaafde bestu- ren met onbeschaafde in bestendige aanraking zijn. Het gedeeltelijk bezet houden van Bali ó waartoe zijne volmagt hem overigens ruimte liet ó lag dan ook evenmin in de bedoelingen van den generaal Michiels. Het blijkt uit alles, dat hij zich had willen vergenoegen met eene tuchti- ging der vorsten, die met ons in oorlog waren; dat hij sommige hunner des noods had willen onttroonen en hen alle had willen dwingen, zoowel tot de erkenning van on3 oppergezag, als tot het laten varen van zoodanige regten en gebruiken, als in strijd waren met de eischen der be- schaving en met de veiligheid, die wij, in de wateren van den archipel, verschuldigd waren te verzekeren aan koop- handel en scheepvaart.

Overigens was hij van meening, dat men den overwon- nen vorsten geene te zware voorwaarden moest opleggen en vooral niets van hen moest vorderen, waarvan de ver- vulling hunne krachten kon te boven gaan. De terugbeta- ling der gemaakte oorlogskosten, die, na drie veldtogten, tot een hoogst aanzienlijk bedrag gerezen waren, bleef dus bij hem geheel buiten aanmerking.

Er zijn redenen om te gelooven, dat de generaal Michiels den oorlog dien hij voeren ging, hoezeer hij hem in allen deele voor noodzakelijk en onvermijdeKjk hield, in zijne vroegste aanleidingen niet geheel en al als regtvaardig be- schouwde, en dat hij achting en sympathie gevoelde voor een volk, dat zoo krachtig voor zijne onafhankelijkheid streed. Men zal later zien, dat sommige daden van den generaal Michiels, door de aanwezigheid van dergelijke gevoelens, allezins worden opgehelderd.

Alvorens de militaire plannen van den generaal Michiels mede te deelen, zal het noodig zijn te vermelden, wat men destijds wist van de verdedigingsmiddelen der BaliŽrs.

Aan de werken van Djagaraga, die men als het palla- dium der vrijheid van Bali scheen te beschouwen, was en werd nog bestendig met spoed gearbeid. De borstwe- ringen werden zwaarder en de grachten dieper gemaakt, de afdaken tegen de uitwerking van ons werpgeschut werden verbeterd, het getal geschutstanden vermeerderd, vuurmon- den van Karang Assam en elders aangevoerd en het getal beletselen en hindernissen op alle toegangen verbeterd en uitgebreid.

Ook met het herstellen der versterkte linie van Singa radja, die van lieverlede in verval was geraakt, had men eenen aanvang gemaakt. Aan het westelijk gedeelte daarvan was, naar berigten, evenwel nog weinig gedaan.

In de omstreken van Kasoemba, Klonkong en Karang Assam waren, naar men beweerde, eveneens versterkingen opgeworpen.

Goesti Djilantiek hield zich veelal op te Djagaraga. Met spoed werd er gewerkt aan het vervaardigen van bus- kruid en wapenen; ook was er, in weerwil dat de blok- kade van het eiland gehandhaafd was gebleven , veel bus- kruid van buiten ingevoerd. Goesti Djilantiek had twintig gedeserteerde inlandsche soldaten van het Neder- landsche leger in zijne dienst, aan wie was opgedragen het onderhouden der wapenen en het oefenen in den wapen- handel, van een korps van geweren voorziene BaliŽrs.

De kennis die men van het terrein had , bepaalde zich tot hetgeen men in den vorigen veldtogt was te weten gekomen. De vijandelijke houding, waarin de bevolking zich tegen over onze bezetting te Bleling had geplaatst, was een hinderpaal geweest tot het doen van nadere ver- kenningen uit die schans en had ook veroorzaakt dat de generaal MiCHiELS zelf, tijdens zijn bezoek aldaar, weinig was te weten gekomen.

De volgende plannen waren echter door hem beraamd.

De eerste aanval zou op Djagaraga gerigt worden; de vijand scheen boven alles aan het behoud van die stelling te hechten en daartoe al zijne krachten te willen inspannen, haar verlies moest dus, hoezeer de verdere verdediging er in geenen deele onmogelijk door werd, aan de morele kracht van den vijand eenen onherstelbaren slag toebrengen. Voor Djagaraga bovendien hadden onze pogingen in het vorige jaar schipbreuk geleden; de vorst van Bleling had daar zijnen zetel gevestigd, na het nemen van Singaradja; daar was de zon onzer onoverwinnelijkheid beginnen te ta- nen, en daar moest derhalve, volgens de inzigten van den generaal, de eer onzer wapenen in al haren luister worden hersteld.

Het denkbeeld om den oorlog met de vermeestering van Klonkong te beginnen, was insgelijks in overweging geno- men geweest. Het beval zich aan door de omstandigheid, dat de Z. O. kust van Bali, waar men tot het volbrengen dier onderneming zou moeten landen, slechts tot ruim half Junij voor eene vloot veilig kon geacht worden en er dan ligtelijk te weinig tijd kon overblijven, wanneer men vooraf elders wat lang mogt worden opgehouden. Werden derhalve de operatiŽn in straat Lombok aangevangen, dan had men de maanden April, Mei en Junij daarvoor beschikbaar, terwijl Julij, Augustus, September en October over bleven om het rijk van Bleling ten onder te brengen. De geheele oost- moesson zou op die wijze achtereenvolgend aan de onderne- ming kunnen worden gewijd. Voorts was de Dewa Agong van Klonkong het hoofd der overige vorsten van Bali; was hij , tegen wien men zoo hoog opzag, eenmaal ten onder ge- bragt, dan zou vermoedelijk de vrees zich van de harten der andere radja^s meester maken, de band die hen aan hem hechtte zou althans verbroken zijn, en mogt de oorlog dan ook niet als met eenen slag geŽindigd wezen, de tegenstand die nog te overwinnen bleef, zou in ieder geval luttel zijn.

Daar tegen over stond echter, dat de Dewa Agong ook een geestelijk vorst was en dat het, na alles wat men van de godsdienstige begrippen der BaliŽrs wist, zwaar op hun geweten zou drukken, wanneer zij niet alles deden wat in hun vermogen was om hem tegen onzen toorn te beveiligen. Vorsten die thans nog onzijdig waren gebleven en andere die reeds onze partij hadden gekozen, zouden hem zeer waarschijnlijk toevallen en de tegenstand kon daardoor zůů groot worden, dat, wanneer hij onze krachten ook al niet te boven ging, wij toch aanmerkelijk verzwakt voor het hechte Djagaraga zouden zijn aangekomen.

Had men nu daarentegen eerst de vasallen en bondge- nooten van den Dewa Agong vernederd en vernietigd, had men het ontzag voor onze wapenen hersteld en het denk- beeld dat wij op den duur onverwinlijk waren, doen her- leven, door Djagaraga, wat bij de BaliŽrs voor onneembaar gold, te veroveren, dan was dit alles minder te duchten en kon de aanval op Klonkong met meer hoop op goeden uitslag worden ondernomen.

Djagaraga zou dus onzen eersten aanval hebben te door- staan en Bleling zou het punt zijn, van waar de generaal zijne krijgsverrigtingen zou beginnen.

Van Bleling zou hij snel oprukken tegen Singa radja om zich zoo mogelijk door een onverhoedschen aanval meester te maken van deze sterkte, die nog niet geheel en al was hersteld geworden. Daar hij den aanval op Djagaraga be- hoedzaam en stelselmatig wilde uitvoeren, achtte hij het be- zit van Singa radja en nabij gelegen kampongs noodig, om zijne troepen onder dak te brengen en de ontscheepte krijgs- behoeften te bergen.

De generaal meende voorts zekere berigten te hebben dat van Singa radja wegen liepen in eene oostelijke rigting, waarvan een hem op de linkerflank der stelling van Djaga- raga zou brengen en een andere tot in haren rug voortliep.

Langs deze wegen wilde hij Djagaraga te gelijker tijd, zoo wel in die linkerflank Ųls in den mg, aanvaUen. Hierdoor zouden de menigvuldige werken, die aan de zijde van Timor Sangsit de toegangen van Djagaraga beschermden, voor de verdediging dier plaats nutteloos worden. Het terrein tus- schen Singa radja en Djagaraga was echter nog volkomen onbekend, vermoedelijk zou het zeer bergachtig en doorsne- den zijn met diepe ravijnen en kleine bergstroomen, naauw- keurige verkenningen moesten dit later ophelderen. Daar de generaal zoo weinig mogelijk aan het toeval overlaten en slechts voet voor voet vooruitgaan wilde, zoo was hij er zelfs op bedacht, langs de lijn die hem van Singa radja naar Djagaraga voeren zoude, kleine versterkingen aan te leggen, waarbij de met kleimuren omgeven erven, die men in alle kampongs aantrof, zouden kunnen worden benuttigd. De artillerie en genie moesten alles in gereedheid hebben voor eenen geregelden aanval.

Ofschoon de stelling van Djagaraga ontegenzeggelijk zeer sterk was, meende de generaal dat hij, door den aanval te doen aan eene zijde, waar hij door den vijand niet werd verwacht, meer zou moeten kampen met moeijelijkheden hem door het terrein in den weg gelegd, dan met de hardnekkigheid der verdediging. Hij meende ook aan die zijde ligtelijk een punt te zullen vinden, wat de vijande- lijke werken volkomen beheerschte en waarvan de bezetting ten gevolge zou hebben, dat die werken geheel van hare kracht werden beroofd. Eene andere reden, die hij voor den goeden uitslag zijner plannen meende te mogen aan- nemen, was, dat hij de terugtogtslijn der BaliŽrs zou be- dreigen en dat een inlandsche vijand, al bevindt hij zich ook in nog zulk eene sterke stelling, zelden stand houdt, wanneer hij vermeent, dat zijnen aftogt kon worden ver- hinderd of de aanvoer van levensmiddelen ó zonder welke hij die nimmer magazijnen aanlegt; niet kan bestaan ó hem kan worden afgesneden.

Wij zullen later zien, dat de vooraf gevormde plannen van den generaal Michiels later belangrijke wijzigingen moesten ondergaan, en dat hij door den loop der omstan- digheden gedrongen werd, geheel anders te handelen, dan hij zich had voorgesteld.

DE VEROVERING VAN DJAGAEAGA.

Sterkte en zamcnstelling der expeditie. ó De infanterie en hare uitrusting en bewapening. ó De kavallerie. ó De artillerie. ó De genie. ó De geneeskundige dienst. ó De militaire inten- dance. -ó De koelies, ó De zeemagt. ó Aankomst der expe* ditie op de reede van Bleliug. ó Verkenningen in den omtrek van Bleling en naar Siuga radja. ó Gezantschap van Bleling. ó De vorst van Bangli schaart zich daadwerkelijk aan onze zijde ó Misverstand tnsschen den opperbevelhebber en den kommandant der zeemagt ó Het wordt door tusschenkomst van den gou- verneur generaal Rochussen voor goed uit den weg geruimd. ó Singa radja zonder tegenstand genomen en bezet. ó De troe- pen der expeditie worden aldaar verzameld en gelegerd. ó Nadere gezantschappen van de radja^s van Bleling en Karang Assam. ó Merkwaardige ontmoeting van den generaal Mi- CHIELS en den vorst van Karang Assam te Singa radja. ó De vorst van Karang Assam neemt , voor zich en voor den radja van Bleling , aan , zich te onderwerpen en de stelling van Dja- garaga aan ons over te geven. ó De generaal ontruimt Singa radja en kiest Sangsit tot punt van uitgang voor zijne kr^gs- verrigtingen. ó Redenen daarvan. ó Koodzakelijkheid van een centraal bureau voor topographie en militaire statistiek in Nederlandsch IndiŽ. ó Ontmoeting van den generaal met de radja^s van Bleling en Karang Assam te Sangsit. ó In het oog vallende en weinig goeds voorspellende verandering in de houding dier vorsten. ó Verkenning van Djagaraga. ó De uitslag daarvan doet een sterken twijfel rijzen van de opregt- heid der vorsten. ó De Nederlandsche troepen rukken in twee kolonnes op, om bezit te nemen van Djagaraga. ó Beschrij- ving der liniŽn van Djagaraga. ó Aanval op die stelling. ó Verrigtingen der eerste kolonne onder de leiding van den ge- neraal in persoon. ó Zij valt Djagaraga te vergeefs in het front aan en is verpligt tegen den avond eene achterwaartsche stelling te betrekken. ó Verrigtingen der tweede kolonne on- der de leiding van den luitenant kolonel de Brauw. ó Zij komt na eene moeijelijke en gevaarlijke marsch in den rag der vijandelijke stelling. ó Zij neemt daar eenige schansen in, en houdt er zich staande. ó Zij gaat, voor het aanbreken van den volgenden dag , op nieuw met goeden uitslag tot den aanval over. ó De eerste kolonne ondersteunt haar door eenen aanval in het front. ó De liniŽn van Djagaraga worden eindelijk, na eenen moedigen tegenstand genomen. ó ē Slotbeschouwingen.

De sterkte in zamenstelling der krijgsmagt, die be- stemd was de bedoelingen der Nederlandsch Indische regering ten aanzien van Bali te verwezenlijken, was als volgt :

De generaal majoor A. V. Michiels, opperbevelheb- ber en gouvemements kommissaris; De kapitein adjudant Jhr. Th. van Capellen, toege- voegd aan den gouvemements kommissaris ;

De 1ste luitenant bij de infanterie W. A. C. Abdesch en de 1ste luitenant bij de genie D. J. Łhlenbeek , adjudanten van den opperbevelhebber; De luitenant kolonel bij de infanterie C. A. de Bratjw , chef van den staf; De ridmeester S. van Stampa, sous chef van den staf; De kapitein bij de infanterie H. C. Staring, adjoint bij den staf; Mr. C. J. VAN Haastert, auditeur militair.

De infanterie bestond uit:

Het 8e bataillon, onder den luitenant kolonel J. Poland; Het 5e bataillon^ onder den luitenant kolonel A. H. Helbach ; Het 7e bataiUon, onder den luitenant kolonel B. P. J. A. LE Beon de Vexela; Het 13e bataillon, onder den luitenant kolonel J. van Swieten; Een korps hulptroepen, geleverd door de vorsten van Madura, Sumanap en Famakarsan, onder den gepensio- neerden kapitein J. Pieplenbosch. De sterkte der infanterie bedroeg : 116 Officieren, 1198 Europeanen, 536 Afrikanen, 2010 Inlanders, 1 Officier bij de hulptroepen van Madura^ 2 Europesche onderofficieren bij idem, 14 Inlandsche officieren bij idem, 300 Soldaten bij idem.

4177 hoofden te zamen,

2)e kavallerie bestond uit: Een peloton van 25 ruiters, onder den 2de luitenant T. A. Stein. De artillerie stond onder de bevelen van den luitenant kolonel A. Meis ; behalve veldgeschut, bevond zich daar- bij ook een belegeringspark. De veldartillerie , onder den majoor W. A. Kuijck, was zamengesteld uit eene batterij zesponders, gekomman- deerd door den kapitein E. J. Kelleemaj^, en eene bat- terij drieponder-berggeschut , gekommandeerd door den kapitein T. J. van Maanen. Het belegeringspark stond onder den kapitein J. Albeeti.

De artillerie bragt in het geheel te velde, een getal van 24 vuurmonden, waarover wij later in bijzonderheden zullen treden.

De genie had tot chef den luitenant kolonel A. H. Dib- BETZ en telde aan troepen : 4 Ofi&ciťren, 38 Europeanen, 109 Inlanders.

151 hoofden te zamen.

Be geneeshundige dienst had aan haar hoofd den dirige- renden officier van gezondheid G. "Wassink en kon be- schikken over een personeel van: 15 Officieren van gezondheid, 46 Europesche geemploijeerden en hosp. bedienden. 61 Inlandsche

122 hoofden te zamen.

De militaire intendance had tot chef den adjunct inten- dant M. VAN Weddingen en telde in het geheel : 7 Officieren, 2 Geemploijeerden van minderen rang. 9 hoofden te zamen.

De transportmiddelen bestonden uit 2000 koelies van het eiland Madura, terwijl nog 1000 koelies in de oos- telijke residentiŽn van Java in reserve werden ge- houden.

De landdmagt had alzoo eene totale sterkte van 273 offi- cieren en 4737 onderofficieren en soldaten, benevens ruim 2000 koelies.

De zeemagt, onder de bevelen van den vice admiraal J. P. Machielsen, aan wien was toegevoegd als adju- dant, de luitenant ter zee 1ste klasse F. A. A. Gregory, bestond uit : Z. M. fregat Prins van Oranje , kapitein ter zee J. F. D. BoTiRicius; Z. M. fregat de Rijn, kapitein ter zee F. A. Johb.; Z. M. fregat de Sambre, kapitein ter zee H. FerŲuson; Z. M. korvet Argo, kapitein ter zee C. van der Hart; Z. M. schoenerbrikken Banda , Ambon , Dolfijn en Banka, respectivelijk gekommandeerd door de luitenants ter zee 1ste klasse G. Vogelpoot, J. Dibbetz, C. J Berg- huis en J. J. Machielsen; Z. M. schoener Circe, gekommandeerd door den lui- tenant ter zee 2de klasse J. M. J. Brutel de la EiviŤre; Z. M. stoomschepen Hekla, Phoenix, Etna, Vesuvius, Samarang, Bomeo en Onrust, respectivelijk gekomman- deerd door den kapitein luitenant ter zee J. H. Stort, den luitenant ter zee 1ste klasse J. May , den luitenant ter zee 2de klasse J. G. de Man, de luitenants ter zee 1ste klasse H. Camp, J. D. Wolterbeek, Frazer en de luitenant ter zee 2de klasse J. A. Nieuwenhuyzen ; De civiele schoener Doris, gezaghebber J. B. Olyve Loubeiat; Twaalf kruispraauwen; Dus te zamen een getal van 29 groote en kleine oor- logsvaartuigen, voerende 286 stukken geschut; 301 mari- niers; 2012 Europesche en 701 inlandsche matrozen (1).

Hieraan waren nog toegevoegd, om tot ontschepingsmid- delen te dienen, 18 praauwen majang, zijnde platboomde zeilvaartuigen, en 16 laadschouwen, eveneens platboomde vaartuigen, die twee aan twee gekoppeld en voorts tot vlot- ten ingerigt konden worden, voor het aan wal brengen van paarden en geschut.

Voorts waren nog gehuurd 26 transportschepen, om te dienen zoowel tot het overvoeren van troepen, krijgsbe- hoeften, mondvoorraad en steenkolen, als om gebezigd te worden tot zieken- of hospitaalschepen.

De vloot, die naar Bali stevende, bestond derhalve in het geheel uit 89 oorlogs-, transport- en landingsvaartuigen.

Eenige bijzonderheden aangaande de hierboven vermelde krijgsmagt, laten wij hier nog volgen.

Be infanterie telde, ingevolge de formatie van die da- gen, bij ieder bataillon nog een tweeden hoofdofficier (ma- joor). Twee der bataillons, het 3e en het 13e, hadden reeds aan de expeditie van het vorige jaar deel genomen. Zij hadden destijds door ziekte en ^s vijands lood of staal veel geleden, doch waren sedert niet alleen weder voltallig gemaakt, maar zelfs respectivelijk met eene Afrikaansche en eene Europesche kompagnie vermeerderd geworden, zoo- dat ieder dier bataillons uit zeven kompagniŽn was za- mengesteld , en een aantal officieren en soldaten in zijne gelederen telde, die reeds met Bali en de vechtwijze der BaliŽrs bekend waren. Door het aanvullen en op groot kompleet brengen der bataillons, hadden zij daarentegen een goed aantal manschappen in hunne kaders moeten opnemen, die daaraan weleer vreemd waren. Voor zoo- veel de Europeanen betreft, had men daarbij moeten be- schikken over de pas onlangs uit Nederland gekomen suppletietroepen. De kaders zelve waren uit andere korp- sen aangevuld geworden ; sommige bataillons hadden nieuwe kommandanten bekomen; bij een bataillon zelfs waren de beide hoofdofficieren, kort voor het vertrek der expeditie, verwisseld geworden, en de kommandant ge- tuigde, dat de meeste officieren aan hem en aan elkander vreemd waren. De eigenaardige zamenstelling, die het Indische leger noodwendig heeft moeten erlangen, en de groote verliezen, waaraan het bij voortduring is blootge- steld, zullen bij de korpsen, die het vormen, reeds van zelven eene bestendige verwisseling en vernieuwing van per- sonen ten gevolge hebben. Dat daaruit een aantal nadee- len moeten voortvloeijen, niet alleen voor de geoefendheid der troepen, maar vooral ook voor het esprit de corps, voor den geregelden gang der dienst en voor eene goede verpleging te velde en op bivak, is voor geen militair een geheim. Men had deze nadeelen, die in IndiŽ van zelf groot genoeg zijn, derhalve niet nog moeten vergrooten, gelijk bij het zamenstellen dezer expeditie is geschied, door het verwijderen uit de korpsen van Indische landaarden, waarin de opperbevelhebber minder vertrouwen stelde, het daarbij indeelen van anderen, waarover hij bij voorkeur wenschte te beschikken, en het verwisselen der officieren, naarmate hij ze voor meer of minder bruikbaar hield.

Wanneer men alles zamenvat en overweegt, wat wij over de zamensteUing der korpsen infanterie gezegd heb- ben, dan zal men bij het lezen van ons verhaal nog meer op prijs stellen wat door hen is verrigt , maar dan zal men ook tevens met een der zeer vermoedelijke oorzaken bekend zijn van het groot aantal zieken dat die korpsen telden, nadat zij slechts eenen korten tijd waren te velde geweest.

De uitrusting der infanterie en der troepen in het al- gemeen, was vůůr het vertrek uit het garnizoen zeer ver- eenvoudigd geworden. De schakot en lakensche kleeding waren in de magazijnen ingeleverd en zij droegen dus bestendig eene kwartiermuts, met een blaauw linnen mouw- vest en pantalon. Ieder man was voorzien van een lin- nen broodzak, tot het medevoeren der onontbeerlijkste kleedingstukken tot verwisseling en van verdere benoo- digdheden; hij had eene veldflesch en eene katoenen sprei, die en bandonliŤre over den schouder gedragen werd. De infanterie had, behalve hare gewone wape- ning, ruim 200 kapmessen of klewangs per bataillon, voorwerpen, die zeer geschikt waren tot het opruimen van heggen en tot het bewerken van bamboe. Voorts was ieder man nog uitgerust met een lederen kleeding- tasch of randsel, die de rest zijner uitrusting bevatte; maar deze moesten met de kapotte tassen der Europeanen en een legmatje met lederen hoofdkussen per man, aan boord blijven tot tijd en wijle aan de troepen meer rust en meer bepaalde standplaatsen konden gegeven worden.

Gedurende de reis moest door de infanterie en ook door de andere korpsen, ieder naar mate van zijne sterkte, een zeker aantal stormladders en tandoe^s of draagbaren voor zieken en gewonden , naar een bepaald model , wor- den vervaardigd. De grondstoffen, bamboe en atap, waren daartoe aan boord der schepen voorhanden.

Kookketels en verdere benoodigdheden, tot het bereiden der maaltijden voor de troepen, waren bestemd om door koelies te worden medegevoerd.

Ieder infanterist eindelijk was voorzien van 50 patro- nen, die hun echter eerst bij het ontschepen werden uit- gereikt.

De kavallerie kon uit den aard der zaak op een zoo moeijelijk terrein, als men te Bali zou vinden, niet be- stemd zijn, om aanvallend te handelen. Men wilde haar bezigen tot het doen van eskorten enz. en daarop was hare sterkte dan ook slechts berekend. Hare uitrusting was, even als die der overige korpsen, zoo eenvoudig mo- gelijk gemaakt.

De artillerie. Bij de zamenstelling van dat wapen was men vooral bedacht geweest, om het te voorzien van ó voor IndiŽ ó zwaar geschut. Eene goede hoe- veelheid worpgeschut werd almede hoogst doelmatig ge- acht, om gebezigd te worden tegen sívijands versterkin- gen, die door eene overstelping met vertikaal vuur wel- dra ontruimd zouden moeten worden.

Met de dikte der vijandelijke borstweringen was men wel is waar onbekend, doch men geloofde toch, met hou- witzers van 15 dm. en des noods ook met die van 12 dm. bres te kunnen schieten.

Deze overwegingen hadden aanleiding gegeven tot de volgende zamenstelling der artillerie.

De veldbatterij bestond uit 4 kanons en 4 houwit- zers , 12 dm., met hunne voorwagens; voorts uit 4 mu- nitie-voorwagens voor kanon en even zoo veel voor hou- witzers, zoodat, in stede van twee, slechts ťťne linie reserve munitie-voorwagens de batterij zoude volgen.

Verder behoorden nog tot het materieel der batterij : 2 voorraadaffuiten met voorwagens, van welke de eene gepakt was met munitie voor kanon en de andere met munitie voor houwitzers; 3 voorraadwagens en een smids- wagen.

De bergbatterij bestond uit 4 kanons en 2 mor- tieren k 11|- dm. De mortieren, benevens de munitie voor de geheele batterij, zouden op draagpaarden worden vervoerd.

Het belegerings- en reservepark bestond uit twee lange houwitzers Ť. 15 dm. met daarbij behoorende voorwagens; 4 mortieren Ť. 20 dm. en 4 mortieren &. 11^ dm. Het was ruim voorzien van munitie, en voerde bovendien nog mede ten dienste van andere wapens of tot het aanleggen van mijnen en het geven van seinen: 900 ^ buskruid; 1,000,000 scherpe geweerpatronen; 500 dito voor kara. bijnen; 2000 voor pistolen; 1,250,000 slaghoedjes en 60 seinvuurpijlen. De ontstekingsmiddelen voor mijnen werden door de genie medegevoerd.

Hoezeer door artillerie-officieren, die de vorige expeditie hadden bijgewoond, werd beweerd, dat de wegen op Eali het vervoer van ligt veldmaterieel allezins vergunden, zoo waren toch maatregelen genomen en oefeningen ge- houden, om dat materieel des noods ook met menschen- handen te kunnen brengen waar men het noodig achtte. Ook waren de munitiŽn, die niet in de voorwagens waren opgenomen, in waterdigte kisten gepakt, die ieder door twee of vier koelies konden worden gedragen.

Het personeel was uitgerust als bij de infanterie.

Be genie was ruim voorzien van alles wat noodig was tot het slaan van bruggen en wat strekken kon, om de vijandelijke werken bedekt te naderen. Men had proeven genomen aangaande de indringing van buskogels in op- eenstapelingen van bamboezen fascines en o. a. bevonden, dat een walbuskogel, die op 50 Ť. 100 Ned. ellen daarte- gen werd afgeschoten, slechts twee palmen diep naar binnen drong.

Te Soerabaya was bijeengebragt en gereed gemaakt alles wat gevorderd werd tot het daarstellen van een rameau met mijnoven in het talud eener borstwering. Ook was daar alles vervaardigd, wat noodig was om de laadschou- wen te koppelen, met een dek te beleggen en zoodoende tot vlotten in te rigten.

De geneeskundige dienst was zeer doelmatig georga- niseerd. Twee gehuurde schepen waren door den chef over die dienst, de dirigerende officier van gezondheid G. Wassink, op eene uitmuntende wijze tot hospitaalsche- pen ingerigt. Men rekende daar 180 lijders te kunnen behandelen, waaronder 14 officieren; zij waren ruim- schoots voorzien van allerlei ververschingen en boden alle gemakken aan, die men er met mogelijkheid had kunnen daarstellen. Eene groote hoeveelheid ziekenkleeding ver- gunde eene gepaste reinheid in acht te nemen. Een der transportschepen was bovendien van het noodige voorzien, om later tot het evacueren van zieken gebezigd te kunnen worden.

De ambulance was even doeltreffend ingerigt. Zes draag- paarden waren bestemd, om ieder eene goed ingerigte me- dicijnkist, met instrumenten, verbandlinnen enz., mede te voeren. Bovendien was ieder officier van gezondheid voorzien van eene veldtasch, die soortgelijke zaken be- vatte, en door een koelie kon worden gedragen.

Be militaire intendance had voor vier maanden levens- middelen verzameld en doen inschepen, met alles wat verder kon strekken de troepen te velde zoo goed moge- lijk te verplegen. Zij had het hare bijgedragen tot het doeltreffend inrigten van transport-, hospitaal- en evacuatie- schepen. Er was op gerekend aan wal een magazijn van levensmiddelen te vormen, en behalve de mondbehoeften 2elve waren de noodige voorwerpen daartoe medegeno- men. De aanvulling zou uit Soerabaya geschieden, wan- neer dit later noodig mogt blijken. Ten dienste van het vervoer te land waren de levensmiddelen reeds, eer zij ingescheept waren geworden, gepakt in vrachten, die door twee koelies konden gedragen worden. Een veldpost was georganiseerd, en stond onder be- heer der militaire intendance.

Koelies. Op Java reeds was den offcieren bekend ge- maakt, dat zij zelf, gedurende den veldtogt, in het ver- voer hmmer bagage moesten voorzien. Ieder hunner ont- ving, naar zijnen rang, eene schadeloosstelling in geld, waarvoor hij zich vaste koelies moest huren. De majoor J, Vertholen, adjudant van den gouverneur generaal en inspecteur van de schutterijen enz., was naar het eiland Madura gezonden geweest, om de levering der koelies, met de vorsten aldaar, te regelen. Hij had zich bij uitstek van zijne taak gekweten, daar het gewenscht aantal niet alleen werd gegeven, maar de koelies daarenboven ook geregeld onder mandoers en andere hoofden waren gesteld gewor- den, zoodat men vertrouwde met orde in hunne verpleging en het verdeelen hunner werkzaamheden te kunnen voor- zien. De vorsten van Madura en van Sumanap hadden zelfs ieder een hunner zoons aan het hoofd der door hen gezonden koelies geplaatst. Een officier van het leger had het toezigt en het beheer over het geheel. Al de pogingen van den luitenant kolonel Vertholen hadden echter niet kunnen beletten, dat de mindere hoofden op het eiland, die de koelies op bevel hunner vorsten moes- ten leveren, in hun eigen belang, de krachtigste lieden hadden teruggehouden voor het verrigten van den veldar- beid en bij voorkeur andere, ziekelijken en zwakken, naar Bali hadden gezonden. Het bleek dan ook bij een genees- kundig onderzoek, dat weinige dagen na hunne aankomst aldaar plaats had, ó op 10 April ó dat er zich 77 ge- heel onbruikbare onder bevonden en dat wel der ove- rige, door zwakte en verouderde gebreken, in zulk eenen deemiswaardigen toestand verkeerde, dat daarvan weinig dienst was te wachten.

Gelukkig was aan den heer H. J. Sbvebijn Haesebeoek opgedragen geweest, met de residenten van Soerabaya, Kediri, Eembang, Pasoeroean en Bezoeki, het vormen eener reserve van 1000 koelies te regelen, en hij was, ge- lijk later zal blijken, geheel naar wensch in zijne pogin- gen geslaagd.

Be zeemagt was ruim voorzien van groote schepen. Men stelde zich wel is waar niet voor, dat de batterijen dezer schepen van nut zouden zijn tegen de vijandelijke versterkingen, dewijl deze daartoe te ver binnen 's lands gelegen waren , maar behalve de indruk, die het verschij- nen van zulk eene magtige vloot op de BaliŽrs moest maken , waren deze schepen van groote dienst tot het overvoeren der troepen, en konden zij, door hunne sterke bemanningen, de landmagt des noods ondersteunen, wan- neer deze door omstandigheden verzwakt geraakt of die hulp, om andere redenen, noodig had. De kleinere oor- logsvaartuigen konden grootendeels slechts tot vertoon van magt en tot het ontmoedigen van den vijand dienen. De menigvuldige stoomschepen, aan de expeditie toege- voegd, bewezen daarentegen onmiddeUjke en hoogst gewig- tige diensten, niet alleen door zelve met spoed troepen en materieel op een aangewezen punt der kust te bren- gen, maar ook door in deze moeijelijke vaarwaters de transport- en andere zeilschepen behulpzaam te zijn in het bereiken hunner bestemmingen.

Het ont- en wederinschepen der expeditie, met alles wat er toe behoorde, eene verrigting, die op de kusten van Bali zeer moeijelijk en soms gevaarlijk is, had door de zorgen der zeemagt zonder tegenspoeden of oponthoud plaats; hare bemanningen hebben met moed en ijver aan de oorlogsbedrijven te land deel genomen, en zij heeft over het algemeen de beste diensten bewezen en veel bijge- dragen tot het welslagen der onderneming.

Nadat de generaal Michiels, zoowel te Samarang en Soerabaya, als te Batavia, de troepen der expeditie in ©ogenschouw genomen, en door zijne persoonlijke tegen- woordigheid veel had bijgedragen tot de goede en vaar- dige regeling van een aantal zaken, vertrok hij met zijnen staf aan boord van Z, M. stoomschip Etna naar Bleling en liet aldaar op den 28 Maart het anker vallen. De expeditie was in drie eskaders, van de drie hoofdplaatsen van Java, vertrokken, en had bevel haren togt zoodanig te regelen, dat zij zoo mogelijk kort voor, of uiterlijk op. den 1 April voor Bleling vereenigd was. Ten einde onze plannen zoo min doenlijk te verraden en den indruk van het verschijnen eener zůů geduchte vloot te verhoogen, waren de maatregelen zoodanig genomen, dat al de schepen na- genoeg te gelijker tijd op huime bestemming konden zijn. De eskaders van Batavia en Samarang hadden zich daartoe verzameld en vereenigd bij het eilandje GiUang, ten oosten van Madura. Het eskader van Batavia moest vooraf het anker laten vallen voor Timor Sangsit en daar gedurende 24 uren verblijven, ten einde den vijand te mislei- den aangaande het door ons gekozen punt van aanvaL Mogt dit eskader door onvoorziene gebeurtenissen vroeger voor Bleling zijn aangekomen dan de opperbevelhebber, dan moest de luitenant kolonel van Swieten, oudste hoofdofficier der expeditie, die zich daar met zijn batail- lon ó het 13e ó aan boord bevond, terstond eene voorwaartsche beweging maken tegen Singa radja en die plaats door verrassing trachten te nemen. De noodige voorschriften waren hem daartoe gegeven, maar aange zien de generaal de eerste was, die te Bleling aankwam, behoefden zij niet te worden uitgevoerd. De generaal vond te Bleling, gelijk wij zien zullen, zelfs aanleiding om van de vertooning voor Timor Sangsit af te zien, zoodat hij met een stoomschip tegenbevel zond en zijne troepen zoodra mogelijk onder zijne oogen vereenigde. In den namiddag van den 2 April was dan ook de ge- heele vloot, op geringe uitzonderingen na, voor Bleling ten anker gekomen.

De gťneraal zond al dadelijk na zijne aankomst zijneni chef van den staf, de luitenant kolonel de Buauw, met een paar officieren aan wal, om, met behulp der bezetting van Bleling, de eenige troepen die voorloopig beschikbaar waren, eene zoo naauwkeurig mogelijke verkenning te doen van de stelling te Singa radja. De luitenant kolonel de Bratjw vond alles in den omtrek onzer schans stil en rustig; volgens berigten van den kommandant zouden nu en dan sterke vijandelijke patrouilles de omliggende kam- pongs bezoeken, maar overigens de geheele weerbare be- volking naar Djagaraga zijn getrokken. Singa radja was , naar men beweerde, met 4000 man bezet, en was dit be- weren juist, dan zou eene verkenning, met ten hoogsten 120 man ondernomen, vermoedelijk weinig kunnen uit- rigten.

Zij werd niettemin den volgenden morgen ó 29 Maart ó ondernomen.

Even voor zes ure reeds was de Beauw met zijne 120 bajonetten binnen de onbewaakte linie gedrongen. Hij vond de versterkingen daar, waar zij den grooten weg doorsneden en verder naar de oostzijde, in goeden staat; de borstwering was 2.5 Ned. ellen hoog, de grachten 4 Ť. 5 ellen breed en diep. Er waren digte en zware heggen aanwezig op den buitengrachtsboord en berm; voor de gracht lagen verscheidene reijen wolfskuilen. Hier was de linie derhalve stormvrij ; maar meer naar de westzijde waren, ťn gracht, ťn bostwering in eenen vervallen toe- stand en de heggen gedeeltelijk uitgeroeid. Daar kon bijgevolg eenen storm gelukken. Het terrein voor de borstwering was echter zeer moeijelijk en bestond uit op- loopende natte rijstvelden, waarop het gewas tot halve rijpheid was gekomen. Ware er gelegenheid geweest zich met ongeveer 100 man in de linie vast te nestelen, dan zou DE Bratjw daartoe zonder aarzelen zijn overgegaan. Die gelegenheid bestond echter niet, en hoewel zich niet meer dan een vijftigtal gewapende BaliŽrs in de verte ver- toonden , werd het zeer gewaagd geacht zulk eene geringe magt, als men vermogt af te zonderen, hier zonder eenige dekkingsmiddelen en bijna in het open veld achter te laten. Men had zich echter overtuigd, dat een coup de main alle kans van slagen had, en er schoot niets over dan daartoe later over te gaan. De Brauw keerde der- halve met de zijnen naar Bleling terug.

De opperbevelhebber had met de Etna intusschen, ge- durende de verloopen 24 uren, eene reis naar Banjoewangie gedaan, om den kapitein adjudant Jhr. van Gapellen, die zich daar ophield, af te halen. Tevens had hij van daar naar Bali willen medenemen een gezantschap van den radja aan Bleling, dat hij slechts in het gebied van dien vorst wilde te woord staan. Het gezantschap was door den heer van Capellen bereids naar Bali teruggen zonden, doch had eenen brief van den radja achtergela- ten , die echter weinig meer dan algemeene bewoordingen en uitvlugten bevatte. Van meer gewigt waren evenwel de overige tijdingen , die te Banjoewangie werden verno- men. De vorst van Bangli had het verzoek gedaan, om, terwijl wij in het Blelingsche oorloogden, eenen inval te mogen doen in het landschap Batoer, dat hem vroeger door Bleling was ontnomen, ten einde zich daarvan op nieuw meester te maken. Daar hij alzoo in den rug onzer te Djagaraga opgestelde vijanden werkzaam zou zijn, werd hem dit verzoek ingewilligd. Voorts vernam men, dat te Pee- temoe, westelijk van Singa radja, 5000 man Blelingsclie troepen waren gelegerd, die de bestemming hadden ons, bij het voorwaarts trekken, in den rug te verontrusten. Dit laatste bragt evenwel geene verandering te weeg in de gemaakte plannen , want men begreep te regt, dat die 5000 man, waren zij door onze troepen slechts eenmaal gescheiden van hunnen vorst en den goesti Djilantlek , wel van zelve zouden verloopen. De latere gebeurtenissen hebben dit vermoeden bevestigd; althans men heeft later nimmer verder iets van die 5000 man vernomen.

Zoodra de generaal Michiels van zijnen chef van den staf vernam, in welken staat de werken van Singa radja zich bevonden, achtte hij het van het hoogste gewigt, den vijand geen tijd te geven die te herstellen. Hij had echter zelfs den volgenden dag ó 30 Maart ó nog geene troe- pen ter zijner beschikking, om ze al dadelijk te doen be- zetten, en besloot derhalve van de vertooning voor Timor Sangsit af te zien, en, gelijk gezegd is, het Bataviaasch eskader, van welks nadering men berigt had, terstond voor Bleling te doen ankeren. Het fregat de Prins van Oranje, tot dit eskader behoorende , en aan welks boord de kom- mandant der zeemagt zijne vlag had geheschen, was het eerste aldaar aangekomen. Daar het zich liet aanzien, dat de overige schepen de reede niet voor den nacht zou- den bereiken en de generaal, zoo mogelijk in den vroegen morgen van den 31 , zijne plannen ten aanzien van Singa radja wilde ten uitvoer leggen, liet hij aan den kom- mandant der zeemagt verzoeken, den anderen morgen de beide kompagniŽn infanterie, die op het fregat waren in- gescheept, tijdig naar wal te zenden en die te versterken door eene landingsdivisie van 250 matrozen en mariniers. De vice admiraal Machielsen meende echter, ongeacht de volkomene gegrondheid van des generaals inzigten en wenschen, naar aanleiding van ministeriŽele voorschriften, niet bevoegd te zijn ook matrozen te ontschepen , en stelde derhalve slechts 80 mariniers ter beschikking van den opperbevelhebber. Groot was de teleurstelling van deze; hij kon wel is waar, door de tijdige komst van andere schepen , nog op denzelfden 31 Maart , aan zijne plannen gevolg geven, maar de zoo noodwendige goede verstand- houding, tusschen hem en den kommandant der zeemagt, had Äen gevoeligen knak ondergaan.

Daar de militaire rang van den kommandant der zee- magt hooger was dan die van den opperbevelhebber, zoo moest hunne verhouding reeds van zelve van zeer teederen aard zijn. De gouverneur generaal had het bevel over de voor Bali bestemde vloot, gaarne aan een officier van minderen rang opgedragen, ten einde deze geheel en al onder de bevelen van den generaal Michiels te kunnen stellen, maar de regten van den kommandant der Indische zeemagt waren, in voorschriften van het opperbestuur, zoodanig afgebakend, dat zonder zijne toestemming daar- toe niet kon worden overgegaan. Daar de vice admiraal Machielsen nu begeerd had zelve de zeemagt in de wate- ren van Bali te kommanderen, moest men aan die begeerte toegeven en zich vergenoegen zoowel hem als de opper- bevelhebber der expeditie, tot het handhaven eener goede verstandhouding, aan te sporen. Het verbreken daarvan kon hoogst nadeelig op den verderen gang der zaken werken; maar de menschkundige wijze, waarop de gouver- neur generaal Eochussen, bij het ontvangen der klagten van den generaal Michiels, tusschenbeiden trad, had ten gevolge, dat het dreigende gevaar werd afgewend en voortaan eene gewenschte overeenstenmiing bleef heerschen.

In den vroegen morgen van den 31 Maart stonden aan het strand van Bleling vier kompagniŽn van het 7e bataillon infanterie, gekommandeerd door den luitenant kolonel le Bron de Vexela, en 120 mariniers, te zamen ruim 700 hoofden, geschaard. Met de 3 ^ bergbatterij rukten deze troepen, onder bevel van genoemden hoofd- officier, naar Singa radja op en marcheerde de versterking, zonder den minsten tegenstand, binnen. De chef van den staf , die hen geleidde , merkte op , dat de vijand sedert de gemaakte verkenning aan den arbeid was geweest en op verschillende plaatsen herstellingen had gemaakt; het bleek derhalve, dat spoed hier meer dan noodzakelijk was geweest. Naarmate nu de overige schepen ter reede kwamen, werd met ijver voortgegaan met het aan wal brengen van troepen, koelies, paarden, materieel^ munitie, levensmid- delen en slagtvee. De troepen begaven zich achtereen- volgend naar Singa radja; den 2 April reeds konden de ontscheepte mariniers van daar naar boord terugkeeren en op den 4 waren al de troepen er vereenigd. Alleen het belegerings- en reservepark was op last van den opperbe- velhebber, met het daartoe behoorend personeel, voor- loopig aan boord gebleven. De opperbevelhebber had zijn hoofdkwartier in den sedert 1848 ontruimden vorste- lijken kraton gevestigd. Hij had thans, de kaders mede- gerekend, ruim 7000 hoofden rondom zich vereenigd; voor dit alles was in het uitgestrekte, maar geheel door de inwoners verlaten Singa radja, ruimte en huisvesting in overvloed aanwezig. Al dadelijk was men begonnen die plaats geheel in te rigten tot een punt van uitgang voor verdere krijgsverrigtingcn. De gemeenschap met het strand werd verbeterd en verzekerd door het slaan van brug- gen en het in goeden staat brengen der wegen ; er werden maatregelen genomen tot het bouwen eener redoute , het daarstellen van een hospitaal en het inrigten van berg- plaatsen voor materieel, oorlogs- en mondbehoeften. Het doen van verkenningen werd daarbij niet verzuimd, doch van den vijand zag men niets ; men vernam slechts , dat hij al zijne krachten te Djagaraga had verzameld, en ont- waarde zijn aanzijn alleen door het droogloopen der wa- terleidingen, die hij hooger in het gebergte had opgestopt, tot groot ongerief ,van de menigvuldige menschen en paarden, die te Singa radja waren vereenigd.

Intusschen hadden er gebeurtenissen plaats, die duidelijk verrieden, dat de BaliŽrs al deze voorbereidingen tot eenen aanval op hunne hoofdstelling, niet zonder onge- rustheid aanzagen.

Wij hebben reeds gemeld, dat te Banjoewangie een gezantschap van den vorst van Bleling was aangekomen, en dat de generaal geweigerd had, het elders dan in het gebied van dien radja te woord te staan. Op den 31 Maart, denzelfden dag waarop onze troepen binnen Singa radja waren getrokken, kwam het zich te Bleling aanmelden, en bragt namens zijnen vorst verzekeringen van trouw, vriendschap en onderwerping aan het gouverne- ment. De radja van Bleling zou, volgens mededeeling der gezanten, slechts wenschen teregt gewezen te worden, hoe hij het gouvernement kon bevredigen.

De generaal gaf in korte en kernachtige bewoordingen tot bescheid, dat hij geene briefwisseling wenschte te ope- nen, dat geene onderhandelingen den voortgang der krijgs- verrigtingen zouden stremmen en hij al zoodanige punten door zijne troepen zou laten bezetten, als hij nuttig achtte; dat hij evenwel geene dadelijke vijandelijkheden zou laten plegen, zoo lang de bevolking rustig en lijdzaam bleef, en dat hij overigens niets anders dan eene ontmoe- ting met den radja in persoon, ter plaats waar de gang der zaken hem mogt brengen, als een geldig bewijs van vredelievende gezindheid kon aannemen.

Den 2 April verscheen te Bleling een nieuw gezant- schap, uit personen van hoogeren rang dan het vorige za- mengesteld. Het bragt, namens de radja^s van Bleling en Karang Assam, het verzoek over, den opperbevelhebber te Sangsit te mogen ontmoeten en overhandigde tevens eenen brief voor den gouverneur generaal. Stijl en taal van dezen brief waren zeer voegzaam en hij bevatte zelfs eene erkenning onzer souvereiniteit , iets wat tot nog toe bestendig achterwege was gebleven. De generaal weigerde dit gezantschap te ontvangen, maar liet eenvoudig ten antwoord geven, dat hij de radja^s nergens dan in onze redoute te Bleling of in zijn legerkamp te Singa radja kon wachten; hij liet hun voorts in hun belang raden, die ontmoeting niet te lang uit te stellen , dewijl , na het beginnen der vijandelijkheden, al ware het ook door onze bondgenooten , bijv. den radja van Bangli , de ver- overde landschappen voor goed zouden verloren zijn.

Dit scheen indruk te maken, want reeds den volgen- den dag kwamen gezanten van den hoogsten rang ó alle ida^s ó het berigt brengen, dat de radja van Karang Assam en de rijksbestuurder van Bleling, goesti DniiANTiEK, zich des anderen daags, zijnde den 4 April, te Singa radja bij den generaal zouden vervoegen. De gezanten vroegen voor de beide personagien de vergun- ning, zich door eenige gewapende volgelingen, waarvan het getal door hen op ongeveer 1500 man werd geschat, te doen verzeilen. De generaal antwoordde hierop dat zij zooveel volgelingen konden medebrengen als zij ver- kozen en dit antwoord, door de BaliŽrs letterlijk opge- vat, gaf aanleiding tot eene ontmoeting, tusschen twee vijandelijke legerbenden, van zoo zeld^amen aard, dat de krijgsgeschiedenis daarvan welligt geen ander voorbeeld kan aanwijzen. Eene ontmoeting overigens, waarvan de bijzonderheden evenzeer getuigen voor de krijgstucht der onzen, als voor die, welke goesti Djilantiek aan de zijnen had weten in te prenten.

Aangezien de waterstand in de rivieren , in den nacht tusschen den 3 en 4 April, door zware regens, die in het gebergte gevallen waren, plotseling zeer was toege- nomen, en de bereids in de nabijheid van Singa radja door ons geslagen bruggen, door de kracht van den bandjer waren weg gerukt , was het, ten gevolge der ge- stremde gemeenschap, onmogelijk de ontmoeting op den bepaalden dag te doen plaats hebben. Eerst den 7, toen het water voldoende gedaald en de bruggen hersteld waren, kon zij voortgang hebben.

Twee bataillons infanterie met de batterij 6 ponders, stonden in de groote breede straat, die de kampong Singa radja doorsnijdt, in linie geschaard, terwijl de beide andere bataiUons aan het einde dier straat, die amphitheatersgewijze opliep, in geslotene kolonnes ston- den en de bergbatterij voor zich hadden. Binnen den ringmuur van den kraton, waar de generaal zijn hoofd- kwartier had en de vorsten zou ontvangen, waren twee kompagnien infanterie opgesteld. De generaal was bij de ontmoeting omringd door een talrijken stoet van officie- ren, slechts voor hem en voor den vorst van Karang Assam waren stoelen geplaatst, de goesti Djilantiek moest, even als de overige aanzienlijke BaliŽrs die tegen- woordig waren, op den grond plaats nemen.

Het bevel over de troepen was opgedragen aan den luitenant kolonel van Swieten, die de noodige maatre- gelen genomen had, niet alleen om met die troepen eene indrukwekkende vertooning te maken, maar ook om des noods met kracht tot het gebruik der wapenen zijne toevlugt te kunnen nemen.

Tegen een uur werd de komst eener sterke voorhoede van BaliŽrs aangekondigd; de kapitein adjudant Jhr. van Cafelusn werd daarop met het peloton ruiterij afge- zonden, om den vorst aan deze zijde der rivier te ont- vangen en naar den kraton te geleiden. De meeste stilte werd der troepen aanbevolen, en ten einde alle misver- stand voor te komen , werd bevolen hoegenaamd geene eer- bewijzingen te doen. Een uur later waren reeds 8000 man, met lansen en geweren gewapend, binnen de kampong getrokken, en nog kon men het einde niet zien van den stoet, die den vorst vooraf ging. Bij menigeen be- gonnen duistere vermoedens te rijzen over den rustigen afloop der zamenkomst; men verdacht de BaliŽrs wel niet van trouwelooze voornemens, zij wisten immers niet welke maatregelen door ons waren genomen en die maatregelen konden even goed zoodanig zijn, dat zij in eenen strik gevallen waren , als van eenen aard , om hen te vergun- nen ons eenig kwaad te berokkenen, maar men besefte, dat de minste misvatting aanleiding vermogt te geven tot botsingen, waarvan de gevolgen allerschromelijkst konden wezen. Zoo deed bijv. het schouderen en "af- zetten der geweren bij het 13e bataillon, reeds eenige opschudding onder de BaliŽrs ontstaan, vele wilden vlug- ten en andere velden hunne lansen, tot zij gewaar werden, dat hunne vrees geheel zonder grond was. Er was overigens aan de zaak thans geene andere wending meer te geven; men kon den verderen stoet van den vorst niet afwijzen, het was nu boven alles zaak, hem zelf binnen Singa radja te laten komen, en de gene- raal was bovendien door zijn eens gegeven woord ge- bonden. Welligt ook dat de sympathie, die hij eeniger- mate voor de BaliŽrs gevoelde, hem deed gelooven, dat zij veilig op eene ridderlijke wijze konden worden bejegend.

Omstreeks ten drie ure na den middag, naderde ein- delijk de radja van Earang Assam in persoon met den goesti -Djilantiek, en toen de laatste man van hun ge- volg de kampong was binnen getrokken, kon men het geheel aantal gewapende BaliŽrs wat zich daar bevond, veilig op 10 Ť. 12000 man schatten. Allen werden zon- der moeite op 10 of 12 passen afstands tegen over de beide in bataille geschaarde bataillons opgesteld ; zij ston- den op 5 en 6 gelederen en bovendien waren alle aan- grenzende dwarsstraten met volk opgevuld. Zij waren alle gewapend met 12 Ť. 14 voet lange en rood geverwde lansen; misschien zullen zij 1500 geweren hebben be- zeten van allerlei vorm en maaksel. Onze krijgslieden herkenden daaronder de geweren hunner kameraden, die in den vorigen veldtogt gesneuveld waren, en ook eene walbus, benevens het jagtgeweer van den kapitein Dostal, die toen insgelijks eenen eervollen dood had gevonden. In hun midden voerden zij een groot geel vaandel, met zwarte karakters beschilderd.

De vorst van Karang Assam was een man van mid- delmatige lengte en omstreeks dertig jaren oud; zijne gelaatstrekken kenschetsten den man van hoogeren stand, maar de uitdrukking daarvan was weinig beteekenend en duidde hoegenaamd geene geestkracht aan. ó De goesti Djilantiek had eene fraaije gestalte en een welgevormd ovaal aangezigt, met een regte niet breede neus; zijn gelaat ofschoon het voor den oogenblik onderwerping te kennen gaf, verried vasten wil en zielskracht, zijn blik was sluw en zijne gebaren levendig. ó De kleeding van beide was nagenoeg dezelfde : een rood merinos baadje , rijk met gouden en diamanten knoopen bezet, eene witte zeer korte broek, verder ontbloote beenen, en een van gouddraad gewerkte gordel, waarin eene kostbare kris stak ;^ om het hoofd, waarvan de haren sierlijk krulden, droegen beide eene smaUe strook wit linnen, waarin dť vorst een klein groen takje, en de goesti eene roode bloem (kumbang sapatoe) gestoken had. De priesters die hen in groote menigte verzelden, waren alle oude grijze lieden, met een eerbiedwaardig voorkomen, die op de- zelfde wijze, doch minder rijk, gekleed waren.

De radja, benevens de goesti en ongeveer 300 gewa- pende volgelingen, traden den kraton binnen. De radja nam plaats tegenover den opperbevelhebber en de overige hurkten naar: inlandsche wijze op den grond neder.

De vorst van Karang Assam nam vervolgens het woord en vroeg vergiffenis, zoowel voor zich zelven als voor den radja van Bleling, zijn broeder. Hij gaf de verze- kering dat zij beide niets liever wenschten, dan zich aan het gouvernement te onderwerpen, en al de voor- waarden na te komen, die men hun mogt willen voor- schrijven.

De opperbevelhebber eischte daarop van hen het na- volgende:

Geheele erkenning van het oppergezag van het gouver- nement over hunne rijken;

Het ontruimen en aan hem overgeven der versterking van Djagaraga;

Het slechten dier versterking binnen zekeren tijd, doch onmiddelijk te beginnen;

De uitlevering van deserteurs;

De uitlevering van alle tijdens de vorige expeditie in hunne handen gevallen wapens;

Vervulling der in vroegere jaren met het gouvernement gesloten contracten^ met uitzondering van de betaling der oorlogskosten; en

Het gereedmaken van een gezantschap uit personen van rang zamengesteld^ ten einde naar Batavia te worden overgebragt om daar, van wege de vorsten, den goa- vemeur generaal brieven van onderwerping aan te bieden^

De generaal gaf hen voorts te kennen, dat de krijgs^ verrigtingen door het gebeurde niet zouden worden ge- staakt, maar dat hij voort zou gaan met alles gereed te maken, om eerlang tegen Djagaraga te kunnen oprukken. Hij deelde hun nog mede, dat de voorwaarden door hem gesteld, nog de goedkeuring van den gouverneur generaal vereischten, maar dat hij aan die goedkeuring niet twijfelde en hun derhalve de verzekering gaf, dat zijne excellentie, evenmin als hij dit gedaan had, zou aandringen, noch op de ontzetting der vorsten, noch op de uitlevering van den goesti Djilantiek, noch op de betaling der oorlogskosten, noch eindelijk op den a£stand van grondgebied. De generaal beloofde ten slotte, dat hij den kraton te Djagaraga, de laatste ver- blijfplaats die den vorst van Bleling was overgebleven, zou sparen.

De voręt van Kaxang Assam en de goesti Djilantiek namen deze voorwaarden, voor hen zelve en voor den radja van Bleling, in hun geheel aan; zij beloofden, dat met hťt Plechten der versterkingen van Djagaraga onmidddgk eenen aanvang zou worden gemaakt en verzochten, dat de generaal het bezoek van den radja van Bleling mogt wil- len ontvangen te Sangsit, werwaarts hij te kennen had gegeven, zijn hoofdkwartier te willen verplaateen, het- geen werd ingewiUigd.

De afwezigheid van den radja van Bleling, op dien dag, werd door zijnen rijksbestuurder verklaard door de groote schroomvaUigheid van den vorst, die hem ver- hinderd had te midden van de Nederlandsche krijgsmagt te verschijnen. Inderdaad evenwel moest zij toegeschre- ven worden aan een nationaal vooroordeel, dat een groot onheil voorspelt aan eenen vorst , die zijnen kraton betreedt, nadat deze door eenen vijand is veroverd en bezet.

Hiermede nam de bijeenkomst een einde. Het was omstreeks vier uur toen de BaliŽrs Singa radja weder verlieten in dezelfde orde, waarin zij gekomen waren. Terwijl zij tegen over onze troepen geschaard stonden, hadden eenigen hunner, die Maleisch spraken, de hoop geuit van nu eindelijk naar hunne haardsteden te kunnen terugkeeren, daar zij sedert bijna vier jaren geen rust hadden gehad, zij bekenden in het vorige jaar groote verliezen te hebben geleden en verhaalden dat de mond- togt binnen Djagaraga schaarsch' begon te worden.

Zoo liep dan deze ontmoeting, die zoo menigeen, niet zonder reden, met zorgelijke bedenkingen vervuld had , ten einde, zonder tot schadelijke verwikkelingen ge- Idd te hebben.

De redenen die den opperbevelhebber aanspoorden , om de voorwaarden aan de beide vorsten opgelegd, zůů en niet anders te stellen, zullen uit onze inleiding wel vol- doende duidelijk zijn. Aangaande het niet uitleveren van den goesti Djilantiek zij nog aangemerkt, dat ook de generaal den eisch daartoe, in het vorige jaar gedaan, als een der voorname redenen beschouwde van den krachtigen tegenstand, die men toen had gevonden en dat het hem toescheen , niet met de billijkheid overeen te komen, daarop te blijven aandringen, nu men aan eenen aanval op een der flanken van die stelling, behoefde men daarom niet af te zien, dewijl dit, volgens thans ingewonnen berigten ó die echter later geenszins wer- den bevestigd ó langs een der ruggen, die van het hoofdgebergte naar het strand loopen, evenzeer mogelijk zou wezen.

Hoeveel nutteloozen arbeid er nu ook, tot groot leed- wezen van den opperbevelhebber, was verrigt door het vervoeren van zoo vele benoodigdheden naar Singa radja, die nu weder van daar teruggebragt moesten worden, zoo had toch de bezetting van die plaats zijn nut gehad. De landing had er ongestoord door plaats gehad en de vijand was er belangrijk door bemoeijelijkt geworden in zijnen aanvoer van leeftogt uit het westelijk gedeelte van Bleling, zoodat die te Djagaraga, yolgem verschillende be rigten, allengskens schaarsch begon te zijn. Het achterla- ten eener bezetting te Singa radja werd dus zelfs in overwe- ging genomen, maar bij nader inzigt, kwam het meer wen- schelijk voor de krachten der expeditie niet te verdeelen.

Uit het vorenstaande blijkt op nieuw met hoevele moeijelijkheden de oorlogsvoering in IndiŽ verzeld gaat. Door volkomen gemis van kaarten en goede beschrijvin- gen der landen waarheen hij gezonden wordt, is de aan- voerder verpligt zijne plannen, voor zoo veel hij ze noodwendig vooraf moet beramen, te gronden op inlich- tingen, die maar al te vaak blijken geheel onjuist te zijn. Doch eer hij van die onjuistheid overtuigd is, heeft hij aan zijne troepen reeds noodelooze vermoeije- nissen opgelegd; later moet hij zijne plannen wijzigen en loopt dan gevaar den schijn op ziah te laden van wei- felend en wispelturig te zijn. De oprigting, aan het nii- litair departement, van een bureau voor topographie en militaire statistiek^ van een wetenschappelijk middelpunt^ waar alle berigten aangaande de verschillende landen en volken van den Indischen archipel, die voor de krijgs- voering eenige waarde hebben, te zamenvloeijen en geor- dend worden, is dan ook eene dringende behoefte, wier bevrediging reeds veel te lang is verschoven.

Eeeds op den 6 April werd aan den vice-admiraal kommandant der vloot verzocht, een gedeelte der schepen naar Sangsit te doen stevenen en den 8, vroeg in den morgen, werd eenen aanvang gemaakt met het ontruimen van Singa radja.

Het 13e bataiUon infianterie met de halve bergbatterij, benevens eenige sappeurs en kavaleristen, alles onder bevel van den luitenant kolonel van Swieten, gingen het eerst naar Sangsit. Zij vonden de plaats bezet door eenige dui- zende gewapende en alle in het rood gekleedde BaliŽrs. Hunne houding was niet vijandig, maar gaf te kennen, dat zij de onzen als bij verdrag binnen lieten. Zij ontruimden de groote kampong ook niet geheel en het kostte zelfs eene langdurige onderhandeling, en eindelijk eenig vertoon van de wapens te willen gebruiken , om hen te nopen, die wijken te ontruimen, waarvan het bezetten door den lui- tenant kolonel van Swieten noodig werd geacht, hetzij voor zijne veiligheid, hetzij voor de huisvesting van den opperbevelhebber en de nog verwacht wordende troepen. De houding der BaliŽrs te Sangsit duidde nog in geenen deele eene volkomen onderwerping aan en noopte de Ne- derlanders aldaar, tot de grootste waakzaamheid en be- hoedzaamheid.

Op den 11 April was Singa radja geheel ontruimd en waren al de troepen, met hun materieel en oorlogsbe- hoeften, te Sangsit gevestigd. De vloot lag voor die plaats

op de reede, alleen was het fregat de Eijn voor Bleling achter gebleven, om dit gedeelte der vijandelijke kust te blijven gadeslaan.

Op denzelfden dag had er, met goedvinden van den opperbevelhebber, aan de overzijde der rivier van Sang- sit ó die ten oosten der kampong stroomt ó eene bijeenkomst plaats gevonden van den kapitein adjudant Jhr. VAN Capellen met den goesti Chlantiek en den rijksbestuurder van Karang Assam. De beide laatste gaven daarin op nieuw de verzekering van de volkomen onderwerping hunner vorsten en van het ernstige voor- nemen wat bij deze bestond, om de hen opgelegde voor- waarden getrouw na te komen. Zij deelden mede, dat de weg naar Djagaraga in goeden staat gebragt zou wor- den, en dat de troepen op den 15 April konden binnen rukken. Voorts gaven zij kennis dat de radja van Ble- ling, vergezeld van dien van Karang Assam, op den 13 het afgesproken bezoek aan den generaal zou komen brengen.

Toen de beide radja's op dien 13 April verschenen, wa- ren zij andermaal verzeld van eene groote menigte gewar penden, in weerwil dat hunne rijksbestuurders aan den kapitein adjudant Jhr. van Cappellen hadden beloofd, dat zulks niet meer zou geschieden. Die gewapenden hadden alle, even als te Singa radja, de spitzen hunner lansen van de scheden ontdaan, hetgeen men later vernam, dat hier, gelijk op Java, een teeken van vijandschap is. Deze handeling werd evenwel door de onzen niet dadelijk aldus begrepen, dewijl zij destijds nog niet voldoende met de Balische zeden en gebruiken bekend waren. Hoewel de verzekeringen der vorsten steeds dezelfde bleven, merkte men toch in al hun doen en laten meer hoogmoed en eigendunk op. Vooral vond men den goesti Djilantiek niet alleen buitengewoon vrolijk en opgeruimd, maar vooral zeer vrij in zijne manieren Zonder dat hij juist oneerbiedig was, kenteekende zijne houding toch geheel iets anders dan de onderwerping, die hij te Singa radja had betoond. Bij velen begon toen reeds het ver- moeden tot rijpheid te komen, dat hunne verzekeringen niet opregt waren. Men vond er teregt iets uittartends in, dat zij weder met zooveel volks in het hoofdkwartier van den generaal verschenen, en dit, in weerwil men hen het minder raadzame en onwelvoegelijke daarvan had onder het oog gebragt. Alles verkreeg meer en meer den schijn als of de Balische vorsten slechts tijd zochten te winnen en als of zij aan de bevolking wilden diets maken, dat de Nederlandsche troepen niets liever ver- langden dan terug te keeren, en dat de vorsten zich slechts onledig hielden, met hun de voorwaarden voor te schrijven, onder welke hen een ongestoorden aftogt zou kunnen worden vergund.

De generaal Michiels gaf hen eenvoudig te kennen, dat hij zijne troepen den 15 werkelijk binnen Djagaraga zou laten rukken, en dat reeds in den namiddag van den 13 eenige officieren naar die sterkte zouden gaan, om te onderzoeken, of geschut en voertuigen zich, zonder hinder, zouden kunnen bewegen langs den derwaarts voerenden weg. Ook werd bepaald, dat op den 18 een gezantschap van de beide vorsten naar Batavia zou ver- trekken, om, namens hen, zeer eerbiedige brieven aan den gouverneur generaal over te reiken.

In den namiddag gingen den chef van den staf, luitenant kolonel de Bbatjw, met den chef der artillerie, luitenant kolonel Meis, en den wnd. chef der genie, majoor Steinmbtz (1), verzeld van een peloton ruiterij, naar Djagaraga. Men vond, dat de overgang der rivier van Sangsit moeijeiijk was en voor het geschut moest verbeterd worden; de weg liep rijzende door dat gedeelte der kampong Sangsit, dat aan de overzijde der rivier lag; hij was tamelijk breed, doch had hier en daar gaten en kuilen, vermoedelijk door zware regens ontstaan; hij sloeg vervolgens regts af en ging in eene zuidooste- lijke rigting, over klimmend en heuvelachtig terrein, naar Djagaraga. Nu en dan ontmoette men kreupelhout en maÔsvelden. Weldra kreeg men een ruim uitzigt naar alle zijden en zag men in het oosten de kampongs Boenkoelan en Timor Sangsit liggen, die, tijdens de tweede expeditie, door onze troepen waren bezet geweest. Men ging een paar kleine, op voordeelige punten ge- legen, lunetten voorbij en vond dat de weg, nader bii koelan komt. De toegang tot de werken moest dus uit de beide kampongs, op hetzelfde punt, plaats hebben. De weg werd een weinig verder gesneden door eene 7 Ť. 8 Ned. ellen breede doorgraving, die twee ravijnen met elkander verbond. Over die doorgraving was eene brug van pinangboomen geslagen, die echter te zwak werd bevonden voor de 6 ^ batterij, en door de BaliŽrs, naar zij beloofden, zou worden verbeterd. Eindelijk kwam men voor eene rei redouten, in eene van welke de Ne- derlandsche officieren werden binnengelaten. Voor zoo- veel het doenlijk was, werden de werken opgenomen. Men zag echter hoegenaamd geene aanstalten gemaakt , tot het vernielen dezer verschansing, maar vond daaren- tegen een aantal BaliŽrs ijverig werkzaam aan het ver- sterken en geheel in goeden staat brengen eener volko- men nieuwe redoute van zwaar profil en groote afmetingen. Een zeer naauwe doorgang werd aangewezen als die, welke voor den intogt der troepen bestemd was.

Daar de avond reeds begon te vallen, drong men er niet op aan, om de bezigtiging der werken nog verder voort te zetten. Hetgeen men gezien had, liet evenwel eenen weinig bevredigenden indruk na, en deed het ver- moeden van onopregtheid en trouweloosheid, wat ten aan- zien der Balische vorsten reeds tijdens de laatste bijeen- komst was gerezen, meer en meer in zekerheid overgaan.

Nadat de generaal het verslag der teruggekeerde officie- ren had aangehoord, begon ook bij hem sterken twijfel te rijzen aan den vredeUevenden afloop der onderhande- lingen. Hij zond den volgenden morgen den kapitein adjudant Jhr. van Cabellen, met de chefs der artillerie en genie, nogmaals naar Djagaraga, om aan de vorsten te berigten, dat hij op den 16 niet in schijn, maar in vol- komen werkelijkheid van de verschansingen van Djagaraga bezit nemen en daar binnen volkomen heer en meester wilde zijn; dat hij niet begeerde door eene poort naar binnen te gaan, maar dat hij verlangde op de plaats, daar- toe door de chefs der artillerie en genie aan te wijzen, eene bres geopend te zien, die breed genoeg moest wezen, om hem, aan het hoofd zijner troepen, een ruimen doortogt te vergunnen; dat deze beide chefs ook vooraf dat gedeelte der werken zouden aanduiden, wat min of meer als sleutel der stelling te beschouwen was, en dus al dadelijk door de onzen zou worden bezet, en eindelijk, dat hij te Dja- garaga geen der vorsten ontmoeten, noch iemand van hunne gewapenden zien wilde, maar dat alleen de goesti Djilantiek ter plaatse moest wezen, om de verschan- singen aan hem over te geven.

De afgezonden officieren keerden zonder antwoord van de vorsten terug; in den namiddag zonden deze echter het berigt, dat zij zich aan de gedane beloften wenschten te houden, maar hun zendeling vermeed daarbij over de nadere eischen van dien dag te spreken. De generaal liet hierop aan de beide radja's weten, dat, wanneer uiter- lijk vůůr 6 uur in den morgen van den 15, geene ken- nisgeving van hen was ontvangen, dat zij hadden doen beginnen met het slechten der werken, hij de vredeson- derhandelingen als afgebroken beschouwen en aan de troepen onmiddelijk bevel geven zou om tegen Djagaraga op te rukken.

Tegen den avond werd eene dagorder uitgevaardigd, die inhield, dat de troepen den volgenden morgen vroeg in twee kolonnes zich in beweging zouden stellen.

De eerste kolonne, waarbij de opperbevelhebber met zijnen staf zich zoude ophouden, kwam onder de beve^ len van den luitenant kolonel van Sweeten en bestond uit het 5e bataillon infanterie, onder den luitenant ko- lonel Helbach; het 13e bataillon, onder den Majoor Sobg; de 6 ^ batterij, onder kapitein Kjelleuman; de kompag- nie sappeurs, onder den 1ste luitenant Haitink; het peloton ruiterij, onder den 2de luitenant Stein en de hulptroepen, onder kapitein Pieplenbosch.

De tweede kolonne werd gesteld onder de bevelen van den luitenant kolonel le Bron de Vexela, en bestond uit het 7e bataillon infanterie, gekommandeerd door den majoor ÔÔemmes; twee mortieren Ť. llj- dm., onder den 2de luitenant Eekhout , en 20 sappeurs , onder den 2de Itdtenant Egtee van Wissekebjo:. Zij was bestemd om onder de leiding van den chef van den staf, luite- nant kolonel de Beauw, eene verkenning langs den lin- ker oever van de rivier van Sangsit te doen en te on- derzoeken of de vijandelijke werken aan die zijde waren om te trekken.

De reserve bestond uit het 3e bataillon infanterie, onder den luitenant kolonel Poland, en de bergbatterij (3 ^^s), onder den kapitein van Maanen. Zij moest voorloopig te Sangsit achterblijven. Het gedeelte van deze kampong, wat aan zee gelegen is, (Sangsit di Loear of Sangsit buiten) werd bezet door 100 mariniers van de vloot.

De troepen moesten zich voorzien van gekookte levens- middelen voor een dag, die de soldaten zelve zouden dragen, verder moest er nog voor twee dagen levens- middelen afgepakt en gereed gehouden worden, om later door koelies te kunnen worden vervoerd. De officieren werden uitgenoodigd hunne bagage achter te laten. Be- halve de 50 patronen, waarvan ieder man voorzien was, werden er bij de hoofdkolonne nog 35,000 en bij de tweede kolonne nog 15,000 in reserve medegevoerd.

De genie ontving bevel om te zorgen voor middelen tot het overtrekken van rivieren en grachten, het bestor- men van wallen en het bedekt opstellen van artillerie.

Een gedeelte van het belegeringsgeschut moest nog, in den loop van den nacht en den volgenden morgen vroeg- tijdig, ontscheept worden. De loop der onderhandelingen had tot in den namiddag van den 14 niet laten voorzien, dat reeds op den 15 eene vijandige beweging naar Dja- garaga noodzakelijk zou wezen. Uit dien hoofde en ook dewijl men te Sangsit gebrek had aan goede gebouwen, die voor magazijnen konden dienen, was het belegerings- park nog steeds aan boord der schepen gebleven en was in het algemeen nog slechts het hoog noodige aan wal gebragt geworden, Zelfe nn nog achtte de generaal het veel- eer eene verstandige voorzorg, dan eene volstrekte nood- zakelijkheid om eenig positiegeschut beschikbaar te heb- ben. Hij had aanvankelijk dan ook alleen bevel gegeven om het te ontschepen, zonder meer.

Vele benoodigdheden der genie waren eveneens nog aan boord; door stalen ijver gelukte het den majoor Stedocbtz, wnd. chef van dat wapen, die nog bij tijds aan wal te hebben. Ook de majoor Ktjyck maakte zich bijzonder verdienstelijk bij het ontschepen der artilleriezaken, maar kon daarin uit den aard der zaak niet zoo spoedig slagen.

De generaal Michiels verkeerde nog altijd in het denkbeeld, dat de vorsten van Bleling en Earang Assam, wel tot de overgave van Djagaraga zouden besluiten, wanneer zij de Nederlandsche krijgsmagt daarvoor zagen verschijnen. Dit verklaart, waarom de stellige bevelen, die hij tot voeding en verpleging der troepen gaf, slechts berekend waren op hunne afwezigheid uit Sangsit, gedu- rende eenen enkelen dag; het heldert op, waarom hij de veldbatterij zonder voorraad- en smidswagens liet mar- cheren; het licht toe, waarom hij vůůr den afmarsch hoe- genaamd geene beschikkingen uitvaardigde voor eenen aanval op de sterkte en waarom hij zich in beweging stelde, zonder het anders onvermijdelijk noodige positie- geschut, wat nog niet gereed was hem te volgen, af te wachten. Toen hij in den vroegen morgen van den 15 niets van den vijand vernam, schijnt zijn vertrouwen op eenen rustigen afloop der zaak aan het wankelen geraakt te zijn en gaf hij nog nadere bevelen tot het opvoeren yan zwaar geschat naar Djagaraga. De uitvoering dezer bevelen veroorzaakte door de behoefte aan koelies die zij te weeg bragt, zelfs eenige stremming in het nakomen van die, welke vroeger aan de genie waren gegeven. Dewijl dit wapen nu een gedeelte der koelies, die vroeger ter zijner beschikking waren gesteld, aan de artillerie moest afstaan, kon de majoor wnd. chef Steinmetz niet alles medevoeren, wat eigenlijk noodig zou zijn geweest en besloot hij zeer juist, zich althans te voorzien van eenige middelen tot het overbruggen van rivieren en grachten. Had de generaal niet in de dwaling verkeerd, die wij zoo even aanduidden, had hij eerst het eene en daarna het andere laten verrigten, dat is, had hij vooraf alles doen lossen en gereed maken om zich daarna op marsch te begeven, dan zou hij, op den dag van het gevecht, over een belangrijk grooter aantal koelies hebben kannen beschikken en, in allen deele, beter toegerust zijn geweest voor den strijd, waarin het toch altijd mogelijk was, dat hij gewikkeld kon worden.

De versterkingen van Djagaraga waren aangelegd op een heuvelachtig en rijzend terrein, wat hier en daar met diepe ravijnen doorsneden is , en bevonden zich in eene zuidoostelijke rigting, naauwelijks een uur gaans van Sangsit verwijderd. Het bedoelde terrein wordt be- grensd door twee, nagenoeg evenwijdig loopende rivieren of liever bergstroomen , die zich bij Sangsit en Boen- koelan in zee storten. Deze rivieren vloeijen in hemels- breedte op omtrent 2500 schreden van elkander, maar deze afstand wordt door allerlei terreinhindernissen, en voornamelijk door diepe kloven, meer dan verdubbeld. Behalve in de twee genoemde stroomen, is in den omtrek geen water te vinden, maar het naderen tot de rivier- beddingen is^ wegens de hooge en steile rotswanden die ze omsluiten^ hoogst moeijelijk.

De hoofdstelling des vijands bestond nit vier gesloten redouten^ door courtines en grachten aan elka&r ver- bonden. De oostelijke redoute , die wij no. 1 zullen noemen^ lag tegen het ravijn, waarin de oostelijke rivier (die van Boenkoelan) stroomt. Tegen deze redoute aan- geleund , lag de redoute no. 2 , zoodat de westelijke zijde van no. 1 , de oostelijke zijde van no. 2 vormde. Op twee derden der westelijke zijde van no. 2 begon eene courtine , uit wier midden de redoute no. 3 , ook wel die van goesti Djilantiek genaamd, geheel naar voren sprong. Op het einde dier courtine stond bijna regthoekig eene caponniŤre , die naar de meer naar onze zijde gelegen redoute no. 4 voerde. Deze laatste paalde aan een diep ravijn dat op 8 Ťi 900 schreden aŁstands in de oostelijke rivier (die van Sangsit) uitliep. Deze re- doute flankeerde tevens de geheele linie en was ook in het front door eene diepte omgeven.

Alle deze werken hadden profielen van groote a&ne- tingen. De borstweringen waren 3 Ť> 3.5 Ned. el hoog en hadden eene dikte van 3 h, 4.5 Ned. el; zij waren uit harde klei opgeworpen en omgeven door drooge grach- ter zonder bodem en van 7.5 k 8 Ned. el diepte en even veel breedte.

Buitendien waren de redouten no. 2 en 4, die beide ver voor no. 3 uitsprongen, nog met eene diepe en breede voorgracht van dezelfde afmetingen verbonden.

Op de buitengrachtsboorden en bermen waren heggen geplant van dadap doerie, die , verbonden met bamboe en doorvlochten met doornachtig hout, cactus en vriesche ruiters, ondoordringbaar waren.

In de borstweringen waren drie boven elkander ge- plaatste reijen bamboezen kokers aanwezig, die tot schiet- gaten voor klein geweer dienden en alle gcwigtige punten bestreken, terwijl in de saŁlanten, onder bedekte geschut* standen, eenige ligte kanons en lilla^s geplaatst waren.

Langs de borstwering die het front bestreek, bevonden zich op twee voet van de binnenkruin, schuins afloo- pende bamboezen daken, die voornamelijk schenen te moeten dienen tot het doen afrollen der daarop vallende grenaten en tevens om er scherpschutters op te plaatsen. Had men evenwel deze frontzijde kunnen enfileren, dan zouden de genoemde daken geen wederstand hebben ge- boden aan grenaten van 20 dm., maar het terrein ver- gunde dit niet.

Alle deze werken waren van achteren even sterk als in het front, behalve de redoute no. 8. Deze was aan de achterzijde alleen gesloten door eene smalle borst- wering met drie ingangen en had noch gracht, noch heg. Voor deze redoute lagen onderscheidene reijen wolfekuilen van scherpe bamboezen voorzien.

Er was in het geheele front geen andere ingang dan tusschen de redouten no. 1 en 2. Hier vond men eene smalle poort, die door eene zware verhakking gesloten en voorzien was van eene traverse, waar, de in het vorige jaar achtergelaten houwitzer van 11^ dm., tot aan de tappen geladen, in batterij stond.

Deze werken konden met regt stormvrij genoemd wor- den, maar zij waren geheel tot eene lijdelijke verdediging ingerigt en gaven geene gelegenheid tot het doen van krachtige uitvallen.

Om de flanken en den rug dezer stelling te bescher- men, waren meer achterwaarts nog verschillende andere liniŽn en redouten aangel^d^ zoodat aan eene omtiekking tnsschen de rivieren van Boenkoelan en Sangsit niet viel te denken. Eene dergelijke omtrekking kon alleen^ langs de buitenste oevers dezer rivieren gelukken en ook daar waren redouten aanwezige die de toenadering in de flank moesten bemoeijelijken.

Bij hunne onregelmatige ligging is het zeer moeijelijk van de meer achterwaarts zich bevindende werken eene beschrijving te geven ^ zoodat wij ons zullen moeten vergenoegen^ dien aangaande naar het plan te verwijzen. Op 8 ^ 900 schreden voor het front der hoofdstel- ling bevond zich de doorsnijding , waarover de weg van Sangsit naar Djagaraga liep. Wij hebben daarvan vroe- ger reeds melding gemaakt en weten dus^ dat zij twee ravijnen met elka&r verbond. Achter die doorsnijding lag een ťpaulement en meer naar de zijde van Sangsit^ op voordeelige punten, twee kleine lunetten , waarover wij eveneens reeds gesproken hebben en die als voor- werken van Djagarflga konden worden beschouwd.

Volgens ingewonnen berigten bestond de bezetting der vijandelijke werken uit ongeveer 15000 man, waarvan er 2000 met geweren, de overige met zeer lange lansen waren gewapend.

De troepen stelden zich in den morgen van den 15, juist ten 6 uur, in beweging. De hoofdkolonne begaf zich regtstreeks naar Djagaraga; zij was ruim 2400 hoof- den sterk en marcheerde in de volgende orde: 2 kompagniŽn van het ISe bataillon infemterie als voorhoede ; de kompagnie sappeurs; de halve 6 <ffi batterij; 5 kompagniŽn van het 18e bataillon infanterie; de andere halve 6 ^ batterij ; . het 5e bataillon in&nteriey hebbende eene kompagnie bij den veldtros; de veldtros en de hulptroepen.

De weg voor alle wapens geschikt zijnde, zoo ge schiedde de marsch zonder oponthoud; men vond de voorwaarts liggende lunetten onbezet en ten half acht, had de voorhoede de meergemelde doorgraving bereikt, Reeds ten 7 uur had men de tweede kolonne, in eene westelijke rigting, geheel uit het oog verloren.

De brug die over de doorgraving naar Djagaraga voerde^ en die den vorigen dag nog aanwezig was be- vonden, was intusschen weggenomen, en dit was het eerste stellige blijk der vijandige gezindheid van de vor- sten van BleHng en Karang Assam. De artillerie bekwam eene opstelling, die haar ver- gunde dadelijk in het strijdperk te treden, ingeval de vijand zijn vuur mogt openen. De infanterie werd zoo goed mogelijk in eene gesloten divisien-kolonne geplaatst. De ambulance en de legertros werden, onder dekking der hulptroepen, meer achterwaarts in een geschikt terrein opgesteld.

Daar het noodige tot het maken eener brug nog niet was aangekomen, werd beproefd de doorgraving te dem- pen , dit werk vorderde evenwel langzaam , en zou gewis yů”r den avond niet voltooid zijn geweest. Gelukkig verscheen de majoor ingenieur Steinmetz met de noodige overgangsmiddelen , en nu was binnen een uur tijds, eene voldoende sterke brug geslagen over de 8 ellen breede en 10 ellen diepe doorsnijding. De vijand be- moeijelijkte den arbeid in geen enkel opzigt. Terwijl men, zich hiermede onledig hield^ werden ver- kenningen gedaan^ die zoowel ten doel hadden zich be- kend te maken met het omgelegen terrein^ als het gade- slaan van des vijands bewegingen^ het opsporen eener verbinding met de tweede kolonne en het zoeken van water. De 2e en 8e kompagniŽn van het 13e bataillon (kapiteins Gevess en Emger) , werden aan de overzijde der doorgraving eenigzins voorwaarts op de regterflank der onzen geplaatst; de 7e kompagnie (kapitein Ckena) ging in eene oostelijke rigting^ met den kapitein der artillerie Kellebman^ een doortůgt voor het geschut zoeken, doch vruchteloos, en de 8e kompagnie (kapię tein VAN Hamel) werd met een dertigtal watervaten naar de rivier van Boenkoelan gezonden, om die te doen vullen. Hij had last, op het horlogie, den tijd gade te slaan die tot het bereiken der rivier gevor- derd werd, en vond dat de a&tand 20 minuten gaans bedroeg.

De kompagniŽn, die uitgezonden waren tot het op- zoeken eener verbinding met de tweede kolonne , keerden alle onverrigter zake terug; zij hadden zelfs niets meer van die kolonne kunnen bespeuren.

Naauwelijks was de brug voltooid of men . hoorde tegen elf uur in eene zuidwestelijke rigting, een vrij levendig geweervuur , waar tusschen men ook kanonschoten meende waar te nemen, wat aanduidde dat de tweede kolonne waarschijnlijk in de flank of rug der vijande- lijke stelling was aangekomen, en in ieder geval in een vrij ernstig gevecht gewikkeld was. De bevelvoerende generaal besloot nu, ter ondersteuning van de omtrek- kende troepen , terstond tot den aanval over te gaan , maar aangezien geen der uitgezonden verkenningen eenen anderen toegang tot de stelling had gevonden^ moest die aanval regtstreeks en in het front geschieden.

Twee houwitzers ó de sectie van den 2de luitenant ScHELLENBACH ó gedekt door eene kompagnie van het 5e bataillon^ onder kapitein Schwab, werden over de brug gevoerd en voor de doorsnijding in batterij gesteld. Zij openden hun vuur op de redoute no. 4, daarbij met vrucht gebruik makende van den opzet voor 600 passen. De opperbevelhebber meende evenwel dat deze op- stelling te ver van de vijandelijke werken was verwijderd, zoodat kort daarna ook de tweede houwitzer-sectie ó onder den 2e luitenant Bboxjebitjs van Nidek ó bevel kreeg vooruit te rukken. Zij werd onder de persoon- lijke leiding van den luitenant kolonel Meis, op onge- veer 400 passen, in batterij gebragt, en op dien afstand spoedig door de overige stukken, secties gewijze, gevolgd, zoodat weldra de geheele batterij de vijandelijke ver- schansingen met haar vuur bestookte.

De overige troepen waren intusschen de artillerie over de brug gevolgd; het 13e bataillon kwam, met uitzon- dering van zijne eerste kompagnie, ó kapitein Siors ó die bij het oostelijk ravijn in observatie moest blijven, achterwaarts en regts van de batterij, met divisien in geslotene kolonne te staan. Het 5e bataillon bleef bij de brug om deze te bewaken, en de hulptroepen achter de doorgraving, beide met het doel om zich tegen om- trekkende bewegingen van den vijand te beveiligen. De ambulance en veldtros bleef, onder goede bedekking, insge- lijks achter de doorgraving.

Zoodra de artillerie uit hare tweede stelling het vuur had geopend, begon ook de vijand het zijne uit al de redouten. Het was blijkbaar dat hij daarbij gebruik maakte van bussen of andere ver dragende vuurwapenen , althans de luitenant kolonel Meis werd weldra door een geweerkogel ernstig in de zijde getroffen^ en moest van het slagveld worden weggedragen. De bedieningsman- schappen der artillerie stonden evenwel des vijands vuur heel koelbloedigheid door^ en bleven het hunne onver- flaauwd onderhouden. De uitwerking daarvan was niette- min onvoldoende^ want de verdedigers verlieten evenmin hunne wallen als deze gedeerd werden door de 6 <S ko- gels^ die daartegen werden aJ^eschoteUť

Het geweervuur der omtrekkende kolonne werd in- tusschen bestendig, in eene zuidwestelijke rigting, gehoord, tot de bevelvoerende generaal eindelijk, omstreeks 12|- uur, een brie^e van den chef van den stef ontving, waarin de toestand, in welke die kolonne zich bevond, als ernstig of meer hagchelijk werd beschreven. De generaal zooveel doenUjk het dringende gevaar wU- lende afweren , wat hij meende dat haar boven het hoofd hing, beval terstond aan het regter halve 6e bataiUon, zich, onder den majoor Boqttť, in beweging te stellen , om de tweede kolonne te gaan opzoeken en verster- ken; terzelfder tijd gelastte hij aan het 16e bataUlon onmiddelijk eenen aanval op de vijandelijke liniŽn te gaan doen.

Uit de voorafgegane beschrijving der vijandelijke wer- ken heeft men kunnen ontwaren, dat de taak aan hei 13e bataillon opgedragen, eene zeer zware was en met weinig hoop op goeden uitslag kon worden ondernomen. De artillerie of genie hadden nog niets gedaan om de palissaderingen enz. op te ruimen of te vernielen, en de aanval der infanterie was dus nog in geenen deele vol- doende door geschutvuur voorbereid. De opperbevel- hebber heeft zich blijkbaar, in zijne bezorgdheid voor de tweede kolonne, gevleid, dat eenen aanval in het front, op hetzelfde oogenblik dat het 7e bataillon in den rug der versterkingen met den vijand in gevecht was, de BaliŽrs, door de vrees van tusschen twee vuren te komen, tot den aftogt zou nopen. Deze hoop kon hij gronden op de kennis die hij van het zedeHjk ge- halte onzer meeste Indische vijanden had, maar de BaliŽrs bewezen hier, dat zij eene uitzondering maakten.

Daar de generaal bevolen had, dat de aanVal zonder dralen moest worden ondernomen, rukte het bataillon, geleid door den majoor Soeg voorwaarts, gelijk het daar stond en dus in kolonne met divisiŽn. Het rigtte zijnen marsch, eveneens op des generaals stellige aanwijzing, regtstreeks naar de courtine tusschen de redouten no. 3 en 4. De kompagnie sappeurs volgde om tot het op- ruimen van beletselen gebezigd te worden.

Hevig door den vijand in het front en, toen men de werken meer naderde, ook in de beide flanken beschoten wordende, deployeerden en verspreidden zich de vier cen- terkompagniŽn van het bataillon, terwijl de twee overige (Europeanen) in reserve werden opgesteld. Weder voor- uitgerukt zijnde, werd het batallion door een ravijn op- gehouden, wat echter, door het gegeven voorbeeld van den majoor Soeg, spoedig was overgetrokken, met eenen moed en volharding, eenen beteren uitslag waardig. Doch de beletselen vermeerderden aanhoudend, tot de troepen eindelijk tot staan gebragt werden door de voorgracht, die de redoute no. 2 en 4 verbindt en die ook in het vorige jaar de beweging der onzen had gestuit. Op last van den majoor begaven de troepen zich nu meer regts, om zich kort tegen de westelijke redoute te nestelen, maar ook deze maatregel was vruchteloos om eene be- storming te doen gelukken. Het bataillon was intusschen aan een zwaar geweervuur blootgesteld, dat de vijand, met behulp der bamboezen kokers, die in de borstwering geplaatst waren en in welke hij zijne geweren legde, zon- der zich bloot te geven en bijna zonder te kunnen mis schieten, goed onderhield. De majoor Sobg zond thans herhaalde malen berigt van den hagcheŁjken toestand waarin zich zijne troepen bevonden, van de geringe kans van voordeelen te behalen en van de groote verliezen die hij leed, maar hij kreeg bevel om vol te houden en de sappeurs tot het opruimen der beletselen te bezigen.

De generaal Michiels schijnt in die oogenblikken in het denkbeeld verkeerd te hebben, dat het 7e ba- taillon zoo goed als verloren was en dat geene middelen onbeproefd mogten gelaten worden om, ware het mo- gelijk, zoovele rampzalige landgenooten en kamaraden te redden.

Wat baatte hem echter het bevel tot het doen oprui- men der beletselen, want al ware men in die moeijelijke opdragt geslaagd, dan nog waren er middelen noodig^ om de diepe grachten te overbruggen en de genie had, door het afgeven harer koelies aan de artillerie, slechts het noodige kunnen medevoeren, om den overgang der eerste doorgraving, waarop men des morgens gestooten was, mogelijk te maken.

De majoor Sorg moest zich dus vergenoegen met het vuur des vijands zoo goed mogelijk te beantwoorden. De verliezen namen intusschen bestendig toe, Sobg zelf werd door eenen geweerkogel in den arin getroffen en moest het slagveld verlaten. De generaal eindelijk inziende, dat het doel op deze wijze onmogelijk kon worden bereikt. gaf tegen 2 uur bevel om het bataillon te doen terug- keeren. Dit geschiedde echter niet zonder nog meer ver- liezen te ondergaan en het bataillon kreeg eindelijk eene stelling op den regtervleugel , op ongeveer 50 schreden achter de 6 ^ batterij. In deze stelling viel in de kolonne nog een grenaat, die een Europeesch sergeant doodde en twee Europeanen zwaar wondde.

De verliezen, die het bataillon bij dezen wanhopigen en weinig overlegden stormaanval, geleden had, bestonden uit twee gesneuvelde officieren, namelijk de 1ste luite- nant P. VAN SwiETEN en de 2de luitenant P. P. Peaoeb, benevens 17 onderofficieren en manschappen, voorts waren gewond de majoor T. J. Soeg, de kapiteins P. P. Eeigeb, J. VoKSTENBOS en J. H. Cbena , de 1ste luitenants J. C. MuNTEE en L. J. W. van Eotjveeoy, de 2de lui* tenants H. G. Pmtzen en L. P. Donleben benevens 83 onderofficieren en manschappen.

De sappeurs hadden aan onderofficieren en manschappen verloren 4 dooden en 1 gewonde, zoodat in het geheel 111 hoofden buiten gevecht waren gesteld.

De koelbloedigheid, de moed en de uitmuntende goede orde, door het 13e bataillon infanterie op dien dag ten toon gespreid, zijn boven allen lof verheven* Onder de vele braven, die zich bijzonder onderscheidden, worden hoofd- zakelijk genoemd de gesneuvelde luitenants van Swieten en Peageb ,/ wier moed ó gelijk de rapporten zeggen ó tot den hoogsten trap geklommen was.'' Vooral de 1ste luitenant van Swieten die besloten had om, het koste wat het wilde, andermaal voor te gaan in het vermeesteren eener redoute, die hij ook in het vorige jaar had in bezit genomen. Met de Nederlandsche vlag, die hij daartoe opzettelijk had laten vervaardigen in de hand, had hij ^ slechts gevolgd door ťťn inlandsch onderofficier^ de sergeant Saeiman, de voorgracht beklommen, toen hij door een schot in de borst getroffen, levenloos neder zonk.

Men bleef zich nu hoofdzakelijk tot het aanwenden van artillerievuur bepalen. Tegen half twee uur waren eindelijk een mortier van 20 dm. en twee handmortieren van 11 J. duim, door de luitenants Kramer en Kusky, van Sangsit op het slagveld aangebragt. Een tweede mortier van 20 dm. "was insgelijks ontscheept geworden, maar door gebrek aan koelies te Sangsit achtergelaten. De aangebragte vuurmonden werden terstond regts van de veldbatterij achter een hooge galangan (1) in batterij gesteld en openden onmiddelijk daarna hun vuur. De mortier van 20 dm. koos tot doel de redoute no, 3 , of die van goesti DnLANTtBK, en de beide mortieren Ťi 11|- dm. de redoute no. 4.

Het halve 3e bataillon, onder de bevelen van den majoor Libouebl, was op last van den opperbevelhebber tegen 4 uur eveneens van Sangsit komen oprukken. Ook was de majoor der artillerie KŁyck daar inmiddels aan- gekomen en had terstond het bevel over de artillerie, in stede van den gewonden luitenant kolonel Meis, op zich genomen.

Men zal zich herinneren, dat de eene kompagnie van het 13e bataillon (kapitein Smits) nabij de doorgraving in den weg, in eene bedekte stelling was achtergeble- ven, om den vijand gade te slaan. Beeds ten 1 uur had men bespeurd, dat eenige honderde BaliŽrs eene omtrekkende beweging wilden maken. Daar de golvingen van het terrein hen voor de oogen der onzen verborgen en deze niets meer van hen hoorden of zagen^ meenden zij dat de vijand zijn voornemen had opgegeven. Tegen 4^ uur echter vielen zij plotseling en met luid geschreeuw op de ambulance aan. De luitenant kolonel van Swieten weerde dien aanval af met eenige soldaten van het 18e ba- taillon, daar toevallig aanwezig en met de Maduresche hulptroepen, terwijl de opperbevelhebber zelf de 6e kom* pagnie van het 5e bataillon (kapitein J. F. Soeg) door eene wending regts en tirailleur liet uitzwermen. De vij- andelijke benden trokken in de rigting van Boenkoelan terug.

Van het 7e bataillon en het uitgezonden halve 5e ba- taillon waren intusschen nog geene berigten ontvangen; een tusschenpoozend geweervuur in eene zuidelijke rigting vernomen, gaf echter te kennen, dat de omtrekkende ko- lonne nog altijd stand hield en met den vijand in ge- vecht was.

De kapitein Stabing adjoint bij den staf, had tegen 2 uur de opdragt bekomen de kolonne te gaan zoeken en haar den last over te brengen op de hoofdkolonne of op Sangsit terug te trekken, doch hij moest weldra on- verrigter zake terugkeeren, daar hij den weg miste en op eene vijandelijke schans stiet, die hem het verder voortgaan belette. De kapitein W. P. Kress die na hem, met zijne kompagnie dezelfde taak zou gaan ver- vullen, was niet gelukkiger en keerde des nachts ten 11 uur, na vruchteloos rondgedwaald te hebben, met zijne hoogstvermoeide soldaten in het bivak terug. Meer en meer scheen het zich te bevestigen, dat de tweede ko- lonne, en ook het halve 5e bataillon, afgesneden waren en zich in hoogst zorgelijke omstandigheden bevonden.

Het artillerievuur was inmiddels onverpoosd werkzaam geweest, en toen tegen 6 of 6|- uur het vuur des vijands aanmerkelijk verflaauwde, en zelfs uit de redouten no. 1 en 2 geheel ophield, meende de bevelvoerende generaal dat de BaliŽrs deze sterkte verlaten hadden , en gaf hij aan den majoor Liboueel bevel, ze met het halve 8e bataillon te gaan bezetten. Naauwelijks evenwel waren deze troepen de buitengrachtsboord tot op 200 passen genaderd, of zij ontvingen zulk een duchtig vuur, dat de generaal, om geen tweeden even vruchteloozen en even noodlottigen storm te doen ondernemen, terstond den last zond tot terugtrekken.

De zware verliezen dien dag geleden, hadden den gene- raal nader overtuigd, dat eene bestorming der vijande- lijke werken slechts dan kans van slagen zou hebben, wanneer zij naar behooren door de artillerie en genie was voorbereid geworden. Hij gaf dan ook bevel het noodige daartoe voor den volgenden dag gereed te maken, en daar de avond begon te vallen , liet hij aan zijne troepen eene meer achterwaartsche stelling buiten het vijandelijk vuur aannemen, om daarin den nacht door te brengen.

Het halve 8e en het 5e bataiUon benevens de hulp- troepen , betrokken het bivak nabij de brug en achter de doorgraving in den weg; de regter halve 6 ^ batterij posteerde zich insgelijks digt bij de brug, en de overige artillerie meer achterwaarts. Het 13e bataillon dat veel geleden had, maakte eene achterwaartsche beweging tot Boenkoelan, zoowel om meer in de nabijheid van drink- water te zijn, als om de overige troepen in den rug te dekken. De opperbevelhebber begaf zich met zijnen staf naar Sangsit terug, en liet het bevel over de troepen, voor Djagaraga , aan den luitenant kolonel van Swtieten , aan wien de sous-chef van den staf, ridmeester vůn Stampa, bleef toegevoegd.

Bij het aftrekken der laatste troepen, gaf de vijand hen een driewerf hoerah achterna.

De troepen waren zeer afgemat, vooral door gebrek aan drinkwater; bij het 5e bataillon werden eerst tegen 9 uur des avonds, eenige vaatjes water aangebragt.

De nacht ging gelukkig rustig voorbij , maar des morgens tegen 4 uur, werden de onzen gewekt door een geweervuur, dat bestendig in levendigheid toenam en digt achter de vijandelijke borstwering scheen plaats te hebben. Men maakte daaruit op, dat de tweede kolonne op nieuw tot den aanval was overgegaan, en de luitenant kolonel VAN SwiETEN bcsloot haar onmiddelijk, door een regt- streekschen aanval, te ondersteunen, en vaardigde daartoe zonder verwijl de noodige beschikkingen uit.

Alvorens thans verder te gaan, zal het noodig zijn te vermelden, wat intusschen door de tweede kolonne 'was verrigt.

Voor zooveel uit verschillende gegevens is na te gaan^ kwam de mondelinge last, door den opperbevelhebber verstrekt, aan den chef van den staf, die de kolonne moest geleiden, daarop neder, dat hij moest onderzoeken of eene omtrekking der vijandelijke werken mogelijk was, en of, 200 noodig, het belegeringsgeschut naar die zijde kon worden vervoerd. Bleek het dat de omtrekking langs des vijands linker flank gelukken kon, dan had de generaal het voornemen later het grootste gedeelte der troepen naar der- waarts te zenden, en er geschut heen te doen brengen, om de fronten van de verschansingen der BaliŽrs te enfileren.

Het is niet te veronderstellen dat de generaal Michiels, die vůůr het vertrek der expeditie van Java, uitdrukke- lijk aan zijne onderbevelhebbers had verzekerd, dat hij Djagaraga behoedzaam en stelselmatig wilde aanvallen , dat hij zoo weinig mogelijk aan het toeval overlaten en slechts voet voor voet vooruitgaan wilde, aan de tweede kolonne, van stonde af aan, dťn last zal hebben gegeven, niet alleen naar de mogelijkheid eener omtrekking onder- zoek te doen, maar ook die omtrekking al dadelijk uit te voeren. Men kan iets dergelijks te minder aannemen, als men overweegt, dat de generaal in den morgen van den 15 , dewijl hij nog altijd op de vrijwillige overgave der vijandelijke werken had gerekend, in geenen dede gereed was of plan had al dadelijk over te gaan tot dien behoedzamen en stelselmatigen aanval, die de geduchte verschansingen van I^'agaraga zoo zeer vorderden, en van welks noodzakelijkheid hij zoo geheel overtuigd was. Zulk een betrekkelijk klein onderdeel zijner magt, langs eenen verren omweg, achter en binnen de sterke vijandelijke liniŽn te werpen, zonder iets te ondernemen of zelfis beraamd te hebben, om dat onderdeel in het front der stelling op afdoende wijze te ondersteunen, zou eene al te roekelooze daad zijn geweest.

Het geheele aanvankelijke plan van den generaal IMi CHiELS, in den morgen van den 16, schijnt in niets an- ders bestaan te hebben, dan in het doen eener soort van militaire vertooning voor Djagaraga, ten einde de vorsten van Bleling en £]arang Assam door eene zooge- naamde douce violence te nopen, om gevolg te geven aan de gemaakte overeenkomst tot overgave hunner ver- sterkingen. Van die vertooning heeft hij overigens partij willen trekken tot het bekomen van inlichtingen, die hem nuttig konden zijn, wanneer de zaken onverhoopt door het zwaard moesten worden beslist. De onverwachte en buitengewone omstandigheden waarin de tweede kolonne geraakte^ en de persoonlijke hoeda- nigheden van den chef van den staf die haar geleidde^ hebben vervolgens die kolonne er toe gebragt, deĽ vijand, alleen steunende op eigen krachten, aan te tasten en daardoor aan den loop der krijgsverrigtingen op dien dag, eene wending te geven, die geheel buiten aUe vooraf gemaakte berekeningen lag.

De tweede kolonne wier zamenstelling reeds is opge- geven, marcheerde in de volgende orde van Sangsit : eene kompagnie als voorhoede; 80 sappeurs; de twee handmortieren ; het 7e batallion; de veldtros; eene kompagnie als achterhoede.

De geheele sterkte der kolonne bedroeg 900 hoofden. De 1ste luitenant der artillerie P. E. Eosteb was aan de kolonne toegevoegd, met het bepaalde doel, om na te gaan, of het terrein ook vergunnen zou, belegerings gesehut naar die zijde te vervoeren. Hij verrigtte wijders de dienst van stafofficier.

De marsch ging langs den linker oever der rivier van Sangsit. De weg was in den aanvang redelijk goed en liep langs den bovenrand van het ravijn waarin de rivier stroomt. Het ravijn of dal was ruim en kleine kampongs met rijst- velden lagen daarin verstrooid , de bodem was overigens zeer heuvelachtig, nu en dan moest men kleine diepten, die in het dal uitliepen, overtrekken of door de sappeurs heg- gen en struiken doen opruimen. Yan tijd tot tijd zag men de hoofdkolonne zich in eene oostelijke rigting bewegen, maar omstreeks 7 uur werd zij geheel uit het gezigt verloren. Men kwam nu langzamerhand op een geheel onbekend terrein. De mantri aris van Grissee die in deze streken goed bekend was^ en van Java was medegegaan, om de onzen tot gids te kannen dienen, was aan de kolonne toegevoegd. Hij verklaarde evenwel hier nimmer te zijn geweest en ook geen pad te kennen, dat in de linker flank of in den rug van Djagaraga voerde. Van de vij- andelijke stelling zag men niets; hoog geboomte en heu- vels hielden haar voor het oog verborgen.

Er begon eenige vrees te rijzen, dat de kolonne wei- ligt te veel naar het westen afweek; het terrein werd tevens moeijelijk, verscheiden ravijnen begonnen den weg te doorsnijden ; het rivierdal vemaanwde zich ; de wanden waren steil en rotsachtig geworden en verhieven zich 100 h 150 voeten boven de watervlakte. Behalve enkele vlugtende BaliŽrs zag men geen levend wezen.

Daar een afdwalen naar het westen , zoowel als de toe- nemende hinderpalen, de geheele verkenning konden doen mislukken, werd besloten de kolonne langs de hooge rotswanden te doen afdalen, de rivier over te gaan en te beproeven, of langs haren regter oever een pad te vin- den ware. Niet zonder bezwaren werd dat volbragt, de poging was echter vergeefsch, het terrein was daar even onbegaanbaar en men was verpligt naar den linker rivieroever terug te keeren. Hier wilde men nu door de sappeurs een pad doen open hakken, maar ook dit bleek ondoenlijk te zijn, zoodat er niets over schoot daa het bed zelf der rivier te volgen.

Men ging stroomopwaarts , nu eens het water tot aan het midden en dan weder tot de knieŽn hebbende: rechts en links zag men slechts digtbegroeide steile rotswanden, de rivier had niet meer dan 12 voeten breedte en loop werd hier en daar gestremd, door vervaarlijke groote steenklompen. Het was een ware stortvloed en hoe moeijelijk hier het vooruitkomen was , behoeft bijna geene beschrijving. De rotswanden werden al hooger en hoo- ger, men schatte ze soms op 200 voeten. Ware de ko- lonne hier ontdekt geworden, de vijand had haar, door iet doen nederstorten van rotsbrokken, zonder moeite kunnen vernietigen.

Na eenigen tijd alzoo gemarcheerd te hebben, zag men een smal voetpad zich tegen den regter rotswand omhoog slingeren. De luitenant kolonel de Beatjw, gevolgd door den luitenant Koster en de voorhoede benevens de sap- peurs, maakte daarvan gebruik om den bovenkant van dien steilen rivieroever te bereiken en zich eenigzins te oriŽnte- ren. Hij zag hier werkelijk de uiterste vleugel redoute van ēde vijandelijke stelling in eene zuidoostelijke rigting, maar ontwaarde niets van de hoofdkolonne, die tegen haar front optrok. Toen hij vervolgens de blikken naar den linker rand van het ravijn wendde, zag hij niet zonder ver- wondering, dat daar eene versterking , bezet, door 3 h, 400 vijanden, gelegen was. De nederdaling in het rivierbed, moet op naauwelijks 6 h 700 schreden van die schans hebben plaats gevonden; geboomte en terreingolvingen moeten de oorzaak zijn geweest, dat men haar op dat oogenblik niet heeft gezien. Waarschijnlijk is dit de- zelfde redoute, waarop de kapitein adjoint Stabing stiet, toen hij uitgezonden werd, om de kolonne op te zoeken.

Het bestaan dier versterking, maakte ,de omstandig- heden waarin de kolonne zich bevond nog moeijeUjker. Het bleek onmogelijk te zijn , langs den regteroever der rivier voort te gaan. Wilde men evenwel in de flank of rug der liniŽn uitkomen, dan moest men in de tot dusverre gevolgde rigting blijven voortmarcheren ; wilde men dit langs den linkeroever doen, dan moest men eene welbezette vijandelijke redoute in zijnen rug laten liggen en die redoute vooraf nemen. Dit laatste, ware men er in geslaagd, zou veel tijd en misscliien zware opofferingen gekost hebben, bet zou bet voortzetten der onderneming op dien eigen dag vermoedelijk bebben ver- hinderd en dus in ieder opzigt, van een zeer twijfel- acbtig nut zijn geweest.

Daar de vijand de onzen nog niet bad ontdekt, en men nu de overtuiging had, dat geen andere weg dan het bed der rivier, in den rug der werken van Djagaraga kon voeren, had men de verkenning bier kunnen staken en zeer waarschijnlijk nog veilig naar Sangsit kunnen te- nigkeeren. Zeer zeker is het althans, dat de gevaren ^ die de kolonne konden bedreigen, niet zouden verminde'- ren, door steeds in het rivierbed te blijven voortmarche ren en eindelijk in den rug der sterkte uit te komen, die de chef van den staf zeer goed wist, dat dien dag niet; met toereikende middelen in het front kon worden aangetast. Het schijnt echter, dat een innig bewustzijn hem bezielde, dat hier door moed en taaie volharding iets groots was te verrigten en dat hij daarin de kracht en het zelfvertrouwen vond, om opeigen verantwoordelijkheid den togt, die als eene verkenning begonnen was, als eene werkelijke omtrekking te vervolgen en te eindigen.

De luitenant kolonel de Brauw besloot dan ook, ten Aanzien van het bestaan der genoemde benting, het stil- zwijgen op te leggen aan een ieder, die haar met hem bad gezien. Hij wilde geene weifeling doen ontstaan onder de troepen, die hij zich voorgenomen had door het rivier- bed verder te geleiden. Hij liet den togt voortzetten. in weerwil der bezwaren, waarmede hij verzeld ging en waarlijk, deze namen eer toe dan af. De kloof waarin men zich bevond werd naauwer, hare wanden hooger en steiler en de stroom der rivier sneller; de onderneming werd meer en meer gevaarlijk, alleen gaf de digte plan tendos van hoog opschietende varen, heesters en slinger- planten, die alles overtoog en de kolonne meestal geheel overwelfde, hoop, dat men niet door den vijand aou wor- den ontdekt.

De kolonne had op die wijze weder bijna een unr ge- marcheerd zonder eenen weg gevonden te hebben die naar boven kon voeren, men berekende in het geheel 1^ paal wegs afgelegd te hebben en hield het er voor dat men reeds in des vijands rug moest aangekomen zijn. De voor- hoede meldde eindelijk, dat zij zich bevond bij een pad' dat in de rotsen was uitgehouwen en tot aan den boven- rand van den regter ravijn oever voortliep^

De kolonne hield halt en de mantri aris van Grissee werd met den inlandschen sergeant Poetoe Soeranga naar boven gezonden om den omtrek zooveel mogelijk te verkennen. Deze wat lang uitblijvende, ging de lui- tenant kolonel de Bratjw, gevolgd door den luitenant ' EosTBB en de voorhoede, in persoon. Hij vond dat de ravijnwand, hooger op, enige flaauwe helling had en met allang allang was begroeid. Door dit gras op handen en voeten voortkruipende, bereikte men eindelijk eene plaats, van waar men een vrij uitzigt had over het voor- liggende terrein. Hetgeen men ontwaarde, was verre van geruststellend te zijn. In eene oostelijke rigting werd, op 3 Ť. 400 schreden af stands, eene vijandelijke schans gezien die vrij sterk was bezet; achter deze ontwaarde men nog andere versterkingen, en in eene noordoostelijke rigting welligt op 12 ^ 1400 schreden, eene geheele linie van redonten, die waarschijnlijk de hoofdstelling des vijands uitmaakten. In eene zuidoosteUjke rigting werd^ op 200 schreden afstands, het nitzigt door een maas veld beperkt.

Alles scheen aan te dniden, dat de kolonne thans werę keiijk in de flank en zelfs in den rug der vijandelijke werken was aangekomen. De nabijheid dier werken op dit pnnt, maakte levenwel voor de troepen het verlaten van het rivierbed tot eene hoogst gewaagde onderneming.

Werd de kolonne ontdekt en aangevallen, eer zij zich in orde geschaard op den bovenrand van het ravijn be- vond, dan liep zij gevaar in de rivier te worden ge worpen, en konden dus de gevolgen van dien aanval haar hoogst nootlottig zijn. Terug te trekken na zoveel te hebben onderstaan, zou niet alleen hard zijn geweest voor brave soldaten, die gereed waren zelfs hťt onmoge- lijke te ondernemen, maar het gunstig oogenblik daartoe was bovendien verstreken, dewijl de onzen reeds ontdekt waren door BaliŽrs, die zich op den linker ravijnrand bevonden, en die alles deden wat in hun vermogen was, om van die ontdekking door teekens, kennis te geven aan de verdedigers der verschansingen.

Thans bleef er derhalve geene keus meer over, en het waagstuk om den vijand met slechts 900 bajonetten en twee kleine mortiertjes in het hart zijner werken te gaan bestoken, zonder op afdoende ondersteuning, van wie dan ook, te kunnen rekenen, moest ondernomen worden.

De luitenant kolonel de Bron de Vexbla liet zijn bataillon kompagnies gewijze naar boven komen, terwijl de veldtros voorloopig, onder bewaking eener kompagnie, in het rivierbed achter bleef. Naarmate de troepen boven kwamen^ werden zij in kompagnies-kolonnes gevormd en ge- deployeerd , met last zich in de hooge allang allang , waarmee de bovenste en flaauwere helling van het ravijn begroeid was, plat op den buik neder te leggen. Terwijl dit ge- schiedde, maakte de chef van den staf een kort berigt voor den bevelvoerenden generaal gereed, wat met den mantri aris van Grissee werd verzonden. Dit was het berigt wat den generaal ten 12^ uur voor Djagaraga gewerd en hem aanleiding gaf tot het bevelen van den frontaanval, waarbij het 13e bataillon zulke geduchte verliezen leed. In weerwil der aanhoudende teekens, die door de BaliŽrs op den linker oever gegeven werden, gelukte het den onzen zich te scharen, zonder, door de verde- digers op den regter oever der rivier, ontdekt te zijn. Een uur tijds was daarmede evenwel verstreken, de infan- teristen hadden, klaunterende met handen en voeten, en om de 10 schreden rustende, den bovenkant bereikt, hoe de paarden en het geschut er waren gekomen, kon men naderhand ter naauwemood zelf begrijpen. De luitenant kolonel le Bron de Vexela sprak zijn bataillon nu met korte en krachtige woorden aan, hij wees het op den gevaarlijken toestand, waarin het zich bevond, en bragt zijne soldaten onder het oog , dat slechts door kloekheid en vastberadenheid aan een wis verderf kon worden ont- komen. Met een luid hoerah, stelde het bataillon zich nu in beweging onder het slaan der trommen en het spe- len der muzijk, het schaarde zich in slagorde op 300 schreden afstands van de naastbijzijnde vijandelijke ver- sterking, zonder dat door de BaliŽrs, in hunne verbazing, iets werd ondernomen om dit te verhinderen.

De luitenant kolonel de Brauw verkende nu met den 1ste luitenant Koster en eenige weinige soldaten het nabij liggend maÔsveld. Naauwelijks hadden zij 50 schre- den door dat veld gedaan^ of zij ontwaarden^ achter het hooge struikgewas. eene andere vijandelijke redoute, waaruit onmiddellijk hevig vuur op J werd geopend. De bezetting der eerst geziene redoute volgde dit voorbeeld onmiddelijk, en nu bevonden zich de onzen tusschen een vrij werkzaam kruisvuur.

Het zal toen ruim 10^ uur zijn geweest.

Een der eerste voorwaarden om hier stand te kunnen houden was, zelf meester te zijn van een der schansen, ten einde zich daarin later zoo noodig te kunnen vastnes- telen. Er werden dan ook terstond beschikkingen geno- men om de redoute A aan te vallen en men koos deze , dewijl zij het steunpunt der vijandelijke werken op diens linkervleugel scheen uit te maken. Zij lag op den uiter- sten rand eener kleine diepte, welke men moest over- trekken, wanneer men haar wilde naderen; zij had wijders geene gracht, bestond uit eene vrij hooge, maar niet zware borstwering en was door eene digte levende haag omgeven.

Tot den aanval werden gesteld, ůnder de bevelen van den majoor Hemmes, de Ie en 2e kompagniŽn, kapiteins Happe en Dessabt, benevens het detachement sappeurs, onder den 2de luitenant Egteb van Wissekeeke, tot het opruimen van beletselen. De overige kompagniŽn bleven intusschen in reserve, maar de beide handmortieren die boven gekomen waren , nadat de genoemde troepen zich reeds in beweging hadden gesteld , werden onmiddelijk in batterij gebragt en deden onder de leiding van den 2de luitenant Eekhout eenige zeer goed gelukte worpen.

Moedig rukten de beide kompagniŽn onder een hevig vuur tegen de versterking op, daalden in het ravijn neder en trokken de benting langs den voet der borstwering om, tot aan de verhakking, die voor de keel was geplaatst. De sappeurs maakten hier , onder bescherming der kom- pagnie van den kapitein Hapf£ spoedig eene opening, terwijl de luitenant Lutkx met eenige sappeurs en man- schappen der £e kompagnie, dien zelfden arbeid op een ander punt verrigtteę Zoodra de toegang tot de, overigens geheel opene, keel der redoute was vrij gemaakt, rukte de kapitein Happť voorwaarts , terwijl de vijand zijn vuur bestendig bleef onderhouden. De 2de luitenant Debens bekwam al dadelijk een doodelijk schot onder het hart. Hij viel en toen zijn kapitein hem wilde oprigten , sprak hij : Het baat niet kapitein, tíis is eene doode- lijke wonde, maar ik sterf als braaf oficier.' Na het binnendringen der schans, zag men den vijand aan de andere zijde, tegen de borstwering, op een hoop bijeen ge- schoold en viel hem aan. De meesten poogden te ont- komen over de 2 el hooge borstwering, die geen banket had, doch andere bleven zich verdedigen, zoodat een flankeur door een schot en een inlander door eene lans- steek werden gewond. De sergeant Poetob Soeranga ó BaliŽr van geboorte, die tijdens de eerste expeditie met de inlandsche Willemsorde en na de tweede met een eere- klewang begiftigd werd ó drong met zijn sabel in de hand als een doUe op den hoop in, hieuw een over de borstwering klimmende vijand letterlijk de ruggestreng door, maar werd daarop zelf door een lanssteek doode- lijk getroffen.

De 2e kompagnie was intusschen langs eene andere zijde binnengedrongen; er had e-en kort, maar moorddadig ge- vecht plaats, tot de Nederlandsclie vlag, die door den moedigen 2de luitenant Luykx, geholpen door den adju- dant onderofficier van Bosstraeten, op de wallen was ge- plant, getuigde, dat de overwinning aan onze zijde was gebleven. Een 30tal gesneuvelde en gewonde BaliŽrs lag op den bodem uitgestrekt.

De verbetering, die, door het nemen dezer sterkte, in den stand der dingen bij de onzen was gekomen, werd door een ieder zoo levendig gevoeld, dat het verrijzen der vaderlandsche kleuren, boven de kruin der sterkte, met een herhaald gejuich werd begroet en deze vreugde nam niet weinig toe, toen men bespeurde, dat de vijand door het verlies van deze schans verpligt was nog eene tweede, die aan deze zijde geheel open was, te verlaten.

De Ie en 2e kompagniŽn drongen inmiddels voor waarts, gevolgd door de pe (kapitein Wolwebee), ter- wijl de 3e kompagnie (kapitein Buys), voorloopig de veroverde redoute bleef bezetten.

De Ie kompagnie met de sappeurs wendde zich links en de 2e en 6e marcheerden regt vooruit in eene oos- telijke rigting, tot men aan eene diepte kwam, die door de Ie kompagnie en sappeurs werd overgetrokken.

Deze handeling verjoeg den vijand uit de linie C, die aan de zijden der onzen eveneens open was.

Intusschen begon de vijand zich, met groote hoopen langs den buitenrand der kampong Djagaraga, van welke de onzen nagenoeg 6 k 700 schreden verwijderd waren, te verzamelen. Zijne trailleurs onderhielden een levendig geweervuur met die der kolonne. De handmortieren, die intusschen waren opgerukt, deden eenige schoone worpen. Het terrein dat uit natte rijstvelden bestond, was moeije- lijk te begaan. De Ie kompagnie, die over het ravijn op de regterflank voorwaarts geposteerd was, werd hier door de BaliŽrs met de lans in de vuist aangevallen; het oogenblik was hachelijk voor haar, want zij kon door de beide andere kompagniŽn, van wie zij door het ravijn gescheiden was, niet anders worden ondersteund dan door een krachtig geweervuur, dat in de vijandelijke jBanken werd aangebragt. Zij hield echter moedig stand en wees den vijand met verlies af.

Het was op dit oogenblik, dat men ook het geschut en klein geweervuur der hoofdkolonne vernam, dat niet weinig bijdroeg tot verlevendiging van den moed der troepen.

Een peloton der 6e kompagnie voegde zich bij de Ie en later werden de navolgende beschikkingen genomen:

De Ie, 2e, 4e en 6e kompagniŽn trokken in de linie, die in den aanvang door de Ie kompagnie was bezet ge- worden, terwijl de 3e en 5e met de ambulance en veld- tros in de eerstgenomen redoute werden geplaatst. Het werd echter half drie uur in den namiddag, eer alles uit de rivier naar boven en in de redoute was gebragt.

Daar de behoefte aan rust zeer groot was geworden , besloot men die, in weerwil van het bestendig vuur der BaliŽrs, aan de troepen te verleenen. Men dekte zich achter de borstwering der linie zoo goed mogelijk tegen dat vuur, dat voornamelijk werd onderhouden, uit de versterking D, die noordwestwaarts van de linie en over een diep ravijn was gelegen , zoodat zij met onze afgematte soldaten niet kon worden bestormd. Enkele tirailleurs, langs de linie geplaatst, bleven des vijands schoten beantwoorden, terwijl de handmortieren hem nu en dan eenige granaten toewierpen. De onzen bekwamen, door eene opening, die in de borstwering der linie was, eenige gewonden^ waartoe de wakkere kapitein Hafp^ behoorde^ die zijne kompagnie op dezen dag met zooyeel^ moed en beleid tegen den vijand had aangevoerd* Een geweerkogel trof hem ernstig in den linker schouder.

Het was 4 uur in den namiddag geworden toen de majoor BoquE met de 3 kompagniŽn van het 5e bataillon bij de 2e kolonne aankwam. Aanvankelijk geloofde deze, dat de vijandelijke liniŽn in het front waren doorgebro^ ken en dat de gemeenschap nu volkomen was hersteld. Het wekte dan ook eaiige teleurstelling op toen men vernam dat deze kompagniŽn reeds ten 12 uur van Djagaraga waren weg gezonden^ dat zij derhalve vier uren badden moeten besteden, om doodelijk ver- moeid alhier te kunnen aankomen, en dat zij noch le-i vensmiddelen, noch munitie mede bragten. Niettemin was eene versterking, die het getal strijders met de helft vermeerderde, zeer welkom. De kompagniŽn van het 5e bataillon rukten eveneens in de linie, om daar vooreerst eenige rust te genieten.

Die rust was echter van korten duur, want thans be- gon de vijand, die de linie tot nog toe slechts Łit het front had beschoten, haar ook te enfileren, waardooi het getal onzer gewonden zeer toenam. Er werd dus beę sloten eenen uitval te doen met drie kompagniŽn. Het bevel daarover werd opgedragen aan den majoor Hsiocss,

De 4e kompagnie (kapitein Boon van Ostadb) roei de 6e van het 7e bataŁlon verspreidden zich en tirailleur en werden door de Ie als reserve gevolgd. De vijande- lijke tirailleurs waren spoedig teruggedreven, maar sterke massa's BaliŽrs kwamen uit de hoofdstelling aanrukken en verzamelden zich in en bij de kampong DjagaragaĽ In weerwil de onzen een krachtig geweervuur onderhiel- den en de mortieren gelukkige worpen te midden vaa hunne drommen deden, wendden zij zich tegen de twee tiraŁlerende kompagniŽn en gingen tot eenen aanval met de lans over. Het geweervuur der tirailleurs en eenen bajonet aanval der Ie kompagnie in hunne flank, bragt hen tot staan en vervolgens tot wijken. Zij werden krachtig door de onzen vervolgd tot op 50 schreden van de eerste huizen der kampong Djagaraga. Een gedeelte hunner trok vervolgens zuidwaarts en wilde nog eenen aanval beproeven op de ambulance en veldtros, maar wer den ook hier door de 3e en 5e kompagnie (kapitein Hachez) afgeslagen.

De drie onder majoor Hemmes uitgezonden kompag- niŽn, bleven den vijand nog eenigen iijd gadeslaan en keerden tegen 7 uur in de linie terug.

De nacht werd in de aangeduide positie doorgebragt, zonder dat men door den vijand werd verontrust.

De stelling evenwel, waarin de luitenant kolonel db Beauw, bij het vallen van den avond, zich met de zijnen bevond, was nog in geenen deele gunstig. De weinige medengenomen levensmiddelen waren verbruikt ; goed drinkwater was niet te bekomen, want men was reeds te ver van de rivier verwijderd om het daar te kunnen halen, en een ieder moest zich behelpen met het bezonken water van de rijstvelden ; een gedeelte der reserve munitie was reeds uitgereikt en allen waren doodelijk vermoeid en afgemat. Bij dit alles kwam nog de onzekerheid, hoe lang men nog van de hoofdmagt zou gescheiden blijven. Het was dus noodig eene poging aan te wenden om met die hoofdmagt in gemeenschap te komen, en den bevel- voerenden generaal kennis te geven van den stand der zaken. Een daartoe strekkend rapport, waarin tevens drin-

gend om levensmiddelen en munitie werd gevraagd^ werd aan den kapitein BŁys ter hand gesteld^ om het met zijne kompagnie bij het opkomen der maan^ naar Sangsit of naar Djagaraga, aan den opperbevelhebber te brengen. Het verlies der 2e kolonne werd in dit rapport opgege- ven als te bestaan uit een officier en 7 onderofficieren en manschappen, aan dooden, en een officier met 41 on- derofficieren en manschappen, aan gewonden. In het ge- heel waren er dus 50 hoofden buiten gevecht gesteld, alle van het 7e bataiUon infanterie.

De kapitein BŁys was niet gelukkig in zijne poging; hij keerde weldra terug, berigtende dat vervaarlijke diep- ten , digte wildernis en vijandelijke benden hem hadden belet zijne taak te volbrengen. Eene patrouille van een onderofficier met een zestal soldaten slaagde evenmin, tot dat het eindelijk, des morgens ten 5 uur, aan den kapitein Hachez gelukte, met den brief, den weg naar het hoofdkwartier te vinden.

Onderwijl was men in het bivak der tweede kolonne niet geheel werkeloos gebleven. De luitenant kolonel db BkaŁw begreep te regt dat al het mogelijke in het werk moest worden gesteld, niet slechts om zijne troepen uit den moeijelijken toestand te brengen waarin ze zich bevonden, maar zelfs om de vermeestering van Djagaraga in allen deele te doen slagen. Dit een en ander zou volkomen zijn bereikt, wanneer hij zich eenen weg kon banen, dwars door de vijandelijke werken, om zich te hereenigen met de hoofdmagt der onzen, die hij vermoedde, dat nog altijd voor hun front moest staan. Het banen van dien weg kon evenwel niet anders geschieden, dan doŲr nog eene of meer schansen te bemagtigen, en naar de moge- lijkheid daartoe, liet hij gedurende den nacht onderzoek doen. De 2de luitenant ingenieur Egter van Wissekeekb had reeds, terwijl de dag nog aan den hemel was, zijne aandacht gevestigd op eenen doorgang, die scheen te voeren, van de door ons bezette linie, naar de redoute, waaruit de onzen het hevigst waren bestookt geworden en die aan deze zijde het eenige werk scheen te zijn, dat den toegang tot des vijands hoofdstelling nog afsloot. De 1ste luitenant der artillerie Kostee werd ten 1^ uur met den 2de luitenant Egter van Wissekerke en 4 flan- keurs, benevens 5 sappeurs derwaarts ter verkenning ge- zonden. Zij waren van brandstichtende middelen voorzien, om daarvan des noods gebruik te kunnen maken.

Na verloop van een uur keerden deze officieren terug met het berigt, dat zij een pad gevonden hadden, dat langs de achterzijde van eenige versterkingen liep, die door een diep ravijn van elkander gescheiden, maar door zware , in dit ravijn geplaatste , levende en digte hagen aan elkander verbonden waren; de verst afgelegene was voorzien van eene smalle en ondiepe gracht, zonder heg, doch met een begroeid veld er voor; langs de westelijke borstwering lag eveneens een ravijn, met daarenboven nog eene zware heg. Deze schans was of in het geheel niet, of althans zeer zwak bezet, en werd gewis zeer slecht bewaakt.

Hoewel de vijand de kolonne gedurende den nacht niet verontrustte, zag men evenwel aan zijne zijde, naar den kant van Djagaraga, bestendig eene groote beweging en een voortdurend heen en weder loopen met fakkels, hetgeen bij sommigen het vermoeden deed rijzen, dat hij zich met zijnen aftogt onledig hield, een vermoeden dat weldra bleek allezins gegrond te zijn geweest.

Op het rapport der luitenants Koster en Egter van Wissekerke, waren terstond de noodige beschikkingen genomen om de door hen verkende verschansingen door verrassing te nemen. De 4e en 6e kompagniŽn van het 7e hataillon, onder aanvoering van den majoor Hemmes^ werden daartoe hestemd, terwijl de Ie en 2e kompagniŽn van het 5e bataillon (kapiteins Engelenburg en Pool- man), onder den majoor Roquť, als reserve zouden volgen. De 2de luitenant Egter van Wissekerke moest de aan- vallende troepen geleiden.

De overige troepen, onder den luitenant kolonel le Bron de Vexela, bleven de veroverde verschansingen voorloo- pig bezetten.

Ten 4| uur en derhalve lang voor het aanbreken van den dag, stelde men zich in beweging. Naauwelijks een half uur later hoorde men, in de stelling der onzen, dui- delijk de bijlslagen der sappeurs, die de beletselen op- ruimden, hetgeen ten bewijs strekte, dat de schans wer- kelijk was verlaten.

Toen de redoute beklommen was, begon het daglicht te schemeren, en men ontwaarde meester te zijn van de sterkte, die den uitersten linkervleugel vormde der aan- eengeschakelde verschansingen van Djagaraga, en wel van die, welke achter de redoute no. 4 gelegen was. De voor- uitgezonden kompagniŽn stonden nu achter den ingang der caponniŤre, welke tot gemeenschap diende met deze redoute, en hadden voor zich de redoute no. S of gelijk zij heette, die van goesti Djilantiek.

In de caponniŤre vertoonde zich eene bende van 400 BaliŽrs, waarschijnlijk de bezetting der redoute no. 4, die haren terugtogt wilde bewerkstelligen, terwijl ook de redoute no. 8 met 2 Ť, 300 man bezet was. Al dadelijk werd, door een hevig vuur van de 4de kompagnie 7e bataillon, aan de bezetting der redoute no. 4, den aftogt belet; zij maakte regtsom keert en verdween in de rigting der redonte, waaruit zij vermoedelijk door eenen an- deren daar aanwezigen uitgang is ontsnapt, dewijl eene kompagnie van het 13e bataillon, die er later binnendrong, de sterkte verlaten vond.

De redoute no. 3 was aan de zijde der onzen slechts gesloten door eenen muur, waarin drie doorgangen waren, zoodat de vermeestering daarvan niet moeijelijk scheen te zullen zijn. De 4e kompagnie werd bestemd tot het doen van den aanval, en de 6e om mogelijk ontzet af te weren.

De vijand verdedigde zich echter dapper, zoowel door een goed onderhouden geweervuur, als door een hagelbui van pijlen, die hij den onzen toezond; door herhaalde kleine uitvallen, maakte hij bovendien het naderen der ingangen meer en meer moeijelijk.

Het was intusschen dag geworden en een sterk geweer- vuur in het front verkondigde, dat de aanval aan die zijde door de hoofdtroep werd ondersteund.

De vijand bleef zich nog altijd moedig weren, het ge- vecht nam toe in hevigheid, de kommandant der 4e kom- pagnie, kapitein Boon van Ostade, geraakte persoonlijk handgemeen met de BaliŽrs, die wanhopige pogingen de- den, om zich staande te houden. Eindelijk beklom de 4e kompagnie de borstwering der courtine, van waar zij den vijand met haar vuur beheerschte, en toen vervol- gens ook de beide kompagniŽn van het 5e bataillon de ingangen bestormden, was de zoo goed verdedigde schans weldra genomen en de bezetting over de kling gejaagd. Slechts aan enkele gelukte het over de borstwering te ontkomen.

Weinige oogenblikken te voren was de wakkere chef van den staf, luitenant kolonel de BraŁw, door eene pijl wier spits den vorm van eenen drietand had, ernstig in de regter zijde gewond geworden. Zoo werd dan ook deze kloeke aanvoerder bniten gevecht gesteld, doch ge lukkig niet dan nadat de moeijelijke en gevaarvolle taak, die hij met zooveel geestkracht had ondernomen en door- gezet , op eene glansrijke wijze , bijna was ten einde gebragt.

Wij zijn thans genaderd tot het tijdstip, waarop het verhaal der verrigtingen van de hoofdmagt is afgebro- ken. "Wij hebben reeds gezegd, dat de luitenant kolonel VAN SwiETEN, in dic oogenblikken kommandant der troe- pen voor Djagaraga, zoodra hij het vuur van den luite- nant kolonel de Beauw vernam, terstond besloot tot eenen aanval op het front der versterkingen.

Hij zond de drie kompagniŽn van het 3e bataillon, benevens de 4e van het 5e bataiUon, naar den toegang die tusschen de redouten no. 1 en 2 gelegen was, met last om daar zoo mogelijk binnen te dringen; de 6e kom- pagnie van het 5e bataillon rigtte zich op de westelijke saillant der redoute no. 2 en de Ie kompagnie van het 13e bataillon , werd naar de redoute no. 4 gezonden.

Het overige der infanterie bleef bij het geschut in re- serve. De ambulance werd door de hulptroepen bewaakt.

Uit de weinige vijanden , die zich nog in de oostelijke redoute ophielden, bleek nu duidelijk, dat zij den nacht hadden te baat genomen om eenen aanvang te maken met het ontruimen hunner verschansingen. De verdedi- ging was dan ook flaauw; reeds voor 6 uur was men meester van de geheele stelling en hadden onze troepen zich hereenigd*

Toen de generaal Michiels ten 7 uur van Sangsit voor Djagaraga kwam, vond hij alom de Nederlandsche drie- kleur, gepaard aan de Oranjevaandels onzer moedige batail- lons, boven de kruinen dezer zoo geduchte liniŽn wapperen.

De liouwitzer, die in 1848 was achter gelaten, werd mede terug gevonden; hij was tot aan de tappen geladen met grof en hoekig buskruid , waarop , behalve eenige proppen van het inwendige weefsel van kokosnoten, een knuppelkogel 5, 1 ^, eene ledige granaat Ų. 11|- dm. en twee zakjes met grof koraalgruis geladen waren.

De vijandelijke versterkingen door onze troepen in be- zit genomen zijnde, bleef er nog over de kampong Dja- garaga te verkennen. De bevelvoerende generaal was van meening, dat de radja van Bleling welligt een po- pootan (zie de inleiding) zou wagen, zoodat de luitenant kolonel van Swieten die verkenning in persoon ging ma- ken met de 5e en 6e kompagniŽn van het 13e bataillon. Hij vond te Djagaraga evenwel niets dan eene bevreesde bevolking, die hem, als blijken van onderwerping, kokos- noten en runderen ten geschenke bood. De vijand was werkelijk gevlugt en in de rigting van het rijk Karang Assam afgetrokken.

Men vond in de vijandelijke verscliansingen , behalve den reeds genoemden houwitzer: 1 ijzeren kanon i 6 ^ op rolpaard ; 2 dito kanons ^ 4 ^ eveneens op rolpaar- den ; 5 metalen lilla^s van verschillende kalibers ; eene menigte projectilen van allerlei aard; 8 vaatjes gevuld met Engelsch crepť kruid in blikjes en 55 vaatjes met Engelsch infanterie buskruid.

Dit laatste werd vervolgens door de onzen gebezigd tot het vernielen der verschansingen.

De verliezen des vijands werden, volgens hunne eigene, later aan ons gedane opgaven, op 6000 man begroot, welk getal evenwel overdreven schijnt ie zijn. Het verlies der onzen bedroeg in alles 33 dooden en 148 gewonden.

De vijandelijke werken waren weinig of niet bescha- digd; in sommige, vooral in de redoute no. 3, die van goesti DniiANTiEK, werden vele lijken gevonden.

Gedurende den nacht waren er te Sangsit nog maat regelen genomen , die eenige vermelding verdienen , of- schoon zij niet door gevechten werden gevolgd. Beeds in den namiddag van den 15, toen het halve 3e batail- lon naar Djagaraga was opgerukt, en ei derhalve te Sangsit slechts een half bataillon, benevens de berg- batterij 3 ^, was achtergebleven, liet de vice admiraal kommandant der vloot, terstond alle beschikbare ma- riniers ontschepen, om de bezetting van die plaats te versterken. Later ontving men berigt, dat eene aanzien- lijke magt van Klonkong in aantogt was, om zich langs het strand op Sangsit te werpen, terwijl onze hoofd- magt van daar was verwijderd. De vice admiraal gaf daarop bevel aan de schoenerbrikken Banda, Banka, Saparoea, Dolfijn, benevens de barkassen en sloepen, voorzien van hun geschut en matrozen met scheepswa- penen , om digt aan het strand te ankeren , en aan den vijand de nadering tot Sangsit te beletten; gedurende den nacht werden gewapende sloepen op brandwacht gehouden.

Het bleek echter dat de ontvangen berigten onjuist waren ; de nacht ging rustig voorbij , alleen werd het halve 3e bataillon ten onregte gealarmeerd, waarbij het ongeluk plaats had, dat de Ie luitenant von Schimmel- man eene doodelijke wonde bekwam, door het omvallen van een rot geladen geweren, dat het schot van een dezer wapens deed ontbranden.

Des morgens ten 11 uur van den 16 April, verkon- digde een salut van 21 schoten, zoo wel te land als op de reede, de behaalde overwinning.

Naarmate wij in ons verhaal vorderden, hebben wij onze beschouwingen medegedeeld over de wijze waarop Djagaraga werd aangevallen en genomen. Wij hebben daarbij reeds doen uitkomen, dat deze wijze, wanneer men haar toetst aan de gestrenge regelen der krijgskunst, stof geeft tot menige billijke aanmerking. Maar wij zien er tevens uit, dat het aan een kloeke geest en een hel- der brein, wanneer zij ondersteund worden door flinke soldaten, soms geoorloofd kan zijn, die regelen ter zijde te schuiven en te beproeven, door stoutmoedige en onbe- zweken voortvarendheid , datgeen te verwerven , wat door- gaans slechts verkregen wordt door taai geduld en lang- zaam, maar zeker overleg. Het koene besluit van den luitenant kolonel de Bbauw om den togt, die hij als ver- kenning begon, als omtrekking te vervolgen en door te zetten, heeft de verdere gebeurtenissen van den 15 en 16 April geheel beheerscht. De generaal Michiels was daardoor niet vrij meer in zijne handelingen, en al zijn streven op den 15 is geweest , om aan een gedeelte zijner krijgsmagt , waarvan hij , in weerwil van alle po- gingen, niets stelligs kon te weten komen, en dat hij in hoogst netelige omstandigheden waande, lucht te geven. Het valt moeijelijk uit te wijzen, wat er van de troepen onder de bevelen van de BjiaŁw zou geworden zijn, wanneer de generaal zich Vergenoegd had met Djagaraga, in het front, slechts met artillerievuur te bestoken, zon- der daarop eenen, wel is waar schier hopeloozen, maar toch krachtigen, stormenderliandschen aanval te beproeven. Wij durven echter de vraag stellen , of de generaal wel verantwoord zou zijn geweest, wanneer hij dien had achter- wege gelaten, en wanneer de omtrekkende kolonne, gelijk hij in sommige oogenblikken vreesde, werkelijk geheel in de pan gehakt ware geworden.

Het is intusschen boven allen twijfel verheven, dat het doen plaats hebben van eenen geregelden en stelsel- matigen aanval op Djagaraga, aanzienlijk meer offers ge- kost zou hebben, dan nu, door het omtrekken en be- stormen der liniŽn, zijn gevorderd.

Het terrein voor die stelling leverde niets op, zelfs, gelijk wij gezien hebben, geen drinkwater. Alles wat derhalve tot huisvesting en verpleging der troepen zou noodig zijn geweest, had van Sangsit of Boenkoelan moeten worden aangevoerd. Het getal koelies zou voor deze taak onvoldoende zijn geweest, en men zou derhalve van de soldaten zelf eenen voortdurenden zwaren arbeid hebben moeten vorderen, die hen toch nog aan ontbe- ringen zou hebben prijs gelaten. Voegt men hierbij den niet minder zwaren arbeid , die het opwerpen van bat- terijen en het ontgraven der bedekte toenaderingen zou hebben geŽischt en die men hun eveneens had moeten opleggen; let men op de, voor de gezondheid zoo scha- delijke, uitdampingen, die in IndiŽ steeds het gevolg zijn van het omwoelen des bodems ; op de bestendige waak- zaamheid en derhalve op de afmattende veiligheidsdienst, die noodzakelijk zou zijn geweest; op de verliezen door des vijands vuur te weeg gebragt; op de koude nachten en de brandend heete dagen, dan gelooven wij, dat geen deskundige zal ontkennen , dat de gang der krijgsverrig- tingen op Bali veel gewonnen had, door de wijze waar- op het pleit was beslist.

GEVOLGEN DEE VEROVERING VAN DJAGA- EAGA EN VOOEBEREIDING TOT DEN TOGT NAAE KARANG ASSAM.

Vermoedelijke redenen van de troawelooze handelingen der vorsten van Bleling en Karang Assam. ó Gevolgen der verovering van Bjagaraga. ó De vorst van Bleling wordt beschouwd als vervallen te zijn van den troon. ó Maatregelen , om in de regering van Bleling te voorzien. ó Zending van den heer VAN Capellen naar Badong. ó De vorst van Bleling wordt geheel door de bevolking verlaten. ó Wreedaardige handeling van dien vorst, ó Gevolgen daarvan. ó Uitslag der zending van den heer van CArzLLEN. ó De vorst van Bangli bezoekt den generaal Michiels. ó Voorstellen hem gedaan en gevol- gen daarvan. ó Djembrana wordt weder een zelfstandigen staat. ó Onze troepen keeren grootendeels naar Sangsit te- rug. ó Djagaraga wordt geslecht en geheel door de onzen verlaten. ó Proeven aangaande het opruimen van dadap doerie. ó Verdere plannen van den generaal Michiels. ó De vorst van Lombok verzoekt deel te mogen nemen aan de krijgsverrigtingen tegen Karang Assam. ó De generaal laat eene bezetting in het rijk van Bleling achter en vertrekt met zijne troepen naar de baai van Laboean Amok, ten einde Klon- kong on Karang Assam aan te tasten. ó Hij zelf bezoekt vooraf Badong en gaat van daar eveneens naar de Laboean Amok baai.

De trouwelooze handelingen der vorsten van Bleling en Karang Assam kunnen in niets anders hun ontstaan gevonden hebben, dan in den wensch, om door schijnbare onderwerping en derhalve door misleiding, tijd te winnen, om hunne strijdkrachten te vergrooten en zich meer en beter voor te bereiden tot den kamp, die zij voor hunne onafhankelijkheid wilden wagen. Daartoe was het noodig, dat zij zich in het oog hunner bevolkingen als opper- magtige gebieders bleven gedragen, en zij verschenen uit dien hoofde op de bijeenkomsten te Singaradja en Sangsit dan ook geenszins in de houding, die een on- dergeschikten tegenover zijnen meerdere betaamt, maar vergezeld van gewapenden en alsof zij huns gelijken gingen bezoeken.

Het bewaren dier houding werd hun echter onmogelijk, toen de generaal Michiels eischte door eene bres binnen Djagaraga te komen, en toen hij weigerde de vorsten aldaar te ontmoeten. Het oogenblik tot het nemen van een stellig besluit was nu voor hen gekomen; zij moesten zich inderdaad onderwerpen of naar het zwaard grijpen, en zij verkozen het laatste. Gesteund door den overmoed* die hen bezielde , door de voordelen in het vorige jaar behaald, en door de uitwerkselen van des opperbevel- hebbers edelmoedigheid, die bij hen, gelijk doorgaans bij Indische volken het geval is, wel voor zwakheid en vrees zal gegolden hebben , gingen zij des te eerder daartoe over.

Intusschen was de vervulling hunner hooggespannen verwachtingen op deerlijke wijze verijdeld, en hadden zij den opperbevelhebber in de verpligting gebragt, den inhoud der manifesten" van 1848 geheel op hen toe te passen. De radja^s van Bleling en Karang Assam moes- ten worden onttroond, en de uitlevering van den goesti DjiLAXTiEK was noodzakelijk geworden. Op welke wijze men dit een en ander tot stand zou brengen, kon even- wel niet onmiddelijk na het staken van den strijd wor- den bepaald. Zelfs gedurende de eerste twee dagen na de overwinning bleef men nog geheel in het onzekere, of de vorsten zich met hunne krijgsmagt niet in het gebergte hadden teruggetrokken, om de onzen aldaar op nieuw af te wachten. Het vervolgen des vijands toch, gelijk de regelen der krijgskunst dat na eene overwinning voorschrijven, kan in IndiŽ onmogelijk, ver buiten de grenzen van het slagveld, worden voortgezet. In zulke woeste en onbegaanbare terreinen als hier worden aan- getroffen , weet een inlandsch vijand , die noch geschut , noch veldtros met zich voert , zich zůů spoedig onzigt- baar te maken, dat alle pogingen, om hem te achtervol- gen, ijdel worden.

Men moest dus op nadere berigten van kondschappers wachten en hielden deze in, dat de vijand werkelijk eene nieuwe stelling dieper in het gebergte had gekozen, dan kon de oorlog nog lang gerekt worden en de opperbe- velhebber zich nog in vele moeijelijkheden gewikkeld zien. Immers hoe ruim men ook, in vergelijking met het vo- rige jaar, van transportmiddelen was voorzien, zoo zouden zij toch niet toereikend zijn geweest, om de troepen, op grooten afstand van het strand, van het noodige te voor- zien. En de troepen zelf; zou hunne sterkte voldoende zijn om, na hier hunne taak volbragt te hebben, ook nog op de zuidoostkust van het eiland tegen Klonkong te kunnen oprukken? Men zal vermoedelijk met ons tot het besluit komen, dat hun getal daartoe ontoereikende zou zijn geweest, wanneer men verneemt, dat de sterkte op het einde van April, door allerlei oorzaken, reeds met bijna 700 hoofden was verminderd.

lijken bezitter van dien troon tot opvolger was bestemd geworden, was van Badong geschreven, dat het oogen- blik daar was, om te beproeven eene omwenteling in zijn voordeel te bewerken; dat het Nederlandsch bestuur genegen was, hem hierin behulpzaam te zijn en hem als , radja te erkennen, wanneer hij slaagde; dat hij voorts den rijksbestuurder van Karang Assam, goesti Made Djoen- GOETAiÔ, vergiffenis kon toezeggen, wanneer deze hem de hand wilde leenen. Deze ida Ratoe heeft echter nimmer iets van zich laten hooren.

De radja van Gianjar, die zijne weifelingen had be- sloten , met de partij der vijandelijke vorsten te kie- zen en die thans zeer op hen gebeten was , dewijl goesti Djilantiek zonder eenige reden de 600 man, die hij naar Djagaraga had gezonden, had doen ontwa- penen en van daar verwijderen , wilde , naar men be- weerde, niets liever doen, dan zich weder met de Neder- landers verzoenen.

Klonkong ó berigtte de heer van Capellen verder ó scheen nog altijd in zijnen tegenstand te willen volhar- den; men hield vol, dat het 15 h 16000 man t^en ons zou kunnen aanvoeren, maar de versterkingen, die zoowel te Klonkong zeK als te Kasoemba bestonden, zou- den zeer onbeduidend zijn.

Daar het landschap Djembrana, dat door den radja van Bleling was overweldigd geworden, door den val van deze, zijne onafhankelijkheid had herkregen, zoo had de heer van Capellen eindelijk de goesti Alit Gentoeh, zoon en erfgenaam van den verdreven vorst, van Badong medegenomen, ten einde hem te doen beproeven of de bevolking van Djembrana genegen was, onder zijn be- stuur, weder eenen zelfstandigen staat te vormen.

Inmiddels werd ijverig voortgegaan met de regeling der inwendige aangelegenheden van het rijk Bleling. Dewa Made Eai gevoelde zich niet in staat, een land dat zulke hevige schokken had ondergaan, tot rust en orde te brengen en het de zegeningen des vredes te doen genieten. Hij keerde derhalve weder naar Badong terug.

Door de pembukkels of kampongshoofden werd nu, in eenen grooten raad, tot pengawah of regent verkozen de goesti Made Eai, een man die, naar men beweerde, eveneens van vorstelijken bloede was. Deze benoeming werd door den opperbevelhebber goedgekeurd. De pen- gawah vestigde zich voorloopig te Sangsit, hoofdzakelijk dewijl hij hier het beste in staat was , de diensten te doen regelen en uitvoeren, die men genoodzaakt was van de bevolking te eischen. Deze diensten bestonden in het leveren van bouwstoffen voor een kampement, dat te Bleling werd opgerigt, en in het dagelijks verstrekken van gras voor onze talrijke paarden. Dit waren de eenige oorlogslasten die den overwonnenen werden opgelegd, en het volk voldeed ze met groote bereidwilligheid. Men zag hierin teregt een nader bewijs van de groote omme- keer, die in de zienswijze der BaliŽrs had plaats gevon- den; die ommekeer werd nog meer gestaafd door den spoed en het gemak, waarmede de uitlevering werd ver- kregen van een groot aantal geweren, die in 1848 in hunne handen waren gevallen. Deze geweren waren door de vorsten uitgereikt aan hunne meest vertrouwde volge- lingen, en het bleek dus dat zij ook door deze reeds waren verlaten. Het sterkste bewijs van eene geheel ver- anderde gezindheid der bevolking werd evenwel daardoor geleverd, dat een gezant van den radja van Bangli, slechts verzeld door 40 ongewapenden, van zijne bergen afdaalde, en voorafgegaan door eene Nederlandsche vlag, ongehinderd het geheele land doortrok tot Sangsit, waar hij den bevelvoerenden generaal ging ontmoeten.

Dit gezantschap bragt de tijding mede, dat zijn vorst het landschap Batoer had hernomen, en dat hij wenschte te weten, op welken dag de generaal hem kon ontvangen. Het tijdstip daartoe werd vastgesteld op den 26 April, wanneer de radja dan ook in volle staatsie en verzeld van 2000 gewapenden, waartoe hem vergunning was ge- geven, te Sangsit verscheen.

In het gesprek met dien bondgenoot gehouden, werd hem te kennen gegeven,, dat het hem volkomen vrij stond, zich weder in het bezit te stellen der land- schappen, hem door de vorsten van Bleling, Karang Assam, Gianjar en Mengoei ontnomen. De vorst van Bangli was ons niet alleen voortdurend getrouw gebleven, maar hij stond bovendien bekend als een man van veel doorzigt en geestkracht, die zijn land met wijsheid en klem bestuurde. De opperbevelhebber vond hierin aan- leiding, hem zijne inzigten, over de verdere regeling der Balische zaken, mede te deelen. Hij gaf hen zelfs te kennen, dat hij er wel toe overhelde om den tegen- woordigen dewa agong van zijne waardigheid te ontzetten en hem dewa gedeh Tangkeban, radja van Bangli, in zijne plaats, tot dewa agong te verheffen. Het geslacht van den radja van Bangli toch, was van veel edeler bloed dan dat van den dewa agong en hij was bovendien de eenigste vorst, die niet door eenen eed aan hem verbon- den was. In deze omstandigheden, gepaard aan de per- soonlijke goede eigenschappen en de ons bewezen trouw van den radja, zou eenen waarborg gelegen hebben, dat men door zijne verheffing eenen opregten en sterken vriend aan het hoofd der Balische zaken had verkregen. De vorst van Bangli toonde echter geene genegenheid de hem toegedachte hooge waardigheid te aanvaarden; hij voorzag, dat de naijver der overige vorsten hem niet in het rustig bezit daarvan zou laten; hij meende, dat zijne verheffing de eerste stap zou zijn tot eene reeks van nieuwe moeilijkheden en binnenlandsche beroeringen en hij was dus verstandig en onbaatzuchtig genoeg, om voor de hem aangeboden onderscheiding te bedanken.

Daar op Bali geen andere vorst kon aangewezen wor- den, op wien het wenschelijk en mogelijk was de waardig- heid van dewa agong te doen overgaan, zoo helde de vorst van Bangli over tot het denkbeeld, dat onze belan- gen nog het best gediend zouden worden door den tegen- woordigen vorst van Klonkong, die overigens zijn vijand was, in het bezit daarvan te laten.

Deze zienswijze is, gelijk wij later zien zullen, niet zonder invloed gebleven op de eindregeUng der politieke aangelegenheden van Bali, evenmin als het voorstel, aan den radja van Bangli gedaan, dit bleef op den verderen loop der zaken.

Het gesprokene toch, waarbij men zich van tolken had moeten bedienen, was niet volkomen geheim gebleven en de radja^s van Badong en Tabanan schijnen er zelfs door bewogen te zijn geworden om, in de maand Junij, tegen den dewa agong op te rukken, ten einde hem te dwingen zich met ons te verstaan, dewijl zij vreesden hem anders door den radja van Bangli tŽ zien vervangen,

Aan de andere zijde schijnen eenige zwarigheden, die later door onzen bondgenoot van Badong tegen den togt naar Klonkong werden geopperd, en die vermoedelijk hun ontstaan vonden in vrees voor de ontzetting van den dewa agong, een nader bewijs te leveren voor de juistheid van het gevoelen des radja^s van Bangli, dat hij deze waardigheid niet in rust en vrede zou hebben bezeten.

De radja van Bangli keerde den 27 April naar zijne staten terug, overladen met allerlei geschenken, maar vooral ruim begiftigd met kruid en lood en met twee Nederlandsche vlaggen, op wier bezit hij grooten prijs stelde. Hij had beloofd aan de vorsten van Klonkong en Karang Assam, wanneer zij door ons zouden worden aangevallen en geslagen, ,te beletten naar het gebergte te vlugten; ook zou hij de gemeenschap tusschen Klonkong en Karang Assam zooveel doenlijk bemoeijelijken.

Op dien zelfden dag verscheen te Sangsit een gezant- schap uit Djembrana. Het verzekerde den generaal, dat de pembukkels, benevens de bevolking, met genoegen had- den vernomen, dat de generaal hun land weder tot eenen onafhankelijken staat wilde verheffen, en het verzocht hem den goesti Alit Gentoeh, zoon van den verdreven vorst, tot radja te mogen hebben. Dit verzoek, wat wij hier- boven reeds gezien hebben, dat geheel met de inzigten van den generaal MiCHiiiÔiS strookte, werd ingewilligd. De kapitein adjudant Jhr. van Capellen vertrok dien ten gevolge den 29 naar Djembrana, waar hij den vorst, op plegtige wijze , in het gezag zijner vaderen herstelde.

Terwijl de opperbevelhebber zich alzoo onledig hield met het regelen der politieke zaken van het overwonnen land, waren onze troepen weder grootendeels, uit de liniŽn van Djagaraga, terug gekeerd naar Sangsit, waar men beter in hunne voeding en verpleging kon voor- zien. De liniŽn waren voorloopig bezet gebleven door het 3e bataillon infanterie, de 3 ^ bergbatterij en de sappears. Deze laatsten waren, onder de leiding der genie officieren, ijverig werkzaam aan het sloopen en ver- nielen der genomen verschansingen, In 13 dagen tijds waren er niet minder dan 68 mijngangen, van 3 tot 5 Ned. ellen diepte, in den zoo harden en vasten Hei- grond dier werken geopend; in 34 daarvan waren mijn- ovens aangelegd, geladen en ontstoken. Hierdoor had men de borstweringen der redouten no. 1 en 2 vernield, eene groote bres in die van no. 3 gelegd en verder de gedekte' gemeenschap tusschen de verschillende werken verbroken. Daar men nu de UniŽn van Djagaraga voldoende onbruik- baar gemaakt achtte, werd het laden en ontsteken der overige mijnen, wegens de groote hoeveelheid buskruid die het gekost zou hebben, achterwege gelaten.

Ook een gedeelte der digte levende hagen , die de werken omgaven, werd door buskruid opgeruimd, doch meer om te dien aanzien proeven en onderzoekingen te doen, dan wel als noodzakelijken maatregel voor den oogenblik. Men vond, dat een vaatje met ZO Ned. ^ buskruid, halverwege in ‹en grond gegraven tegen de stammen der dadap doerie, na ontstoken te zijn, in de heg eene gave opening maakte van 5 Ned. ellen breedte, en daarenboven regts en Hnks van de opening nog wel eene breedte van 3 Ned. ellen onschadelijk maakte.

Toen de werken van Djagaraga voldoende waren ver- nield , vereenigden al de troepen zich te Sangsit.

De opperbevelhebber had besloten het halve 5e batail- lon infanterie, eene sectie van de 3 ^ bergbatterij en de hulptroepen, benevens 500 van de minst valide koelies, achter te laten. Deze troepen werden onder de bevelen gesteld van den majoor Eoqui; zij waren bestemd ter beveiliging van het rijk van Bleling en werden vereenigd ia het kampement, dat nabij onze redoute te Bleling, opzettelijk voor hen was gebouwd.

Met het overige zijner magt zou de generaal zich we- der inschepen en zich begeven naar de baai van Laboean Amok, ten einde van daar de krijgsverrigtingen tegen Karang Assam te vervolgen en die tegen Klongkong te beginnen. Deze krijgsverrigtingen regtstreeks van Sangsit aan te vangen en geheel over land voort te zetten, was eene onmogelijkheid, die men ten volle zal beseffen^ wanneer men zich onze geographische en topographische beschrijving van het eiland herinnert, en zich te binnen brengt, wat wij over het volgen van den vijand in het gebergte reeds hebben gezegd.

Een paar kleine oorlogschepen werden op de reede van Bleling achter gelaten, met last, om de gemeenschap met de baai van Laboean Amok te onderhouden.

Eene bende van 1000 BaliŽrs, uit het rijk van Ble- ling, zouden onder den goesti Noman Lebak (wiens moeder en broeder door den verdreven radja waren vermoord), oprukken naar Agnies, nabij Toela Koeta^ op de grenzen van Karang Assam. Aanvankelijk waren die troepen slechts bestemd, om tegen eenen vijande- lijken inval te waken, maar later werd hen, op hun dringend verzoek, toegestaan, in het Karang Assamsche te vallen.

Wij hebben reeds elders aangemerkt, dat het getal strijders van den generaal Michiels, op het einde der maand April, door verschillende oorzaken, met bijna 700 man was verminderd.

In dat der koelies was, naar evenredigheid, nog eene veel grootere vermindering ontstaan, zoodat de generaal voor zijn vertrek nog 500 koelies ontbood van die, welke te Soerabaya werden beschikbaar gehouden. Zij kwamen den 4 Mei te Sangsit aan.

Volgens alle ingekomen berigten, waren de verjaagde radja^s, benevens de goesti Djilantiek, nog altijd te Karang Assam. Er heerschte daar, zoo wel als te Klong- kong, eene groote ontsteltenis, wegens de nabij zijnde komst der onzen. Men had niettemin besloten zich te verdedigen en werkte daartoe ijverig aan verschansingen, die vooral te Karang Assam, Kasoemba en Klonkong werden opgerigt of verbeterd.

De dewa agong zou evenwel den goesti Djilantiek bestendig uit Klonkong verwijderd houden, ten einde daardoor, zoo hij hoopte, minder kans te hebben door de onzen in zijn rijk te worden aangevallen.

Voor zijn vertrek van Sangsit, ontving de opperbevel- hebber nog een gezantschap van den vorst van Mataram, op het eiland Lombok, die tot onze getrouwste Indische vrienden en bondgenooten behoorde.

De vorst liet den generaal dank zeggen voor de be- rigten, die hij hem aangaande de verovering van Dja- garaga had gezonden, en maakte van de gelegenheid ge- bruik, om hem te herinneren aan de beloften, die hem reeds in 1847 en 1848, vůůr en tijdens de tweede expe- ditie, door de gouvemements kommissarissen Maijob, en baron de Kock gedaan waren. Die beloften hielden in, dat hij zou mogen medewerken tot het bestraffen van den radja van Karang Assam. Hij achtte zich in staat 6000 man troepen derwaarts te zenden, zoo de generaal hem slechts met middelen tot den overtogt wilde behulp- zaam zijn. Voor het verleenen van deze hulp, hoopte hij beloond te worden met het landschap Tjoelik in Karang Assam, waarop hij buitendien beweerde regt te hebben.

Zijne gezanten wisten dit regt, wel is waar, niet te sta- ven, maar aangezien er sedert lang eene bijzonder goede verstandhouding heerschte tusschen den radja van Mata- ram en den rijksbestuurder van Karang Assam, die, even als een goed deel van het volk in laatst genoemd land, afkeerig was van zijnen vorst, zoo begreep de generaal, dat de hulp der Lombokkers een groot gewigt in de schaal kon leggen. Hij wees die dan ook geenszins af, maar stelde het geven van een bepaald bescheid uit, tot hij, in de baai van Laboean Amok, zich nader met den stand der zaken in die oorden zou hebben bekend ge- maakt. Hij verzocht derhalve het gezantschap, de vloot derwaarts te volgen.

Op den 9 Mei en alzoo 23 dagen na de overwinning van Djagaraga, verliet de generaal Michiels Sangsit, zich begevende langs Bali Badong naar Laboean Amok. Wan- neer men geen ooggetuige geweest is van de gebeurtenis- sen en niet al de zwarigheden kent, die welligt moesten wůrden overwonnen, of het langzame in de handelingen van Indische grooten, waaraan men zich moest onderwer- pen, dan is het moeijelijk te bepalen, of zulk een aan- zienlijk tijdsverloop als 23 dagen daarstellen, inderdaad noodig is geweest, om tot stand te brengen, wat in Bleling is verrigt. Te bejammeren is het echter, dat zoovele dagen voor de krijgshandelingen ongebruikt moes- ten voorbij gaan , want de tijd naderde met rassche schre- den , waarin geene vloot meer veilig zou wezen op de zuidoostkust van Bali.

Te Badong vernam de generaal, van den radja onzen bondgenoot, dat deze op den 17 Mei in het rijk van Mengoei zou vallen. De radja van Mengoei had echter, even als die van Gianjar , de tusschenkomst van den Ne- derlandschen agent te Badong ingeroepen, om weder in genade door ons te worden aangenomen. Daar nu de radja van Gianjar, zoo als wij gezien hebben, door een inval uit Bangli werd bedreigd, zoo liet de generaal hen beiden weten, dat zij ten spoedigste gezanten te Laboean Amok aan hem hadden te zenden, want dat hunne rijken onherroepelijk voor hen zouden zijn verloren, wanneer onze bondgenooten eenmaal over hunne grenzen zouden zijn getrokken. Het bleek later, dat de verzekeringen der beide vorsten geen ander doel hadden gehad, dan ons te misleiden en tijd te winnen.

De opperbevelhebber kwam op den 12 Mei in de baai van Laboean Amok ten anker en vond daar de geheele vloot reeds vereenigd, dank zij de goede diensten van de vele stoomschepen , die aan de expeditie waren toe- gevoegd.

DE VAL VAN KARANG ASSAM.

Ontscheping te Laboean Amok en togt naar Padang GoTe. ó Redenen waarom eerst Karang Assam en daarna Klonkong wordt aangetast. ó De hulp der Lombokkers wordt aangeno- men. ó Be heer yan Capellsn gaat naar Lombok, om de sterkte der krijgsmagt en de voorwaarden waarop zg zal worden geleverd, te regelen. ó In Karang Assam bereidt ziťh eene omwenteling voor, ten nadeele van den regerenden vorst. ó De rijksbestnurder van Karang Assam scheidt zich van zijnen vorst en onderwerpt zich aan de Nederlanders. ó Het getal zieken neemt te Padang Cove , vooral onder de koelies , be- langrijk toe. ó £en gedeelte der troepen wordt weder inge* scheept, om over zee naar Karang Assam te gaan. ó De Lom- bokkers, die te Padang Cove zijn aangekomen, gaan over land derwaarts. ó Loop der zaken in Karang Assam. ó De vofsl snenvelt en z\jn bondgenoot, de radja van Bleling, vlagt met goesti DjiLAirriEK naar het gebergte. ó Gelukkigen afloop van dien veldtogt, die zoo r\jk aan bezwaren had kannen z^n. ó Heilzamen invloed, die het nemen van Djagaraga op dit een en ander heeft gehad. ó Yoorbereidselen voor den togt naar Klonkong. ó Het getal der zieken neemt te Padang Cove op zorgbarende wijze toe. ó Maatregelen tot hunne verpleging ge* nomen.

In de inleiding hebben wij reeds doen uitkomen^ dat geene vloot zich langer dan tot half Junij langs de zuid- oostkust van het eiland Bali kan blijven ophouden , zon- der zich aan de grootste gevaren bloot te stellen.

Daar men reeds tot den 12 Mei was gevorderd, en derhalve binnen eene maand tijds , de rijken van Klonkong en Karang Assam ten onder gebragt moesten worden, viel er geen oogenblik meer te verliezen. Al dadelijk werd dan ook bevel gegeven, op den 13 Mei, drie kompagniŽn van het 13e bataillon aan wal te zetten, om onder den luitenant kolonel van Swieten het terrein rondom de ont- schepingsplaats te verkennen, en zoo mogelijk, achter het kleine voorgebergte, dat de baai van Padang Cove van de Laboean Amok baai gescheiden houdt, door te drin- gen en zich te Padang Cove te vestigen. Te gelijker tijd zou er eene verkenning met gewapende sloepen in de baai van Padang Cove plaats hebben.

Nog eer de troepen van den luitenant kolonel van Swieten aan wal gekomen waren, zag men ůp de bergen, die de baai tot kort bij het strand omringen, zich eene vijandelijke magt van 2 h, 3000 man bewegen. De gene- raal besloot derhalve de rest zijner troepen terstond te doen volgen, en dank zij den ijver daarbij door de marine aan den dag gelegd, was nog voor den avond zijne ge- heele krijgsmagt, met uitzondering eener halver 6 ^ bat- terij, die voorloopig aan boord moest blijven, te Laboean Amok ontscheept.

De troepen van den luitenant kolonel van Swieten, die het eerst aan wal kwamen, vonden hoegenaamd geenen tegenstand. Daar de generaal besloten had hen te ver- sterken, alvorens ze naar Padang Cove te doen oprukken, kwam er eenige verandering in de gegeven bevelen. Als een gevolg daarvan rukte omstreeks IJ- uur de luitenant kolonel Poland met 4 kompagniŽn van het 3e bataillon naar Padang Cove en trok die plaats, na eene kleine schermutseling, binnen.

De generaal Michiels ten 3 uur aan wal komende, en beducht zijnde voor eenen aanval in den rug der troepen van Poland, beval eene demonstratie naar de zijde der bergen, tevens met het doel om eenige bentings op te sporen, die daar zouden zijn* gelegen. Deze taak werd op- gedragen aan den wnd. chef van den staf ridmeester von Stampa, met eene kompagnie van het 13e bataillon onder den kapitein Smits. Deze verdreef de troepen, die zich in den rug van het 3e bataillon vertoond hadden en stelde zich op, dwars over den weg die naar Padang Cove voert.

Toen de generaal Michiels van den ridmeester von Stampa, die met de zijnen eenen zeer vermoeijenden togt had gemaakt, berigt ontving, dat nergens bentings te vinden waren, en dat de vijand alom was teruggetrokken, ging hij met 3 kompagniŽn van het 7e bataillon insgelijks op marsch naar Padang Cove, wat hij bereids door Poland bezet vond.

De opperbevelhebber vestigde hier zijn hoofdkwartier, terwijl de overige troepen te Laboean Amok, nabij het strand, onder den luitenant kolonel van Swieten, gebi- vakkeerd bleven.

De verkenning der baai met sloepen was aan den lui- tenant ter zee Ie kl. Veester opgedragen en door den kapitein adjoint bij den staf Staring bijgewoond gewor- den. Zij was zonder vijandelijkheden afgeloopen en had verscheidene nuttige inlichtingen verschaft.

Door het bezetten van Padang Cove kon de opperbe- velhebber zijne strijdkrachten naar verkiezing tegen Klon- kong of Karang Assam rigten. Hij bevond zich bijna op even grooten afstand van de hoofdplaatsen der beide rijken. De weg die naar Klonkong voerde, liep evenwel over bijna effen terrein, terwijl die, welke naar Karang Assam ging, over bergruggen leidde van 1000 voeten hoogte en meer. Het scheen dus verkieslijk het eerst tegen Klonkong op te rukken, maar redenen-, van poli- tieken aard, hielden den generaal Michiels daarvan terug.

Wij hebben reeds gezien dat in Karang Assam eene partij bestond, die den rijksbestuurder aan haar hoofd had en den vorst van dat land zeer ongenegen was. Deze partij had slechts eenige ondersteuning noodig om het hoofd op te steken en naar de wapenen te grijpen. Het was te voorzien, dat zij zich bij onze nadering met ons zou vereenigen, om tot den val van den tegenwoor- digen radja mede te werken. Het was derhalve dienstig van dezen gunstigen stand der dingen gebruik te maken, eer zich welligt eene omkeering, in de gevoelens van zooveel Karang Assammers, openbaarde.

Was Karang Assam overwonnen, dan zou Klonkong al weder van eenen bondgenoot beroofd zijn, wij zouden, naarmate ons aanzien door den voorspoed onzer wapenen rees, minder kans hebben, dat andere vorsten het zouden wagen, den dewa agong te ondersteunen en wij zouden eindelijk, bij het wenden van onze wapenen tegen hem, geene vrees meer behoeven te koesteren van in den rug te zullen worden bestookt.

De generaal Michiels besloot dan ook den togt naar Karang Assam aan dien naar Klonkong te doen vooraf- gaan. Hij besloot tevens, daarbij gebruik te maken van de hulp, die hem was aangeboden door den radja van Mataram op Lombok. Daardoor behoefde hij een gerin- ger aantal, zijner eigene troepen, naar Karang Assam te zenden en verschafte zich dus het voordeel van aan de zijnen vermoeijenissen te besparen en eene sterker magt te Padang Cove gereed te hebben, om daarmede het ge- ven van bijstand door Klonkong te beletten, wanneer dit mogt worden beproefd.

De kapitein adjudant ęThr. van Capellen werd dien- tengevolge op den 14 Mei naar Lombok gezonden, om den radja van Mataram het antwoord van den generaal over te brengen, en de komst der hulptroepen voor te bereiden.

De ontvangst die de heer van Capellen bij den radja genoot, was al dadelijk zoo vriendelijk en voorkomend, dat er met voldoende zekerheid uit afgeleid kon worden, dat hij niets meer verlangde dan een toestemmend ant- woord op zijn verzoek te bekomen.

Hem werd te kennen gegeven, dat, aangezien de regt- matigheid zijner aanspraken, op een gedeelte van Karang Assam, nog nader moest worden bewezen, hem aangaande het toekomstig bezit daarvan, nog geene stellige toezeg- gingen konden worden gedaan, maar dat niettemin zijne medewerking, tot de verovering van dat rijk en de be- straffing van den radja, die de opperbevelhebber besloten had aan te nemen, altijd met eene vermeerdering van grondgebied en van gezag zou worden beloond. Hem werd wijders medegedeeld , dat de Nederlandsch Indische regering, met den oorlog tegen eenige Balische vorsten, niet alleen beoogde hem te bestraffen wegens hunne weer- spannigheid en trouweloosheid, maar tevens het vestigen van een regtvaardig en krachtig bestuur op het eiland, ten einde rust en welvaart aldaar te doen bloeijen.

Den heer van Capellen vroeg vervolgens aan den radja, hoe groot de magt was, dieu hij ter onzer be- schikking dacht te kunnen stellen. Het antwoord van den vorst kwam hier op neder. Het voorname doel van zijn aanbod was geweest het sparen van veel moeite en bloed, want hij was met ze- kerheid onderrigt, dat een goed deel der bevolking den radja van Karang Assam verlaten en zich aan zijne zijde scharen zou, zoodra zijne troepen, met goedvinden der Nederlanders, daar voet aan wal zetten. Hij had reeds van verschillende grooten , waartoe de rijksbestuurder goesti Made Djoengoetan behoorde, aanzoek gekregen, zich de zaken van Karang Assam aan te trekken. Ove- rigens waren, naar hij beweerde, zijne voorouders steeds in het wettig bezit van dat land geweest, maar hij wilde niettemin geene voorwaarden steUen bij het verleenen der aangeboden hulp, hij zou in deze alles aan de beslissing van den opperbevelhebber over laten. Hij meende, dat 4000 man voldoende zouden wezen en beloofde die gereed te zullen hebben, zoodra de generaal het verlangde. Hij wenschte voorts, bij tijds eenige vertrouwde personen naar Oedjong te zenden, om kennis te geven van de komst zijner troepen en om maatregelen te nemen, dat aan niemand dergenen, die zich bij de zijnen mogt willen voegen, eenig leed geschiede.

Dit laatste werd al dadelijk ingewilligd en men kwam bovendien overeen, dat de 4000 man gereed zouden zijn, om den 17 en 18 aan boord te gaan der schepen, die daartoe zouden worden gezonden. Zij zouden staan on- der de bevelen van den goesti gedeh Eai met nog twee ida^s en, hetzij te Laboean Amok, hetzij elders, waar de generaal het noodig mogt oordeelen, aan wal worden gezet.

Terwijl de heer van Capellen zich nog op Lombok ophield, had men in het hoofdkwartier verschillende be- rigten ontvangen, dat de tegenstand in Karang Assam niet alleen onbeduidend zou wezen, maar ook dat het om- wentelingszaad daar welig tierde. Reeds in den morgen van den 14 hadden de meeste kampongs, die rondom Padang Cove gelegen waren, hunne onderwerping aan den generaal aangeboden, en op den 15 gewerd hem eenen brief, die door den rijksbestuurder, goesti Made Djobngoetan, aan het hoofd van een dezer kampongs geschreven was, en waarin diens tusschenkomst werd in- geroepen om toegang tot den generaal te verkrijgen, ten einde zich eveneens te kunnen onderwerpen. Hem werd berigt, dat hij zou ontvangen worden, maar dat hij zich regtstreeks tot den opperbevelhebber had te wenden.

Beeds den 16 werd een brief van hem ontvangen, waarin hij verklaarde, zich geheel aan de genade van den opperbevelhebber over te geven en zijne diensten aan te bieden. Hem werd hierop medegedeeld, dat hij welkom zoude zijn, mits hij zich met alle welgezinde inwoners van Karang Assam onderwierp aan den radja van Ma- taram. Nog dienzeMden avond verscheen hij voor den generaal en gaf te kennen, dat zijn lot nu volkomen in diens handen berustte, want dat er, na dezen stap, voor hem niet meer te denken viel, om ooit weder naar zijnen vorst terug te keeren. Hij verzocht naar Lombok te mogen gaan, ten einde den vorst van Mataram in het verzamelen en verzenden zijner troepen behulpzaam te zijn, en gaf in overweging, toch zoodra mogelijk naar de hoofdplaats van Karang Assam op te rukken, dewijl an- ders de personen die zijne partij waren toegedaan, in groot gevaar zouden geraken van hun leven en althans hunne eigendommen te verliezen. Daar de komst der Lombokkers kort op handen was, werd hem aanbevolen zich te Padang Cove, of in de nabijheid, te blijven ophouden; voorts werd hem de verzekering gegeven, dat de krijgsverrigtingen ten spoe- digste zouden beginnen.

Vijf stoomschepen met vijf transportschepen vertrokken den 17 naar Lombok en waren den 19, met de hulptroe- pen van den vorst van Mataram aan boord, weder alle in de baai van Laboean Amok terug.

Intusschen waren al de troepen en koelies sedert den 14 te Padang Cove vereenigd geworden, nadat de weg van Laboean Amak derwaarts, door de sappeurs met groote inspanning, voor het geschut bruikbaar gemaakt was ge- worden. Het getal zieken vermeerderde daar belangrijk, waartoe vermoedelijk zeer veel bijdroeg, het gebrek aan voldoende hoeveelheid drinkwater. Te Padang Cove was niets te verkrijgen, en hetgeen verstrekt werd, moest door de zorgen der marine, met praauwen en sloepen, uit de baai van Laboean Amok worden aangevoerd. Hierbij kwam nog, dat de ruimte te Padang Cove, voor zoo veel menschen en paarden, uiterst bekrompen was. Vooral namen de zieken onder de koelies op eene onrustba- rendewijze toe; in weerwil der versterking die de ge- neraal nog te Sangsit, van Java had laten komen, was hun getal reeds weder tot op 1000 h, 1200 hoofden ge- slonken.

Zoodra de hulptroepen ter reede van Laboean Amok gekomen waren, besloot de opperbevelhebber onmiddelijk tot den togt naar Karang Assam over te gaan.

Goesti Made Djoengoetan moest zich met zijnen aan- hang vereenigen met goesti gedeh Eai, hoofdaanvoerder der Lomboksche hulpbenden en reeds den 20 Mei op marsch gaan naar de zijde van Oedjong^ eene zeeplaats^ die slechts op vier palen afistands van de hoofdplaats gelegen is, terwijl in den vroegen morgen van den 21 een deel van de vloot, bestaande nit 2 fregatten, 6 stoom- schepen, 4 schoeners, 6 kndsbooten en 3 transportsche- pen, aan boord waarvan zich het linker halve 5e bataillon infuiterie en eene sectie bergartillerie bevonden, naar Oedjong den steven zoude wenden.

De generaal had het voornemen zijne troepen bij Oed- jong aan wal te zetten; bij grooten tegenstand zonden zij worden ondersteund door een landiagsbataillon, dat op de vloot uit matrozen en mariniers gevormd en onder de bevelen van den kapitein ter zee Bousicius gesteld was. De mogeUjkheid eener landing bij Oedjong werd evenwel door deskundigen zeer in twijfel getrokken.

Op den 19 Mei moesten alzoo de 4000 man hulptroe- pen van den vorst van Mataram nog aan wal gebragt en daarentegen het halve 5e bataillon, benevens de sectie bergartillerie, weder ingescheept worden. Dit alles kwam ter zijner tijd tot stand, dank zij den onverdroten ijver en de inspanningen onzer zeemagt.

In den nacht van den 19 op den 20 begaven de hulptroepen zich op marsch naar de zijde van Oedjong. Te gelijker tijd werd het berigt ontvangen, dat benden van Klonkong en Gianjar in beweging waren naar Karang Assam. Eene verkenning evenwel, die gezonden werd naar de kampong Bloembang, gelegen op den weg van Klonkong naar Karang Assam, bespeurde daarvan niets.

Het eskader, dat voor den togt naar Oedjong bestemd was, ligtte vroeg in den morgen van den 21 het anker. De opperbevelhebber bevond zich daar in persoon aan boord en had gedurende zijne afwezigheid het bevel dęr overige troepen opgedragen aan den luitenant ' kolonel VAN SWIETEN.

Door de hulp der stoomschepen was men weldra voor Oedjong aangekomen en reeds uit de verte ontwaarde men, dat boven alle kampongs de witte vlag wapperde. Een zendeling van den goesti Made Djoengoetan kwam terstond aan boord en bragt de tijding, dat de radja van Karang Assam, reeds den vorigen avond, van meest al de zijnen verlaten, en door de voorhoede der Lombok- kers en een deel zijner eigene onderdanen aangevallen was geworden. Weldra had het geringe overblijfsel zijner magt hem geheel aan zijn lot overgelaten en had hij den dood gevonden, na vooraf, met eigen hand, zijne vrou- wen om het leven te hebben gebragt.

De gewezen vorst van Bleling met goesti Djilantiek waren, van slechts weinigen verzeld, naar het gebergte ge- vlugt, doch werden van alle zijden vervolgd en opge- spoord. De generaal wel gissende wat bloedig lot hen te wachten stond, gaf bevel hen, zoo mogelijk, levend aan hem over te leveren.

Alzoo was de oorlog tegen Karang Assam geŽindigd, zonder dat onze troepen daaraan deel hadden behoeven te nemen. Deze uitkomst mogt dubbel gelukkig worden genoemd, want in de eerste plaats bleek, dat eene lan- ding te Oedjong onmogelijk zou zijn geweest. De rol- lingen der zee waren zůů zwaar , dat de generaal zelf , verzeld van eenige officieren, niet zonder moeite en ge- vaar aan wal kon gaan, hoezeer hij eene uitmuntende sloep ter zijner beschikking had. De togt naar Karang Assam had dus geheel over land moeten geschieden, hetzij uit Laboean Amok of Padang Cove, hetzij uit Tjoelik aan de noordoostkust. Zware en zeer vermoeijende marschen over hooge en woeste bergruggen, hadden dan moeten worden ondernomen, waarbij vermoedelijk, behalve kleine mortiertjes, geen geschut had kunnen worden mede- gevoerd. Door het gering aantal koelies zou men ook slechts schaarsch van levensmiddelen en andere benoodigd- heden zijn voorzien geweest; groote ontberingen hadden dus aan onze krijgers opgelegd moeten worden. Had men nu daarbij eenen tegenstand gevonden, gelijk door eene eendragtige en goed aangevoerde bevolking kan ge- boden worden, dan zouden de kansen op slagen, inder- daad gering zijn geweest.

De omwenteling in Karang Assam heeft ons de ver- overing van dat land gemakkelijk gemaakt ; die omwente- ling is door ons op aUerlei wijzen bevorderd geworden, maar gewis had zij, zonder de verovering van Djagaraga, nimmer haar beslag gekregen. Hadden wij onze wapenen tegen Karang Assam gekeerd, zonder Bleling vooraf met nadruk te hebben gekastijd, dan hadden de omwente- lingsgezinden het vermoedelijk niet gewaagd hun hoofd op te steken, en wij hadden hier een nog krachtiger tegen- stand kunnen vinden, dan die in het rijk van Bleling werd overwonnen. Het blijft zelfs zeer twijfelachtig, of de radja van Mataram, wel zoo gretig zou zijn geweest om zich onder onze vanen te scharen , wanneer die niet waren omstraald geweest met den luister der overwinning van Djagaraga.

Het blijkt dus dat de generaal Michiels zeer juist had geoordeeld, door den veldtogt niet te openen met eene landing op de zuidoostkust van het eiland.

Den 22 Mei was het eskader weder in de baai van Laboean Amok teruggekeerd, en onmiddelijk werd nu overgegaan tot het nemen der noodige beschikkingen, om den 24 over Koesoemba naar Klonkong te kunnen oprukken^

Met groot leedwezen ontwaarde evenwel de bevelvoe- rende generaal, dat het getal zijner troepen reeds bijna tot op de helft was verminderd. Op den 23 Mei had hij nog slechts 66 officieren en 2096 onderofficieren en manschappen onder de wapenen, voorwaar een groot ver- schil tegen de 116 officieren en 3768 onderofficieren en manschappen, waarmede hij Java had verlaten; gewis was ook de bezetting, die te Bleling was achtergebleven, in deze vermindering begrepen, maar het overige, ten bedrage van 1400 hoofden, was, zoowel door ziekte als door het vijandelijk lood of staal, voor goed uit de ge- lederen gevaagd.

De officieren van gezondheid, hoewel aangemoedigd en voorgegaan door hunnen kundigen en ijverigen chef, de dirigerende officier van gezondheid der Ie klasse G. Wassink, schoten met den besten wil te kort, in hunne pogingen tot het behoorlijk verplegen van zooveel lijders. Ook ontbrak, in de daartoe opzettelijk inge- rigte hospitaalschepen , de ruimte om al de zieken te kunnen opnemen. Er werd dus bevel gegeven, om de lijders, die daar niet meer konden verpleegd worden, aan boord te brengen der transportschepen , die voor hunne korpsen waren gehuurd, en ze daar, door de geneesheeren van die schepen, te doen behandelen. Op den 22, 23 en 24 Mei werden bovendien 460 der zwaarste zieken naar het hospitaal te Soerabaya verzonden, en nog bleven niet alleen de beide hospitaalschepen, maar ook vele trans- portschepen en het bivak opgepropt met kranke soldaten.

Het getal koelies was op ongeloofelijke wijze vermin- derd, men kon er met de grootste moeite naauwelijks 1000 vinden om voor drie dagen levensmiddelen en 50 draagbaren mede naar het Klontongsche te nemen. Een getal van 5 h, 600 koelies lag krank daar neder.

Ten einde zijne troepenmagt te vermeerderen, besloot de generaal Michiels, voor den togt naar Klonkong, de hulp in te roepen van het landingsbataillon der marine, onder den kapitein ter zee Botjeicius. Dit bataillon, sterk 586 hoofden, werd door den vice admi- raal terstond ter zijner beschikking gesteld.

IV.

DE TOGT NAAR KASOEMBA EN HET SNEUVELEN VAN DEN GENERAAL MICHIELS.

Beschr^viDg van het terrein en van de v^andel\jke stellingen tussclien Padang Cove en Kasoemba. ó De tempel van Soenla Lawas. ó Beschikkingen voor den togt derwaarts, ó Het nemen van Soenla Lawas. ó Beschikkingen voor den marsch naar Ka- soemba. ó Overwinning te Kasoemba. ó Hardnekkigen tegen- stand des vijands, zelfs na het gevecht. ó Inlegering onzer troepen te Kasoemba, en veiligheidsmaatregelen aldaar geno- men. ó Nachtelijken aanval op Kasoemba. ó De v^and wordt met groot verlies afgeslagen. ó De generaal Michiels wordt doodelijk gewond. ó Verliezen der onzen in de laatste ge- vechten.

De weg, die van Padang Cove naar Kasoemba voert, gaat eerst door een naauwen pas van het gebergte , dat de baai omringt, en loopt vervolgens door bouwland evenwij- dig aan het strand. Het gebergte verwijdert zich, dan eens wat meer en dan eens wat minder, van het strand, doch strekt zich op twee plaatsen, met laag afloopende ruggen. tot aan den oever der zee uit. De eerste dezer plaatsen is op omtrent 2 palen van Padang Cove gelegen, en de tweede ongeveer 1200 schreden verder naar de zijde van Kasoemba. Tusschen deze twee punten vormt het gebergte eene kleine bogt, die een terrein omsluit, dat uit bouwland bestaat en met heggen en struikgewas door- sneden is. Het zeestrand vormt hier den weg naar Ka- soemba. Aan het tweede punt ligt een tampat dewa of tempel, die voor de oudste op Bali wordt gehouden, en waarbij zich eene heilige grot bevindt. De vijand had dien tempel eenigermate versterkt, en naar men be- weerde, besloten hem te verdedigen met al den moed en de standvastigheid, die het bezit dezer geheiligde plek, volgens zijne overtuiging, waardig was te betoonen.

Voorbij den tempel verwijdert het gebergte zich weder meer en meer van de zee, en zal daarvan, ter hoogte van de kampong Kasoemba, welligt op 200 schreden afstands gelegen zijn. Verder wendt het zich geheel naar het westen, en vormt met de kust den zuidelijken hoek van het eiland, waarin de rijken Klonkong, Gianjar, Mengoei, Tabanan en Badong liggen.

Voorbij den tempel, tot aan de kampong Kasoemba, bestaat het terrein, dat tusschen het gebergte en het strand is gelegen, geheel uit bouwland, dat met vele doom- achtige heggen doorkruisd en hier en daar met kokos- boomen beplant is. Kort bij het gebergte lag nog een tamelijk groote kampong.

Ten westen van Kasoemba strekte zich eene ruime opene vlakte uit, bestaande uit drooge rijstvelden, die met zeer weinig klimming naar het gebergte oprezen. Deze vlakte zal misschien 1500 schreden breed zijn ge- weest. Het plan, hier achter gevoegd, zal den verderen toe- stand van het terrein duidelijk maken.

Eer men Kasoemba kon bereiken , dat de generaal be- stemd had tot nachtverblijf op den eersten dag, moest de stelling van Soenla Lawas of de versterkte tempel ge- nomen worden.

De volgende beschikkingen waren dienovereenkomstig voor den 24 Mei uitgevaardigd.

Twee kompagniŽn van het 7e bataillon moesten tot dekking van de magazijnen te Padang Cove achterblijven.

Eene voorhoede, bestaande uit het 13e bataillon, het linker halve 5e bataillon, de bergbatterij (die na aftrek van de sectie die te Bleling was gebleven, nog sterk was, twee kanons Ť, 3 ^ en twee mortieren a 11^ dm.) , benevens twee mortieren Ť. 11| dm. van het positie geschut en de sappeurs, moesten, onder aanvoering van den luitenant kolonel van SwiETBN, bij het aanbreken van den dag, op marsch gaan.

De overige troepen bestaande uit het 3e, het 7e en het marine landingsbataillon, moesten met de halve veld- batterij, alles onder de bevelen van den generaal in per- soon, een uur later volgen.

De troepen moesten vůůr den afmarsch eenen maaltijd houden en wijders voor een dag gekookt eten, door ieder man zelf te dragen, mede nemen.

Wij hebben reeds gezegd, dat nog bovendien voor drie dagen levensmiddelen, benevens 50 tandoe^s of draagbaren, door koelies werden medegevoerd.

Ten einde zoo min mogelijk oponthoud te ondervinden, werd de halve veldbatterij, den avond te voren, door den moeijelijken bergpas bij Padang Cove gebragt. Zij bivak- keerde aan gene zijde van den pas, onder bedekking van eene kompagnie van het 5 e bataillon.

Toen op den 24 Mei den dag begon te schemeren , marcheerde de luitenant kolonel van Swibten met zijne voorhoede in de volgende orde af:

twee kompagniŽn van het 13e bataillon , gezamenlijk 83 hoofden sterk, als voorwacht; het 13e bataillon; de sappeurs; de artillerie ; het halve 5e bataillon.

Toen de voorhoede genaderd was tot aan den eersten bergrug, die zich tot aan zee uitstrekt, werd deze bergrug door de voorwacht beklommen en bezet, en vervolgens de komst der hoofdkolonne afgewacht.

Voorwaarts zag men den tempel van Soenla Lawas , die sterk door den vijand was bezet, terwijl nog meer troepen van Kasoemba in aantogt waren. De naauwe doorgang tusschen den tempel en de zee, was met eene zware traverse bijna geheel gesloten. De tempel lag tegen eenen bergrug, waardoor hij zelf, zoowel als de geheele stelling volkomen werd beheerscht.

Tegen 8 uur naderde de opperbevelhebber met de hoofdkolonne, waarop de volgende beschikkingen werden genomen.

Het halve 5e bataillon, onder den luitenant kolonel Helbach , daalde in de bogt of kom neder , die hier door het gebergte en de zee wordt omsloten; het leunde, met zijnen , door tirailleurs gedekten , regter vleugel aan de laagste berghellingen. De artillerie, onder kapitein van Maanen, kwam links van dat halve bataillon en op 3 a 400 schreden van eene borstwering, waardoor de tempel werd gedekt, in batterij. Het 13e bataillon daalde insgelijks in de kom neder, en stelde zich achter de artillerie inkolonne. Onderwijl was de hoofdkolonne geheel opgemarcheerd. De halve veldbatterij 6 ^ onder den kapitein Keller- MAN , rukte terstond in linie bij de vuurmonden , die onder kapitein van Maanen reeds waren opgesteld.

Het 7e bataillon onder den luitenant kolonel le bron DE Vexela, het 3e bataillon, onder den luitenant kolonel Poland , en later ook het marine landingsba- taillon, onder den kapitein ter zee BouriciŁs, plaatsten zich, in geslotene kolonnes met divisiŽn, links en achter de halve veldbatterij.

De gezamenlijke artillerie opende nu haar vuur op de vijandelijke stelling. Het 5e bataillon kreeg bevel langs den voet van het gebergte voorwaarts te rukken, ten einde die stelling om te trekken, en den bergrug die haar beheerschte te bezetten, waartegen de vijand geene maatregelen scheen genomen te hebben. De 6e kom- pagnie van dat bataillon ó kapitein Sorg ó maakte den uitersten regtervleugel uit en dekte tevens en tirailleur de beweging. Hoewel het bataillon ruimschoots van goUoks of kapmessen en klewangs was voorzien, tot het oprui- men der doomachtige hagen, die zich alom op het bouw- land bevonden, kon het , door deze hindernissen , toch slechts langzaam vooruit gaan.

De artillerie ging intusschen steeds voort met het onderhouden van een wel gerigt vuur, op den tempel en zijne verdedigers , waardoor zij te meer een groot verlies moeten hebben geleden, dewijl zij door gebrek aan vuur- wapenen , daartegen niets konden ondernemen.

Toen het 5e bataillon tot op korten afstand van de versterkingen genaderd was , beklom een peloton tirail- leurs van de 6e kompagnie, onder den 3den luitenant J. W. KŲNiG , de sterk met struiken en hagen bewassen rand van het gebergte, en bereikte, niet zonder groote inspanning , het bovenste gedeelte van den berg , die zoo als wij gezegd hebben, de stelling geheel beheerschte. Het plongerend geweervuur dat van hier geopend werd, had eene moorddadige uitwerking op den vijand, die reeds zoo lang door de artillerie was bestookt geworden, en eindelijk begon te wankelen en den terugtogt scheen te willen aannemen.

Zoodra de weifelende houding des vijands werd be- speurd, hield het artillerievuur op, en liet de luitenant kolonel Helbach door het overige gedeelte van zijn bataillon, met de flankeurs voorop, de versterkingen be- stormen; te gelijkertijd rukte de 5e kompagnie van het 7e bataillon, onder kapitein Hachez langs het strand op, om den tempel ook van die zijde aan te vallen.

De verschillende kompagniŽn wedijverden om de eer van het eerst in de stelling te zijn en den vijand van daar te verdrijven. Schier gelijktijdig drongen zij in den tempel binnen, die even als de daarachter liggende borst- wering, bijna uitsluitend met de lans, hardnekkig en voet voor voet werd verdedigd. Des vijands verlies was groot, maar zijnen dapperen tegenstand verdiend geprezen te worden.

Eenmaal uit den tempel verdreven zijnde, deed de vijand nog eene wanhopige poging om hem te hernemen, maar toen ook deze poging was verijdeld, trok hij in twee kolonnen ordelijk, naar de zijde van Kasoemba, terug.

. Het bezetten der veroverde stelling werd opgedragen aan eene kompagnie van het marine bataillon, terwijl het overige gedeelte van dat korps in de nabijheid bleef post vatten. Toen de vijand echter geene pogingen meer deed om den tempel te hernemen, kreeg het weldra bevel naar Kasoemba op te rukken.

De overige troepen hadden zich onderwijl reeds der- waarts in beweging gesteld. In de verte zag men hoe sterke massa^s vijanden van alle rigtingen te voorschijn kwamen, en zich in en bij Kasoemba verzamelden. Dit gaf reeds de overtuiging, dat de BaliŽrs de plaats niet zonder hardnekkigen wederstand zouden ontruimen, maar het deed ook het vermoeden rijzen, dat de krijgsmagt van den dewa agong nog door troepen uit andere rijken werd versterkt. Het bleek dan ook later, dat de radja van Gianjar zijn woord niet getrouw was gebleven , maar zijne gewapenden naar Kasoemba had gezonden , in stede van zich af te scheiden van de partij des vorsten van Klonkong.

De navolgende beschikkingen werden door den gene- raal genomen.

Het halve 5e bataillon kreeg last het strand te verla- ten en door het bouwland, dat regts daarvan en naar de zijde van het gebergte gelegen was, voorwaarts te gaan. Het werd gevolgd door het 13e bataillon, dat zich nog meer regts wendde, en derhalve den uitersten regtervleugel uitmaakte.

Het 7e bataillon onderhield het verband tusschen het halve 5e bataillon en de troepen, die langs het strand marcheerden.

De bergbatterij bewoog zich op den linker vleugel van het 7e bataillon en nog op het strand.

De overige troepen, bestaande uit het 3e bataillon en de veldbatterij , waarbij zich ook weldra het marine bataillon aansloot, rukten langs het strand regtstreeks in de rigting van Kasoemba op.

Het eerste vuur werd in de rigting van liet lialve 5e bataillon gehoord, dat, in het zeer doorsneden en bedekt terrein, al zeer spoedig op den vijand stiet. Op het vernemen der hevigheid van dit vuur, zond de generaal de bergbatterij en vervolgens ook het 7e ba- taillon, tot ondersteuning van dit korps, meer regts af.

Het halve 5e , het 7e en het 13e bataillon , benevens de bergbatterij en de insgelijks derwaarts gezonden kom- pagnie sappeurs, te zamen ongeveer 1200 man sterk , vorm- den nu den regtervleugel onzer krijgsmagt, en hadden de bevelen te volgen van den luitenant kolonel van Sweeten.

De overige troepen, onder de bevelen van den generaal in persoon , vormden den linker vleugel , en bleven, met eene kompagnie inlanders vaĽ het 3e bataillon, onder den kapitein Jhr. V. M. de Brauw, als voorwacht, langs het strand hunnen marsch vervolgen.

Eene kompagnie flankeurs en eene kompagnie inlanders van het 3e bataillon, onder de kapiteins J. W. Macdo- NALD en H. Mater, onderhielden de verbinding tusschen de beide vleugels.

Zoodra had het 3e bataillon, na het overtrekken van een klein riviertje, zijnen marsch niet op den ingang van de kampong Kasoemba gerigt, of eene sterke vijandelijke bende trad, met gevelde lans en onder groot geschreeuw, daaruit te voorschijn en rukte de onzen te gemoet. Door een bedaard en welgerigt tweegelederenvuur tot staan ge- bragt en vervolgens door twee kompagniŽn Afrikanen met de bajonet aangegrepen wordende, stoven zij weldra terug en lieten het voorste gedeelte van de uitgestrekte kampong in handen der onzen.

De luitenant kolonel Poland liet nu het 3e bataillon behoedzaam door de kampong voorwaarts rukken tot aan den kraton van den radja, van waar hij in verschillende rigtingen kompagniŽn afzond om den vijand, ook uit de overige gedeelten, te verdrijven. Deze week echter niet dan voet voor voet, en trachtte met de grootste hard- nekkigheid zich staande te houden. Vooral werd een? door muren omringd, blok huizen, waarin zich ongeveer 100 man hadden genesteld, met woede verdedigd. Eeeds driemaal waren de onzen naar binnen gedrongen, maar ook driemaal hadden zij weder moeten wijken. Men was verpligt geschut te doen aanrukken en door de sectie hou- witzers eene bres in den muur te doen schieten. Een ge- deelte der 5e kompagnie, onder den kapitein P. J. Nack, gevolgd door eenige Afrikanen, stortte zich nu naar bin- nen en joeg alles wat niet kon vlugten over de kling. De 2de luitenant H. J. Daniels werd hier gewond.

Het marine bataillon was onderwijl in een kokos-boom- gaard voor de kampong opgesteld geworden tot dekking van ambulance en veldtros.

Zien wij thans wat er intusschen bij den linker vleugel was voorgevallen.

De kompagnie die aan het hoofd marcheerde van het halve 5e bataillon, was al spoedig door eene groote overmagt van vijanden teruggedrongen. Door het toe- snellen der beide overige kompagniŽn, die in het moeije- lijke terrein een weinig achter waren gebleven, waren de BaliŽrs echter spoedig tot staan gebragt. Het halve ba- taillon ontwikkelde zich nu in bataille op een terrein, dat met kokosboomen was beplant, met den linker vleugel op eenigen afstand van Kasoemba. Toen de vijand zich herzameld had, drong hij, voorafgegaan door eenige tirailleurs, met gevelde lans, voorover gebogen hoofd en onder woest geschreeuw op de onzen in. Deze lieten hem bedaard naderen en toen hij goed onder hnn schot was, ontvingen zij hem met een duchtig tweegelederen vuur, dat hem eerlang aan bet wankelen bragt. Het was in dezen oogenblik, dat de bergbatterij, die door den generaal was afgezonden, zich links van het halve 5e ba- taillon had opgesteld. Eenige kogelschoten, die de op- eengepakte drommen der BaliŽrs doorkliefden, deden hen nu spoedig den aftogt kiezen, door de opene vlakte, die zich tussen hen Casoemba en het gebergte bevond.

Op dit tijdstip marcheerden ook de 7e en 13e ba- taillons ter hoogte van het halve 5e bataillon op en rukten het zelfs eenigzins voorbij, waardoor de troepen, die hier het eerst in het gevecht waren geweest, meer en meer verademing kregen.

De gehŤele linker vleugel had nu het bedekte terrein verlaten en was op de opene, uit drooge rijstvelden be- staande vlakte, ten westen van Kasoemba, gekomen.

De luitenant kolonel van Swieten nam thans de na- volgende stelling aan:

het 13e bataillon op den regter vleugel met divisiŽn, op pelotons distantie in kolonne;

het 7e bataillon in dezelfde orde op 50 passen voor- waarts van het 13e en ťchelon; dit bataillon had de sappeurs op zijn linker vleugel;

de bťrgbatterij links en voorwaarts van het 7e ba- taillon;

het gedeployeerde halve 5e bataillon, dat met zijn linker vleugel reikte tot nabij de dessa Kasoemba , die hier reeds door het 3e bataillon was bezet, maar waarom in het middelste en zuidelijke gedeelte 'nog hevig werd gestreden. In deze orde liet de luitenant kolonel van Swibtbn zijne troepen voorwaarts rukken, ten einde den vijand, die zich nog in sterke benden op de vlakte vertoonde, onder het schot te krijgen.

De BaliŽrs hielden niet alleen stand, maar beproefde zelfs een regtstreekschen aanval, aan eene omtrekkende beweging, te paren.

De 7e en 13e bataiUons, waarop dien regtstreekschen aanval vooral gemunt was, vormden carrťs; de bergbat- terij deed weder wel aangebragte kogelschoten in de digte vijandelijke massa^s; en het halve 5e battlllon zond eene kompagnie en tirailleur. De omtrekkende beweging der BaliŽrs werd door twee kompagniŽn van het 13e ba- taillon , onder den kapitein J. C. J. SmiÔs , verhinderd.

Bijna te gelijkertijd was het 3e bataillon geheel meester van de kampong geworden, althans sterke vijandelijke benden verlieten Kasoemba aan de noordwťstzijde , en togen naar de vlakte, terwijl zij hevig vervolg* werden door tiraiUeurs der Ie en 4e kompagniŽn van genoemd bataillon. Onmiddelijk daam^ kwam ook de sectie 6 <8, der halve veldbatterij , uit Kasoemba te voorschijn en de vijand, nu in het front door de bergbatterij , en in zijne regterflank op korten afstand door de 6 ^ en ook nog door de tiraiUeurs beschoten wordende, maakte regtsom keert en trok voor goed in de rigting van Klonkong terug.

Het was toen omstreeks drie uur in den namiddag, en een uur later hadden onze zeer vermoeide troepen hunne kwartieren in Kasoemba betrokken. Dit had echter niet zonder moeite en strijd mogen gelukken, want of- schoon het vijandelijk leger was teruggetrokken, zoo waren er toch nog verstrooide vijanden hier en daar in de huizen achter gebleven, en deze schenen met de grootste woede jegens de onzen te zijn bezield. Toen de korporaal Broersma van het 7e bataillon de hem aangewezen woning wilde binnen treden, werd de deur achter hem, en eer zijne manschappen hem hadden kunnen volgen, digt geworpen. Voor hij ontzet kon worden had hij zeven wonden bekomen, maar zijne ver- raderlijke aanvallers moesten hunne snoodheid met den dood bekoopen.

Ook in de kwartieren van het 13e bataillon werd door zeven BaliŽrs amok gemaakt, zij verloren alle het leven, maar twee der onzen werden daarbij gewond.

De gevechten van dien dag hadden een hernieuwd blijk gegeven van het groote overwigt, dat men op de meest dappere en talrijke tegenstanders erlangt door goede wapenen, eene goede oefening en eene goede organisatie, gepaard aan orde en krijgstucht. De overmagt, die de meestal met lansen gewapende vijand op dezen dag ten toon spreidde, was weder hoogst aanzienlijk en niettemin was hij verslagen geworden en waren zijne verliezen be- langrijk grooter dan de onze. Het overwigt van gere- gelde en wel aangevoerde troepen op ongeregelde, hoewel dappere en sterke, vijanden zou den volgenden nacht nog veel duidelijker uitkomen.

Onze krijgsmagt had slechts een klein gedeelte van de zeer uitgestrekte kampong bezet en was hoofdzakelijk rondom den kraton gelegerd. In den kraton, die aan zijne noordelijke en oostelijke zijden opene ruimten had, bevond zich het hoofdkwartier.

Het 7e bataillon lag in de huizen ten zuiden van het hoofdkwartier; ten noorden en ten westen lag het 3e ba- taillon; ten noordoosten naar de zijde van Soenla Lawas het 13e, terwijl het marine bataillon oostelijk van den kraton, naar de zijde van het strand lag. Het halve 5e bataillon^ de halve 6 % veldbatterlj en de sappeurs lagen meer in de nabijheid van den kraton, tusschen deze en de kwartieren van het 7e en 3e bataillon; de bergbat- terij lag tusschen het hoofdkwartier en het marine bataillon; de koelies en de veldtros eindelijk tusschen het 18e ba- taillon en het midden van de kampong. (Zie de schets)^

Door de korpsen, die hunne kwartieren het meest naar de buitenzijde hadden, waren wachten en posten zooda- nig uitgezet, dat zij in onderlinge verbinding waren en eenen kring rondom de legerplaats vormden.

Bij het 7e bataŁlon stond de 1ste luitenant J. A. jm Haan, met eene wacht op het uiteinde van eenen weg, die Kasoemba van het noordoosten naar het zuidwesten doorsnijdt. De 2de luitenant J. H. H. A. BacKE van hetzelfde bataillon, stond insgelijks met eene wacht op eenen weg, die in zuidelijke rigting liep.

Ieder korps had zijne alarmplaats, nabij zijne kwartie- ren, en de troepen hadden bevel gekregen, zich gekleed en gewapend ter ruste te begeven. De luitenant kolonel VAN SwiETEN, oudstc hoofdofficier bij de expeditie, had zich vůůr het vallen van den avond, in persoon overtuigd, dat alle gevorderde veiligheidsmaatregelen waren genomen en van zijne bevinding verslag gedaan aan den opperbe- velhebber.

Het ware welligt wenschelijker geweest de troepen, ge- durende den nacht, op de opene vlakte, ten westen van Kasoemba, te doen bivakkeren, maar de ontberingen en ongemakken, waaraan de soldaat bij eenen veldtogt in IndiŽ is blootgesteld, zijn reeds zůů groot, dat men er teregt tegen opziet, die te vermeerderen door maatregelen, die ook door eene verdubbelde waakzaamheid van wachten en posten kunnen worden vervangen. ē De nachf ging rustig voorbij; er vielen slechts enkele geweerschoten aan de uiterste voorposten, maar ten 3 uur in den morgen van den 25 Mei hoorde men plotseling, eerst aan de wacht van den 2de luitenant BaoKX en ver- volgens ook aan die van den 1ste luitenant de Haan, een krachtig geweervuur.

' Onmiddelijk werd bij het 7e bataillon en vervolgens ook bij al de andere korpsen alarm geslagen.

Na eerst eene poging gedaan te hebben tot het aan- vallen der wachten, die door de waakzaamheid onzer soldaten werd verijdeld, kwam de vijand op nieuw opda- gen en begaf hij zich naar den zuidelijken ingang. Hij werd hier door de wacht van den luitenant BScke, bij- gesprongen door de 6e kompagnie van het 7e bataiUon, niet alleen lang genoeg tegengehouden om de overige troepen tijd te geven onder de wapenen te komen, maar zelfs teruggeworpen. De wacht met de genoemde kom- pagnie trok vervolgens langzaam op het 7e bataillon terug.

Tot ondersteuning der wacht van den 1ste luitenant S)^ Haan, waren onder den majoor Hemmes al dadelijk gezonden, de Ie kompagnie van het 7e bataillon (Ie luitenant Eaat) en 50 Afrikanen van de 6e kom pagnie.

ē De wacht stelde zich links en de troepen van den majoor Hemmes regts van den weg; de twee kanons h 3 ^, die middelerwijl op dit punt waren ' aangekomen, plaatsten zich op den weg in batterij en de rest van het 7e bataillon daar achter in kolonne.

De vijand naderde, nu ruim voorzien van brandende flambouwen, waarmede hij hier en daar de huizen van de kampong in den brand stak. Bij het licht der flak kerende vlammen kon men hem nu voldoende onderschei- den, om aan de luitenants D. P. de Haan en Seeuo gelegenheid te geven, ieder een 8 ^ met de grootste naauwkeurigheid op hem te rigten. Eene doodsche stilte heerschte in de gelederen der onzen; het was alsof een ieder begreep, dat de naderende aanval slechts door be daardheid en koelbloedigheid kon afgeslagen worden.

Toen de vijand tot op 100 schreden genaderd was, ontving hij de kogelschoten der 3 ^ in zijne digt ge- schaarde gelederen; dit stuitte hem in zijne vaart en deed hem terug deinzen; drie malen herhaalde hij zijnen aan- val, maar telkens werd hij op dezelfde wijze afgewezen. Hij splitste zich vervolgens in twee massa's, waarvan de eene zich naar de zijde van het marine bataillon begaf en de andere, na zich nog vertoond te hebben voor de kompagniŽn van den majoor Hemmes, de kampbng aan- viel bij de kwartieren van het 3e bataillon.

Het marine bataillon stond geschaard op eenen weg, even buiten de kampong, met het front naar het zuiden. Zijn linkervleugel was gedekt door eene aan het strand opgestelde wacht van 40 man, onder den luitenant ter zee 2c kl. J. O. H. Arntzenius; zijn regteyvleugel door eene kompagnie, onder den kapitein der mariniers Ernst genaamd van Seiveet , die aan een klein riviertje leunde. Voor het bataillon bevonden zich sawahvelden en bouw- land, met heggen doorsneden.

Eeeds bij het begin van het alarm, had de 4e kom- pagnie, onder den luitenant ter zee Ie kl. J. C. Baak, die het eerste op het terrein was, door een fiks twee* gelederenvuur , Ťenige vijanden verdreven.

Ten 3J. uur kwamen de BaliŽrs, die door het 7e ba- taillon waren afgeslagen, vermoedelijk nog door andere versterkt, regt op het front en den regtervleugel van het bataillon aanrukken. De kapitein ter zee BotjeiciŁs liet de donkere massa naderen, tot hij duidelijk hoorde, dat zij eene nabijzijnde heg poogde door te breken; hij liet toen het tweegelederen vuur openen en gedurende eenigen tijd met kracht onderhouden. De vijand week daarvoor terug, tot men hem in de duisternis uit het oog verloor.

Het gedeelte dat zich, na afgeslagen te zijn door het 7e bataillon, naar den kant van het 3e wendde, werd daar met evenveel koelbloedigheid ontvangen, en vooral door het vuur der 6e kompagnie, onder den kapitein VAN Houten, tot wijken gebragt.

In weerwil van al de waakzaamheid en oplettendheid der onzen, was het toch aan eenige vijanden gelukt, tusschen het 3e en 7e bataiUon, als ook tusschen dit en het marine bataillon heen te sluipen, en naar de zijde van den kraton door te dringen. Men ontwaarde hunne tegenwoordigheid binnen Kasoemba het eerst aan het door- snijden der parklijnen van eenige paarden en aan het verwonden en afmaken van sommige dezer dieren.

Dit doordringen binnen een open kampong met menig vuldige toegangen, kon zoo bijzonder moeijelijk niet val- len aan lieden, die met de plaatselijke gesteldheid vol- komen bekend waren , en die door hunne donkere kleur en het niet bezigen van schoeisel, de eigenschap bezitten onhoorbaar en bijna zonder gezien te worden, gelijk schaduwen, zich te kunnen bewegen.

De generaal Michiels stond, met de officieren van zijnen staf en de kommandanten der artillerie en genie, in de opene ruimte die den kraton omringde en vaardigde van daar zijne bevelen uit. Om zooveel mogelijk alle verwarring voor te komen , liet de kommandant der artillerie, majoor KŁyck, nu en dan een lichtkogel ontsteken. Kort na het ontbranden van den eersten vielen plotseling uit de nabijheid eenige schoten, waar- van een den opperbevelhebber gevaarlijk in het regter been trof, zoo dat hij onmiddelijk neder stortte, en een ander, den officier van gezondheid L. Scheinee, ern- stig in den arm wondde.

Bijna te gelijker tijd had een hernieuwden aanval plaats op het 7e bataillon, die met even veel nadruk en koel- bloedigheid als de eerste, werd afgewezen. Het vuren hield op verschillende punten nog geruimen tijd aan, maar verminderde toch van lieverlede. Dte vijand, die overal met kracht teruggedreven was, verwijderde zich en toen eindelijk de dag aanbrak, was hij geheel ver dwenen.

Wij hebben getracht de gebeurtenissen, die in den vroegen morgen van den 25 Mei voorvielen, met eenige orde en regel te schetsen, maar het spreekt wel van zelve, dat die orde en regel, gedurende den strijd, in de leger- plaats der onzen, niet zoo volkomen aanwezig waren. Schrik en verwarring zijn de onafscheidbare gezellen van nach- telijke overvallingen, zelfs bij de meest gedisciplineerde troepen. En geen wonder dat zij zich Her deden gelden, te midden van het huilend geschreeuw en amok roepen van zoo vele duizende vijanden; van het knetteren der vlammen, die op verschillende plaatsen in de kampong oprezen; van de zware slagen, der door het vuur splij- tende bamboe; van het kraken der instortende muren; het knallen van geweerschoten in alle rigtingen; het dreunen van kanonvuur; het fluiten der kogels; het bries- schen en trappelen van losloopende paarden; het kermen van gewonden en in ťťn woord, te midden van al de ontzetting, die een der ijsselijkste tafereelen van het oor- logsleven kan te weeg brengen.

Het kan dan ook geenszins bevreemding wekken, dat niet alle bevelen en handelingen in volkomen overeen- stemming waren met den jtiisten eisch der omstandighe- den. Zoo was de opperbevelhebber zelf ó die gelijk wij zagen, het inlegeren der troepen en het verzekeren van de veiligheidsdienst aan den luitenant kolonel van SwiETEN had opgedragen -ó gedurende een oogenblik Van meening eene vijandelijke bende te zien, daar, waar zich het 13e bataillon bevond. Hij beval den kapitein der artillerie Kelleehan daarop het vuur zijner 6 ^ te rigten. Deze bragt hem zijne dwaling onder het oog, maar de generaal herhaalde zijn bevel in de meest stellige be- woordingen en met den grootsten nadruk. De wakkere Kellerman besloot echter, zich liever aan persoonlijk ge- Vaar bloot te stellen, dan schromelijke ongelukken te stichten; hij weigerde te gehoorzamen* Gelukkig voor sijne toekomst en voor het behoud van het 18e bataillon werd des generaals dwaling, weinige oogenbUkken later, boven aUen twijfel verheven.

Indien men de stoutheid des vijands in overweging neemt, die binnen eene sterk bezette legerplaats door- drong, daar schrik en ontsteltenis aanrigtte en reeds ver- scheidene der onzen met de lans nedervelde, dan moet men overdonderd zijn over het geringe verlies der Neder- landers, dat gedurende den 24 en 25 Mei slechts 7 dooden en 28 gewonden bedroeg (1). Men moet evenwel ook lof toezwaaijen aan den bedaarden moed van troepen, die, te midden der verschillende vaak hagchelijke ge- vechten dezer dagen, geen oogenblik aan het wankelen werden gebragt en geholpen door het overwigt, dat hunne vuurwapenen hen schonken, hunne aanvallers een verlies deden ondergaan, dat volgens zeer geloofwaardige berigten, op 800 dooden en 1000 gewonden kan geschat worden.

V.

TERUGTOGT NAAE PADANG COVE EN AAN- LEIDINGEN TOT HET HERNIEUWEN DEB KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN KLONKONG.

De Generaal Michiels sterft aan de gevolgen van een wonde. ó Zijne verdiensten, ^~ Het bevel is overgegaan op den lui‹enant kolonel TAN SwiETBN. ó Beschouwingen over den verderen loop der zaken en redenen van den temgtogt naar Fadang Cove. ó Deernis- waardigen toestand onzer Łx)epen. ó Minder gnnstigen stand van zakenę -c- Dood van den radja van Bleling en van goesti Djilantikk. ó Handelingen van den radja van Bangli. ó Brief van den dewa agong van Klonkong. ó De luitenant kolonel van Swietem belegt eene zamenkomst der Balisdie vorsten. ó B^'eenkomst van den aanvoerder der Lomboksdie troepen met gemagtigden van den dewa agong, bQ Soenla Xawas. ó Uitslag daarvŤn. ó Brieven van den Kederland- schen agent te Badong. ó De dewa agong schignt zich met zQne bondgenooten aan de Nederlanders te willen onderwer- pen. ó De oorlogsgezinde partij in Klonkong , benevens hare inzigten en handelingen. -^ Ongepaste brief van den rgksbe* stuurder van Klonkong. ó Idem van den radja van Gianjar. ó ē Berigten dat de BaliŽrs voortgaan zich te versterken en te wa- penen. ó ^ De lnite:iant kolonel van Swieten besluit de v^an- delijkheden te hervatten. ó Aanmerkelijk verbeterde gezond- heidstoestand onzer troepen. ó ē Bij de koelies is dit niet het geval. ó Het wenschel\jke der oprigting van een koeliekorpe in IndiŽ. ó Voorbereidingen tot den tweeden togt naar Kasoemba.

Diep en ontmoedigend was de indruk ^ die de mare der verwonding Van den opperbevelhebber op de Neder- landsche troepen maakte. De generaal zelf was kalm en gelaten, hoezeer de officier van gezondheid Ie klasse VoiGT, chef der ambulance, hem het gevaarlijke van zijnen toestand geenszins had verborgen, en hem al dadelijk, hoe- wel het nog duister was, de amputatie had voorgesteld van het regterbeen , dat door een geweerkogel van zeer groot kaliber, ernstig was verbrijzeld. De generaal wenschte die pijnlijke kunstbewerking echter uit te stellen, tot hij zich aan boord zou bevinden van het stoomschip Etna , dat gedurende de expeditie zijne vlag voerde. Be- hoedzaam werd hij op een veldbed nedergelegd en toe- vertrouwd aan de zorgen van den officier van gezondheid Batjer, die hem, onder goede bedekking, naar Padang Cove overbragt. Dit geschiedde des morgens ten half zeven uur, en te gelijkertijd werden ook de overige zwaar ge- wonden naar de schepen vervoerd.

Ten 12 uur werd den generaal het been, ter hoogte van de regterdij, afgezet door den heer Wassink, chef der geneeskundige dienst bij de expeditie. De generaal zelf had zich weinig goeds van de heilzame gevolgen der operatie voorgesteld, en reeds des avonds ten elf uur gaf hij den geest.

Zijn stoffelijk overschot werd naar Batavia gebragt en verliet, aan boord van het stoomschip Etna, den 27 Mei de reede van Laboean Amok.

Het vaderland verloor in den generaal Michiels een zijner uitstekendste dienaren en het Indische leger, een zijner dapperste en bekwaamste aanvoerders, die het her- haaldelijk ter overwinning had geleid.

De Indische regering getuigde van hem in haar offi- cieel blad,dat zelden in Nederlandsch Indie iemand meer uitgeblonken had door dapperheid en roemrijke wapenfeiten, zelden iemand in daden van burgerlijk be- stuur meer schranderheid en doorzigt had aan den dag gelegd.

Het bevel der troepen ging, na zijn overlijden, over op den luitenant kolonel J, van Swietbn, maar wij hebben reeds in de inleiding gezien , dat de uitgebreide volinagt, aan den generaal majoor Michiels geschonken, niet in zijn geheel op dezen overging. Hij moest terstond nadere bevelen vragen aan den gouverneur generaal; hij mogt geene andere beschikkingen treffen of maatregelen nemen, dan die voor den oogenblik volstrekt onvermydelfjk waren en hij moest dienaangaande dan nog in overleg treden met den chef van den staf bij de expeditie en met deij kapitein adjudant Jhr. van Gafellen, die meer bepaal- delijk voor het behandelen der politieke aangelegenheden aan den opperbevelhebber was toegevoegd geworden.

Nu had de generaal Michiels voor het verlaten van Kasoemba, wel is waar den luitenant kolonel van Swieten aangeraden, den togt naar Klonkong voort te zetten^ maar het was voor dezen hoogst moeijelijk, zoo niet on- doenlijk, de krijgsverrigtingen te vervolgen, zoodra het van ieder zijner handelingen, het volstrekt onvermijdelijk^ moest kunnen betoogen, en ze telkens vooraf aan de goed- keuring moest onderwerpen van personen, die niet eens duidelijk waren aangewezen. Immers moest al dadelijk de vraag rijzen, of.de bevoegdlieid, om in deze omstan digheden gehoord te worden, persoonlijk aan den toen, wegens zijne wonde, nog afwezigen luitenant PE BjBAUW , dan wel aan den chef van den staf wie de betrekking ook mogt waarnemen ó was verleend ge worden. Hoewel het nu met het oog op alle mogelijke omstandigheden niet te wraken was, dat de uitgebreide volmagt, die aan den generaal Michiels was gegeven, niet onvoorwaardelijk, op zijnen tijdelijken opvolger in het be- leid der zaken, overging (1), gaf de gemaakte bepaling toch weder het bewijs, dat beperking of verdeeling van gezag in oorlogszaken, niet raadzaam is. In het bestaande geval, ging de eenheid in het bevel er door verloren, en waar die gemist wordt, draagt de krijgsvoering maar al te spoedig den stempel van beginselloosheid en weife- ling. Men kan het dan ook den bevelhebber niet euvel duiden, dat hij ~ wetende dat hem de bevoegdheid ont- brak, om in alle voorkomende omstandigheden, zonder dralen en op eigen verantwoordelijkheid te handelen , en begrijpende in dien toestand weinig nut te zullen stich- ten ó er de voorkeur aan gaf, niets te ondernemen, eer hij van nadere bevelen zou zijn voorzien.

Er waren echter nog andere redenen, die den luitenant kolonel van Swieten deden besluiten, niet onmiddelijk naar Klongkong voort te rukken.

Zijne artillerie had een groot gedeelte van hare munitie verbruikt^ en nog slechts eene voldoende hoeveelheid overgehouden voor een enkel, niet al te scherp, gevecht.

Het ligchamelijk gestel van de groote meerderheid zijner krijgslieden, had door het gerekt verblijf aan de zoo ongezonde noordwestkust van het eiland, veel ge- leden Bijna een ieder droeg de kiem van ęich rond, en een toereikend aantal officieren van ge- zondheid, was niet meer aanwezig. In den morgen van den 25 waren bovendien de vermoeijenissen van den vorigen dag, niet door eenen verkwikkenden slaap her- steld geworden, en een honderdtal nieuwe koortslijders zich bij de geneesheeren aangemeld. Is het nu reeds onmogelijk dat in kwijnende, afgematte ligchamen eenen opgewekten geest kan wonen, dan houde men nog daar- enboven in het oog, dat de gemoederen, der te Ka- soemba aanwezige krijgslieden, diep geschokt waren ge- worden door de gebeurtenissen van den verstreken nacht, en vooral door het verlies, dat zij in hunnen opper- bevelhebber hadden geleden. De troepen, die de luite- nant kolonel van SwieÔen ter zijner beschikking had, waren dan ook in ťťn woord, wat men noemt, gedemo- raliseerd.

Een niet onaanzienlijk gedeelte daarvan ó de houding des vijands had er hem van overtuigd ó zou hij bij het voortrukken naar Klonkong, te Casoemba moeten achter- laten, ter verzekering van zijne gemeenschap met Pa- dang Cove en de vloot, ter beveiliging van den aanvoer van mond- en krijgsbehoeften en van het terugbrengen van "zieken en gewonden. Dit een en ander zou tevens de behoefte aan koelies sterk hebben doen aangroeijen en juist was hun aantal gedurende de jongste 24 uren aan- zienlijk verminderd. Vele waren door ziekte aangetast geworden en andere hadden zich, tijdens den nachtelijken aanval, uit de voeten gemaakt, om zich waarschijnlijk niet weder te vertoonen.

Men wist al verder, weinig met zekerheid aangaande de juiste ligging van Klonkong en men had die plaats moeten gaan zoeken, dewijl de gidsen, die door onze bondgenooten zoo stellig waren beloofd, nog steeds op zich lieten wachten.

De luitenant kolonel yan Swieten had dus met eene verzwakte, afgetobde en geheel ontstemde krijgsmagt, met onvoldoende transportmiddelen en zonder gidsen, moeten voorwaarts gaan in een land, waar nog zoo vele moeije- lijkheden en ontberingen te wachten waren, om die krijgs- magt eindelijk aan te voeren tegen eene plaats, die ver- moedelijk, door duizende geestdrijvende vijanden, als het palladium van hunne nationaliteit en hunne eeredienst met woede zou worden verdedigd.

En dat eene dergelijke verdediging inderdaad te gemoet gezien mogt worden, kon men niet alleen opmaken uit ^s vijands kloeke houding in de jongste gevechten, maar ook uit het geheel achterwege blijven der reeds lang verwachte berigten van onze bondgenooten. Zelfs bij den generaal Michiels was hierdoor reeds het denkbeeld van verraad of althans van onwil gerezen.

Wanneer het nu ook tegen alle verwachting, onder omstandigheden en met middelen, gelijk wij beschreven hebben, aan den luitenant kolonel van Swieten, gelukt ware den vijand te Klonkong te verslaan en die plaats te bezetten, dan zou hij ó bij gemis van de vereischte volmagt ó nog buiten de mogelijkheid hebben verkeerd, terstond van zijne overwinning partij te trekken en tot eene ons gunstige regeling der zaken over te gaan. Er zou dus te Klonkong evenzeer eenen stilstand in zijne handelingen hebben moeten plaats vinden; de vijand had zich gedu- rende dien tijd kunnen herstellen en op nieuw tot den aanval overgaan en de gevolgen daarvan hadden bij den toestand, waarin wij gezien hebben, dat de Nederlandsche krijgs^ magt zich bevond, allerbedenkelijkst kunnen worden.

De tijdelijke bevelhebber nam , op grond van alle deze overwegingen, het besluit , aan zijne troepen rust te schen- ken , terwijl hij op de bevelen van den gouverneur gene- raal wachtte, en hen tot verademing te doen komen, om later, wanneer hunnen gezondheidstoestand verbeterd, en zoo hij hoopte ook hunne krachten hersteld zouden zijn, hen met meer vertrouwen, zoo het noodig was, tegen den vijand te kunnen aanvoeren.

Hij had nu te Kasoemba gevestigd kunnen blijven, maar ook hier tegen bestonden overwegende bezwaren. In den morgen van den 25 , woedden de vlammen aldaar nog voort; om die mŤnlter te worden, scheen veel inspanning van de troepen geŽist moeten worden , en dan was het nog onwaarschijnlijk, dat te midden der rookende puinhoopen, een voldoend aantaitnizen zou overblijven, tot hunne inlegering. Bovendien bezet houden van Kusoemba, nagenoeg dezelde meijelijkheden bestaan, omtrent het aanbrengen van levensniiddelen en het terugvoeren van zieken. \

Daar nu aan het bezit van Kasoemba , voor hetogen blik geen overwegend gewigt kon gehecht worden be- sloot hij tot den terugtogt naar Padang Cove. \

Ten einde aan den terugtogt geheel en al het idee eener vrijwillige handeling te geven, werd hij passí morgens ten elf uur aangevangen. Des namiddag ^ vier uur had men Padang Cove bereikt, en derwaarts, leverde het meest volkomen bewijs, uitgeputten en diep neerslachtigen toestand , waarin onze troepen zich bevonden. De grote meerderheid wankelde slechts met de uiterste inspanning voorwaarts, telkens zag men soldaten of koelies doodelijk afgemat nederzinken. Yooral het marine bataillon waar aan soortgelijke krijgsvenigtingen minder gewoon was, had veel te lijden van den marsch in de brandende zon en door het mulle zand; de luitenant ter zee Ie klasse G, H. VAN NouHUYS bezweek onder weg aan de ver- moeijenissen. Dit zelfde treurige lot viel ook ten deel aan den 1ste luitenant J. W. TJ. Sindikus, van het 5e bataillon infanterie.

Van de gevechten die geleverd waren, en van den dood des opperbevelhebbers, werd nu berigt gegeven aan de bevriende of althans aan de onzijdig gebleven vorsten, en hun medegedeeld, dat nadere bevelen waren gevraagd aan den gouverneur generaal te Batavia.

Men wachtte voorloopig af, welke de indruk zou zijn, die de gevechten van Soenla Lawas en Kasoemba op den vijand hadden gemaakt. In den aanvang bleek daarvan weinig gunstigs, en het was niet onwaarschijnlijk dat zoo wel de dood van den opperbevelhebber , als de terugtogt naar Padang Cove, daarop van invloed waren geweest. Men vernam zťlfs van goesti gedeh Eai , aanvoerder der Lomboksche hulpbenden in Karang Assam, dat wij in den nacht van den 27 op 28 Mei, met eenen aanval op Padang Cove waren bedreigd geweest, maar dat de vijand weder onverrigter zake was afgetrokken.

Van den heer Lange, Nederlandsch agent te Bali Badong, werden eveneens berigten ontvangen, die niet iu allen deele bevredigend waren. De vorst van dat land, onze bondgenoot, had tot driemalen toe en wel Op den 17, op den 18 en op den 22 Mei, getracht in Mengoei te vallen, maar was bij de laatste ontmoeting

geheel geslagen, en met een verlies van 30 dooden en , 100 gewonden, teruggedreven geworden. Tabanan was ter hulp van Mengoei gesneld , en de radja van Badong was, door de hevigheid van den ondervonden tegenstand, geheel onthutst en ter nedergeslagen. De radja van Gianjar, die aan dien van Badong had doen gelooven, dat hij tegen Karang Assam zou oprukken, had inder daad zijne troepen naar Klonkong gevoerd, en daar op den 24 en 25 Mei tegen ons gestreden. De dewa agong had ook pogingen gedaan, om den vorst van Badong op zijne zijde te krijgen, maar deze was standvastig blijven weigeren ; die pogingen waren op den 28 Mei nog herhaald geworden, maar hadden toen geene betere uitkomst gehad. Tijdens de gevechten van den 24 Mei was het gebulder van ons geschut tot in Ba- dong gehoord geworden, en had aldaar den grond doen dreunen. Dit had wel eenigzins bijgedragen om den vorst en zijne onderdanen in hunne trouw jegens ons te stijven.

Op den 28 Mei verscheen de goesti gedeh Eai, aan- voerder der Lombokkers, in het hoofdkwartier van den luitenant kolonel van Swieten. Hij vertoonde de krissen der vorsten van Karang Assam en Bleling, alsmede die van goesti Dhlantiek. Zij hadden alle het leven ver- loren, de beide laatsten waren op hunne vlugt achter- haald en omgebragt. De goesti gedeh Eai meldde ook, dat de vorst van Bangli nog altijd in eene vijandelijke houding tegenover het thans onderworpen Karang Assam stond, en niet ophield tegen dat land aanvallender wijs te handelen.

Daar de vorst van Bangli van onze zijde nog geen berigt had ontvangen van den veranderden staat van zaken in Karang Assam, dat voortaan niet meer tct onze vijan- den behoorde, zoo werd hierin onmiddelijk voorzien. Tevens werd van de tusschenkomst van den goesti gedeh Eai gebruik gemaakt tot het zenden van brieven naar Klonkong.

Deze brieven naar Klonkong hadden ten doel, den dewa agong geheel uit den waan te brengen, dat onzen terug- togt van Kasoemba een gevolg was van den door hen geboden tegenstand.

Hem werd geschreven, dat het Nederlandsche gouver- nement, door het verslaan der Klonkongsehe benden te Kasoemba, volkomen geslaagd was in het bestraffen zijner trouwelooze handelingen en, in het belang der be- volking, thans een einde wilde maken aan het verder bloedvergieten; dat het, als een edelmoedig vijand, hem aanbood zijne onderwerping aan te nemen, en hem onder voorwaarde dier onderwerping op den troon zou laten; dat hij dan evenwel ten spoedigste gezanten naar Padang Cove had te zenden, en eindelijk dat, wanneer die ge- zanten niet binnen 8 dagen waren aangekomen, de Ne- derlanders, vereenigd met die van Lombok, andermaal naar Kasoemba zouden oprukken. Binnen de gestelde 8 dagen hoopte de luitenant kolonel van Swieten antwoord te hebben op de punten, die, tot verdere regeling der zaken, aan de overweging van den gouverneur generaal waren onderworpen.

Deze voorwaarden werden nog op den 28 Mei verzon- den, en aan de gedane bedreiging werd klem bijgezet door het stoomschip Hekla, kapitein luitenant Sterk, dat, nog op dien eigen dag, naar Soenla Lawas ging en de aldaar op nieuw verzamelde vijanden met grenaat- en kartetsschoten uit elkander dreef.

Door het veroveren van * Bleling en Karang Assam , het herstellen van het rijkje Djembrana en door de uit- breiding van grondgebied, die aan den radja van Bangli vergund was geworden zich zelf te verschaffen, waren de grensscheidingen tusschen deze landen geheel gewij- zigd. Overal stonden nog troepen te velde en op ver- schillende punten rezen bestendig misverstand en verwik- kelingen. De goesti gedeh Eai gaf, dien ten gevolge, aan den tijdelijken bevelhebber in overweging, om eene bijeenkomst te beleggen van al de vorsten, die de zijde der Nederlanders hielden, ten einde dit alles ten spoe- digste te regelen. Daar eene dergelijke bijeenkomst ook kon dienen, om de genoemde vorsten onmiddelijk met de bevelen van den gouverneur generaal bekend te maken, zoodra die zouden zijn ontvangen, en derhalve kon strekken tot eene meer snelle en ordelijke afdoe- ning der zaken, zoo werd hiertoe besloten en, op den 81 Mei, onmiddelijk tot het verzenden der noodige brieven overgegaan.

De bijeenkomst zou den 6 Junij te Oelakan in de Laboean Amok baai plaats hebben.

Op den 1 Junij zond de goesti gedeh Eai eenen brief, dien hij van den dewa agong van Klonkong had ontvangen. In dien brief werd gezegd, dat de dewa agong genegen was zich aan de Nederlanders te onder- werpen, en aan den goesti voorgesteld, met des dewĽ agongs broeder, eene zamenkomst te houden, op het voorgebergte, dat zich tusschen Soenla Lawas en Padang Cove tot aan het strand uitstrekt, ten einde met elkander over de Balische aangelegenheden te spreken. Goesti gedeh Eai gaf te kennen, dat de brief wel is waar in allen deele welvoegelijk was en schijnbaar niets dan ver- trouwen verdiende, maar dat hij daarom nog geenszins overtuigd was van de goede bedoelingen der Klonkongers, dewijl zij Lombokkers, maar al te veel bewijzen hadden van de weinige opregtheid der BaliŽrs. Hij was niette- min genegen zich op de zamenkomst te laten vinden, maar verzocht den luitenant kolonel van Swieten maat- regelen te nemen, om hem tijdig te kunnen bijsprin- gen , ingeval men hem slechts in eenen strik had willen lokken.

Die maatregelen werden in der daad genomen, doch bleken naderhand noodeloos te zijn geweest. Op de bijeenkomst, die den 2 Junij werd gehouden, waren be- halve de afgevaardigden van Klonkong, ook nog de vorsten van Mengoei en Gianjar, ieder slechts van een klein getal volgelingen verzeld, aanwezig. Zij boden eene onvoorwaardelijke onderwerping aan het Nederlandsch gouvernement aan, en beloofden tevens, dat zij zouden verschijnen op de bijeenkomst van Balische vorsten, die den 6 Junij zou plaats hebben. Hunne betuigingen waren zeer nederig, zij verzekerden in vrede en goede verstand- houding, niet alleen met de Nederlanders, maar ook met de nieuw aangestelde regeringen te willen leven.

Hoewel de herhaald betoonde trouweloosheid der Bali- sche vorsten niet toeliet een volkomen geloof aan hunne betuigingen te hechten, zoo werd niettemin daardoor de hoop, op een spoedig en vredelievend einde der zaken, niet weinig verlevendigd.

Die hoop nam nog meer toe door de berigten, die men in de eerstvolgende dagen ontving. De heer iANGE, Nederlandsch agent te Badong, meldde in verschillende brieven, dat na de gevechten van den 24 en 25 Mei, nog herhaalde en dringende uitnoodigingen , ja zelfs be- velen, van den dewa agong te Badong en Tabanan waren ontvangen, om de vorsten dezer landen te nopen, hem met hunne krijgsmagt bij te staan. Deze vorsten waren evenwel volstandig blijven weigeren, maar hadden zich aan- geboden als bemiddelaars, tot het sluiten van den vrede, optetreden. Dit was ten laatste door den dewa agong aan- genomen, en hij had zelfs den wensch geuit, dat de beide vorsten zich naar Klonkong mogten begeven, opdat hij met hen zou kunnen raadplegen. Ook hierin hadden de twee radja^s bewilligd, zij hoopten zich den 6 Junij bij den dewa agong te bevinden, en hadden den heer Lange uitdrukkelijk verzocht, hiervan aan den Nederlandschen bevelhebber kennis te geven, en hem voor te stellen de bijeenkomst van vorsten , die op dien zelfden dag was bepaald, tot later te verschuiven. Daar dit zelfde ver- zoek ook door den goesti gedeh Eai van Lombok , na- mens den dewa agong was gedaan, zoo werd die bijeen- komst tot den 10 Junij uitgesteld.

De radja van Mengoei had de tusschenkomst van den heer Lange ingeroepen om vergiffenis te verlangen en tot onderpand voor zijne goede gezindheid, zijn eenige zee- haven Sessa afgestaan, waar voorloopig de Nederlandsche vlag was geheschen.

De vorst van Bangli zond geschenken, maar liet zich tan het bijwonen der belegde vergadering verschoonen, dewijl hij vreesde, dat de Klonkongers en die van Men- goei, tijdens zijne afwezigheid , in zijn rijk zouden vallen. Bij de vele reden tot wantrouwen, die de Balische vor- sten elkaar voortdurend gaven, kon men deze vrees niet geheel misbillijken , al kon men dan ook de gegrondheid daarvan niet zoo gaaf aannemen. Men berustte in de aan- geboden verontschuldigingen en besloot den radja later naar Bleling op te roepen.

Hoezeer de luitenant kolonel van Swieten nog altijd twijfelde, begonnen de handelingen, der tot nog toe vijan- dig gezinde Balische vorsten, toch meer en meer den schijn van opregtheid te verkrijgen.

De dag naderde evenwel met rassche schreden, waarop men andermaal eene teleurstelling zou ondervinden.

Er was in Klonkong eene partij, die afkeerig was van den vrede en in haren hoogmoed voort bleef gaan de Nederlanders te trotseren. Het was aan haar, dat de vijandige gezindheid moest worden toegeschreven, die de dewa agong reeds zoo lang tegen ons had gekoesterd.

Aan het hoofd dier partij stond de dewa agong Istri, zuster van den dewa agong. Reeds de generaal Michiels had het aan haren invloed geweten, dat de partij van BleUng en Karang Assam, of die des oorlogs, zoo sterk was te Klonkong. Zij was eene vrouw met mannelijke geestkracht en met een trotsch karakter; aan haar moet voornamelijk den hardnekkigen tegenstand worden toege- schreven, die de onzen bij Soenla Lawas en Kasoemba vonden; het was op hare aansporing, dat de nachte- lijke aanval van den 25 Mei plaats had , en zij was het eindelijk, die bewerkte, dat men bestendig voortging met het bouwen van verschansingen te Klonkong.

De rijksbestuurder dewa Ketoet Agong was haar volko- men toegedaan, en in den radja van Gianjar had zij eenen trouwen bondgenoot.

Toen onze troepen naar Padang Cove terugtrokken, herleefde haren moed en dacht zij dat onze geleden ver- liezen van dien aard waren, dat zij, gepaard aan den dood van den opperbevelhebber, ons verhinderden de krijgsverrigtingen voort te zetten. Het bewustzijn van eigen grootheid en kracht klom daardoor aanmerkelijk.

Uit dezen waan werd zij echter onzacht gewekt door den brief van den 28 Mei, die den dewa agong met eenen nieuwen aanval bedreigde, wanneer hij niet binnen acht dagen afgevaardigden zond, tot het aanbieden zijner on- derwerping.

Deze brief gaf de overtuiging dat onze inzigten, ten aanzien van Klonkong, nog onveranderd waren. Door de geleden verliezen was men daar echter buiten staat, ons vooreerst, met hoop op goeden uitslag, het hoofd te bieden. Men besloot derhalve gebruik te maken van den aange- boden termijn, die later, gelijk wij zagen, tot den 10 werd verlengd, om zich tot eenen hernieuwden en krach- tigen tegenstand voor te bereiden. De engte van Soenla Lawas, door welke wij weder in het rijk van Klonkong zouden moeten binnen nikken, en die uit haren aard reeds eene zoo sterke stelling opleverde, zou door kunst- middelen nog sterker worden gemaakt. Ten einde daarin te kunnen slagen, dienden de lastige bezoeken der stoom- schepen, die nu en dan werden herhaald, op te houden, en eene schijnbare onderwerping, met het doen van aUe- zins aannemelijke vredes voorslagen , was daartoe het beste middel. Men slaagde hierin werkelijk, want men begon die bezoeken, aan onze zijde, voor onnoodig te houden, en wilde bovendien den BaliŽrs ongaarne be- letten hunne godsdienst waar te nemen in een heiligdom, dat zij daartoe bij voorkeur bezochten.

Toen de tijd daar was , waarin een langer veinzen on- mogelijk was, wierpen zij het masker af.

Op voorstel van den goesti gedeh Rai, had de luitenant kolonel van Swieten aan den dewa agong een brief van vrijgeleide, ten behoeve zijner afgevaardigden op de aan- staande bijeenkomst, gezonden. De goesti meende, dat daardoor aan den dewa agong meer gerustheid zou worden gegeven en hij beter de overtuiging zou erlangen, dat hem geen leed zou geschieden en hij in zijne waardigheid zou blijven bevestigd. De brief was, gelijk dit aan In- dische vorsten gebruikelijk is, met Arabische karakters op papier geschreven en in een omslag van geele zijde genaaid geworden; hij was overigens, met in acht neming der vereischte vormen, verzonden.

Den 9 Junij werd daarop een antwoord ontvangen, waarvan niet zonder eenige verbazing kennis werd geno- men. Het was geteekend door dewa ICetoet Agong, rijks- bestuurder van Klonkong en gerigt aan den goesti gedeh Eai van Lombok. Het hield in, dat de dewa agong Gedeh Poetra niet alleen, noch zelve, noch door middel van gemagtigden op de vergadering van den volgenden dag zou verschijnen, maar, dat hij het bovendien zeer onwelvoegelijk vond, dat de luitenant kolonel van Swebten hem tot eene zamenkomst had opgeroepen. Hij voegde er bij, dat, wanneer men een einde aan de vijandelijkhe- den wilde zien, de luitenant kolonel zich naar Kasoemba had te begeven, om den dewa agong vergiffenis te vragen voor het aantasten en vernielen dier plaats.

Te gelijker tijd ontving men ook eenen brief van den radja van Gianjar, slordig op lontarblad en in zeer on- beleefde vormen geschreven, om bekend te maken, dat hij niet in de vergadering kon verschijnen, dewijl hij door een godsdienstig feest werd terug gehouden en de- wijl de Hollanders bovendien wijs genoeg waren, om de zaken, zonder hem, te regelen.

De ontvangst dezer beide brieven ging gepaard met die van een berigt, aangebragt door den luitenant ter zee Ie klasse C. J. Beeghuys, die eene verkenning der kust had verrigt, en dat inhield, dat honderde BaliŽrs te Soenla Lawas ijverig bezig waren met het opwerpen van verschansingen. Er was dus geen twijfel aan, of er moest andermaal naar de wapens worden gegrepen. Gaarne had de luite- nant kolonel van Swieten nog de komst der bevelen af- gewacht, die hij van Batavia te gemoet zag, maar door te toeven, liep men gevaar de engte bij Soenla Lawas zoo- danig te zien versterken, dat zij niet dan met de grootste opofferingen zou kunnen worden genomen. Bovendien was de tijd niet ver meer af, waarin de vloot zich uit deze wateren zou moeten verwijderen. Het was derhalve ' volstrekt onvermijdelijk al dat gene, wat nog met de wa- penen beslist moest worden, binnen den kortst mogelijken tijd, tot beslissing te brengen.

De luitenant kolonel van Swieten besloot, zich dus reeds den volgenden morgen, zijnde den 10 Junij, naar Kasoemba op marsch te begeven.

De dagen van rust, onderwijl te Padang Cove doorge- bragt, hadden den meest heilzamen invloed gehad op den gezondheidstoestand der troepen. Het verblijf in die oorden scheen hun niet, als dat op de noordwestkust van het eiland, nadeelig te zijn; de dagen waren er minder warm en de nachten niet zoo koud. Er waren 200 sol- daten meer beschikbaar dan bij den eersten opmarsch naar Kasoemba. Niettemin had men hier nog het overlijden te betreuren gehad van den kapitein J. Vobstenbos en van den officier van gezondheid 3e klasse J. Stabel.

Naarmate het lichaam in welstand was toegenomen, was ook de geest in betere stemming geraakt. De troe- pen waren blijkbaar meer opgeruimd dan vroeger, men nam meer geestkracht onder hen waar; zij hadden niet alleen in getalsterkte, maar ook in gehalte veel gewonnen. Bij de koelies waren evenwel niet dezelfde gunstige verschijnselen aanwezig; in weerwil dat hunne voeding veel beter was dan die, waaraan zij in hunne haardsteden gewoon waren; in weerwil het klimaat hun minder vreemd was dan aan de troepen , hadden zij toch veel meer geleden dan deze. Het stellen der koelies onder gezaghebbers van hunnen landaard, en zelfs onder zonen en aanverwanten van hunne vorsten, had geenszins die gunstige uitwerking gehad, die men zich er van had voorgespiegeld. Al dadelijk werd een groot aantal koelies aan hunne eigenlijke bestemming onttrokken, ten dienste van de vele over hen gestelde hoogere en mindere hoof- den. De - onderscheiding die men de meeste dezer hoof- den , waaronder prinsen , behoorde te doen genieten , was een groote hinderpaal om dit misbruik tegen te gaan. Men kon met den besten wil over de koelies , niet een zoo naauwkeurig toezigt uitoefenen, als noodig ware ge- weest. Onder die omstandigheden werden zij slecht ver- zorgd en door hunne hoofden, die hun eigen belang voor alles lieten gaan, niet voorzien van de hun toe- komende levensmiddelen en soldij. Meestal zonder dak en zonder beschutting, slecht gevoed en slecht verpleegd, daarbij uit vooroordeel afkeerig, om zich onder de behande- ling onzer geneesheeren te stellen, was het lot dier lieden zeer te beklagen. Het bleek bij deze gelegenheid maar al te zeer , dat een goed zamengesteld korps lastdragers, op eenigzins militaire wijze ingerigt , in IndiŽ, noodza- kelijk is , wanneer men den oorlog met klem en voort- varendheid wil voeren. Een dergelijk korps , wat naar behooren gevoed en verzorgd werd , zou zonder eenigen twijfel, meer diensten bewijzen, dan een dubbel aantal koelies, wat slechts tijdelijk uit de kampongs wordt ge- requireerd. Immers de vermoeijenissen die de koelies tijdens eenen veldtogt te verduren hebben, zijn over het algemeen niet grooter, dan die waaraan de troepen zijn bloot gesteld. Zij hebben oneindig meer te lijden door slechte verpleging en het kwalijk aanwenden hunner krachten.

Bij een onderzoek, dat, door den chef van de genees- kundige dienst, gehouden werd, bleek, dat niet meer dan 800 koelies in staat waren aan den togt deel te nemen. Aangezien dit getal geheel onvoldoende was, verzocht en verkreeg de luitenant kolonel van Swieten van den wnd. kommandant der scheepsmagt (1) , kapitein ter zee Ferguson, dat 150 inlandsche sloeproeijers, die op de vloot aanwezig waren, aan wal werden gezet, om als lastdragers te worden gebezigd. Met behulp van deze, kon men medevoeren, voor drie dagen levensmiddelen en 50 tandoes, die den eersten dag met rijst werden geladen.

Op het medevoeren van eenigen voorraad van munitie voor de infanterie, kon niet gerekend worden, maar daar ieder soldaat van 50 patronen voorzien was , en men dus in het geheel over '130,000 h, 140,000 patronen kon beschikken, zoo hoopte men, bij een spaarzaam vuren, daarmede te zullen toekomen.

Ook voor de artillerie kon geene reserve munitie wor- den medegevoerd, men kon derhalve slechts beschikken over hetgeen in de munitie kistjes der voorwagens en op de draagpaarden der bergbatterij aanwezig was^ en dit bedroeg in alles 500 schoten van verschillende soort en kaliber.

Ten einde evenwel niets te verznimen, zouden door de stoomschepen nog 7 praauwen, geladen met levens- middelen en munitie, naar Kasoemba gesleept en beproefd worden, een en ander daar aan wal te brengen.

Voor de eigenlijke krijgsverrigtingen , werd weder de hulp ingeroepen van het marine landingsbataillon en die van eenige stoomschepen. De laatsten moesten den aan- val op Soenla Lawa en Kasoemba door hun kanonvuur, van uit zee, ondersteunen.

Alles voorbereid zijnde, werd door den luitenant kolo- nel VAN SwiETEN bepaald, dat Padang Cove bezet zou blijven door eene kompagnie van het marine bataillon en voorts door de ligte zieken en convalescenten. Het be- vel aldaar werd opgedragen aan den majoor Hemmes van het 7e bataillon; zijnde dit bataillon het eenige, waarbij zich nog twee hoofdofficieren bevonden.

De troepen zouden in den morgen van den 10, ten vier uur ó bij maanlicht ó afmarcheren, en ieder sol- daat moest voor een dag gekookt voedsel met zich dra- gen. De sterkte bedroeg ongeveer 3000 hoofden, waar- onder 2700 man infanterie.

De Lomboksche troepen zouden, door het gebergte, naar Klonkong marcheren en de regter flank der onzen dekken. Deze marsch werd voor onze troepen ondoen- lijk geacht, en zelfs voor de Lombokkers scheen zij ge- vaarlijk te zijn.

Even als de vorige keer, werd de halve 6 ^ batterij nog den avond te voren door de bergkloof nabij Padang Cove gebragt. De stoomschepen Phoenix, luitenant ter zee Ie klasse J. Ma.y, en Vesuvius, luitenant ter zee Ie klasse H. Camp, waren bestemd tot het beschieten der vijandelijke stellin- gen en moesten ten 6 uur voor de versterking van Soenla Lawas liggen.

Het stoomschip de Onrust, luitenant ter zee 2e klasse J. A. NiEUWENHUiZEN, mocst de praauwen slepen en de beide andere stoomschepen, zooveel doenlijk, met zijn vuur, bijstaan.

VI. DE TWEEDE TOGT NAAR KASOEMBA.

Marscliregeling. ó Gevecht bij Soenla Lawas. ó De vijand is blijkbaar overvallen. ó Voortzetting van den togt naar Ka- soemba. ó - Gevechten bij Kasoemba. ó Inlegerins: der troepen aldaar. ó Voorbereidingen voor den togt naar Klonkong. ó Plotselinge wending in den loop der zaken. ó Vredesaanbie- dingen van wege den dewa agong. ó Oorzaken daarvan. ó Kloeke handeling van den heer Lange, Nederlandsch agent te Bali Badong. ó Zware eischen aan den dewa agong ge* steld, ó De ridmeester voN Stampa brengt die, met den heer Lange, over naar Klonkong. ó Hij verkent tevens het terrein derwaarts. ó De vorsten ontvangen hem met de meeste voorkomend- heid, en nemen de gestelde voorwaarden aan. ó Komst van Z. H. hertog Bernhabd van Saxe Weimar met versche troepen. ó De handelingen van den luitenant kolonel tan Swieten worden goedgekeurd. ó Gezantschappen van de Balische vorsten aan den gouvemenr generaal. ó De hertog van Saxe Weimar houdt eene wapenschouwing over de troepen te Kasoemba. ó Z. H. ontvangt al de vorsten van zuidelijk Bali ten gehoore. ó Over- zigt van den stand van zaken. ó De hertog van Saxe Weimar stelt, naar aanleiding zijner instructiŽn, de grondslagen vast, waarop de tractaten moeten berusten, die met de vorsten zullen worden gesloten. ó Z. H verlaat met de troepen de Z. O. kust van Bali ó Hij begeeft zich naar Bleling en ontvangt aldaar den radja van Bangli. ó Treurige stand van zaken bij onze troepen te Bleling. ó Z. H. vertrekt naar Batavia, nadat de troepen der expeditie bereids in hunne garnizoenen op Java zijn terug gekeerd.

Onze troepen begaven zich, bij heldere maneschijn, op weg; de regeling van den togt was als volgt:

twee kompagniŽn van het 3e bataillon en 50 sappeurs als voorhoede;

de halve bergbatterij (3 ^^s) ;

het 3e bataillon infanterie;

de halve veldbatterij (6 ^'s);

het halve 5e bataillon infanterie;

het 7e bataillon infanterie;

het marine landingsbataillon;

de veldtros en levensmiddelen, onder dekking van eene kompagnie van het 7e bataillon;

het 13e bataillon infanterie, dat eene achterhoede leverde.

Voor men de eerste engte, die het gebergte met de zee vormt, genaderd was, werd eene halte gemaakt om de troepen en veldtros te doen opsluiten en de stoomsche- pen, die nog een weinig achter waren, in te wachten. Deze waren weldra op zijde der troepen en nu ging het langzaam voorwaarts naar Soenla Lawas.

Na het doortrekken der eerste engte, zag men dat de toenadering tot de beheerschende hoogte achter den tem- pel, door kleine schansen was gedekt, en dat men eene borstwering had opgeworpen langs een gedeelte van haren bovenrand, waarover het 5e bataillon op den 24 Mei was getrokken. Het was dus niet wel mogelijk, andermaal langs dien weg in den tempel te geraken.

Bovendien werd door eene tweede zware, nog niet ge- heel voltooide, traverse, die zich aan de werken rondom den tempel aansloot, de toenadering langs het strand be- moeijelijkt. Men zag overigens slechts weinig verdedigers.

Zoodra de beide stoomschepen dwars van den tempel en zijne werken waren gekomen, openden zij daarop een duchtig vuur uit hunne grenaatkanons, terwijl de hou- witzers der landmagt op 500 passen zoodanig in batterij werden gesteld, dat zij de borstwering, die evenwijdig aan het strand liep, enfileerden. Toen het geschutvuur ongeveer een kwartier uurs had aangehouden, zonder dat het in het minste werd beantwoord, besloot de luitenant kolonel van Swieten de vijandelijke sterkte door infanterie te doen aanvallen.

Het halve 5e bataillon kreeg bevel haar door het bouwland regts te naderen, terwijl twee kompagniŽn van het 3e bataillon langs het strand voorwaarts rukten. Naauwelijks waren deze troepen de verschansingen tot op ongeveer 150 schreden genaderd, of een wel onderhouden geweervuur kondigde aan, dat zij bezet waren gebleven. Er werden toen nog eenige worpen uit de handmortieren gedaan en deze dreven de weinige verdedigers ó wier aantal misschien 2 Ť. 300 bedroeg ó op de vlugt. De infanterie trok daarop binnen de sterkte; wij hadden slechts een gewonde bekomen.

Het bleek ten duidelijkste dat de vijand verrast was geworden, en er geenszins op had gerekend, reeds heden te zullen worden aangevallen. Hij had met zooveel oor- deel gebruik gemaakt van hetgeen de ondervinding hem, in het gevecht van den 24 Mei, had geleerd, dat noch het vuur der stoomschepen , noch dat onzer houwitzers hem uit zijne stelling had verdreven.

Na eenigen tijd gerust te hebben, werd de marsch naar Kasoemba voortgezet. Even als op den 24 Mei werd een gedeelte der troepen ó het halve 5e en het 7e ba- taillon met het berggeschut ó bestemd om den regter vleugel te vormen en, door het bedekt en doorsneden terrein, naar de drooge sawahvlakten voort te rukken. De overige troepen vervolgden hunnen weg langs het strand, regtstreeks naar Kasoemba.

Nabij deze plaats werd de voor de onzen zoo kost- bare veldtros, onder bedekking van het 13e bataiUon, op het strand achter gelaten. Eenige vijanden werden door de voorwacht en door eene kompagnie van het marine bataillion, uit het voorste gedeelte der kampong, verdreven.

De stoomschepen, die intusschen ter hoogte van Ka- soemba waren gekomen, wierpen daarin eenige grenaten en stoomden verder naar mate de troepen naderden.

Kasoemba werd nu door het marine bataillon en de sectie 6 ^ der halve veldbatterij zonder tegenstand bezet. Het 3e bataillon, met de sectie houwitzers dezer halve batterij, kreeg bevel aan de noordwestzijde der kampong naar buiten en in de meergenoemde drooge sawahvlakte te rukken.

Zoodra deze troepen daar aangekomen waren, zagen zij op omtrent 6 Ť. 700 schreden afstands een getal van 2 Ť, 3000 gewapende BaliŽrs , die evenwel terugtrokken, naar mate de onzen voorwaarts gingen. Intusschen trad ook de regtervleugel uit het bedekt terrein te voorschijn; de infanterie, in aanvals-kolonnes en het front gedekt door tirailleurs , rukte naast het 3e bataillon in de linie.

Daar de vijand steeds bleef terugtrekken , werden hem eenige grenaten nagezonden en vervolgens twee kom- pagniŽn infanterie en tirailleur opgelost. Deze vervolg- den hem nog eenigen tijd , zonder hem tot staan te kun- nen brengen. Hij verdween in de rigting van Klonkong.

Het was naauwelijks 10 uur voor den middag, toen al deze voordelen waren behaald, doch om de troepen en koelies de noodige rust te schenken en hen te beter geschikt te doen zijn tot het overwinnen van den krach- tigen tegenstand, die welligt te Klonkong zou geboden worden^ besloot de luitenant kojonel van Swieten te Kasoemba nachtverblijf te houden, en zich den volgenden morgen ten 4 uur naar Klonkong in beweging te stellen, Kasoemba bleek minder, door den brand van den 25 , ge- leden te hebben dan men aanvankelijk had gevreesd.

Er waren geene zieken en de troepen waren uitmuntend gestemd; de bevelhebber besloot derhalve in Kasoemba geene bezetting achter te laten, ter verzekering zijner ge- meenschap met Padang Cove, dat vooral bij het terug- voeren van kranken noodig kon zijn, en er dus ook geen depot van munitie en levensmiddelen te vormen, gelijk aanvankelijk zijn voornemen was. Tot een en ander had hij ten minsten een bataillon infanterie moeten afzonderen, en dat bataillon kon hij te Klonkong hoog noodig hebben. Men had bovendien opgemerkt, dat het ontschepen van levensmiddelen te Kasoemba, door de hooge rolling, geene gemakkelijke taak zou wezen, zoodat de daarmede geladen praauwen naar Padang Cove werden teruggezonden. Eene proef om te Kasoemba levensmiddelen aan wal te bren gen, mislukte eenige dagen later volkomen.

Al de maatregelen evenwel, die door den luitenant ko- lonel VAN SwiETBN op de 10 Junij nog werden geno- men, om Klonkong den volgenden morgen krachtig aan te tasten, en zoo mogelijk den laatsten slag toe te bren- gen, bleken noodeloos te zijn geweest. De fortuin had bepaald, dat de onzen zich niet binnen Klonkong zouden vertoonen, maar zij onthield hen daarom geen van de gunstige gevolgen, die het werkelijk bezetten der zetel* plaats van den dewa agong voor hen zou gehad hebben.

Ten 12 uur verscheen de heer Lange, Nederlandsch agent te Bali Badong, aan onze voorposten, en bragt het blijde berigt, dat de vorsten van Badong en Tabanan den vorigen dag, aan het hoofd van 16,000 gewapenden, binnen Elonkong waren getrokken. De dewa agong had zijn gezag tijdelijk in hunne handen nedergelegd , en hun magtiging verleend om den voortgang onzer wapenen te stuiten en voor hem den vrede te bewerken.

Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van het voornemen der beide genoemde vorsten , om zich den 6 Junij naar Klonkong te begeven, ten einde den dewa agong tot het nederleggen der wapenen te bewegen, maar aangezien men daarvan verder niets meer had gehoord^ zoo was door den luitenant kolonel van Swieten ook niet meer op het volbrengen dezer belofte gerekend. Thans waren zij evenwel nog veel verder gegaan, en hadden den dewa agong gewapenderhand tot het staken der vijandelijkheden tegen ons gedwongen. De ware aan- leiding tot deze hunne handelwijze , die zij als eene daad van trouw en gehechtheid aan het Nederlandsche gouver- nement deden gelden, is men niet met zekerheid te weten gekomen, doch er bestaan voldoende redenen om te geloven, dat zij haren oorsprong vond in de reeds vroeger vermelde openingen, die aan den radja van Bangli gedaan waren om hem tot dewa agong te verheffen.

De vorsten van Badong en Tabanan hadden aan den heer Lange hunne bevreemding betuigd, dat op den 10 Junij , de dag die voor de bijeenkomst der vorsten van Bali in ons hoofdkwartier bepaald was, door ons vijandelijkheden waren gepleegd. Zij verloren echter uit het oog, dat zij zelf zich tot het bijwonen dier zamenkomst, reeds in den avond van den 9 , te Padang Cove hadden behooren te bevinden, en dat zij, in den morgen van den 10, nog hoegenaamd geene aanstalten hadden gemaakt, om zich derwaarts te begeven. Zij droegen bovendien ook nog geen kennis van de brieyen^ door den dewa agong en den radja van Gianjar geschre- ven aan den Nederlandschen bevelhebber.

Be heer Lange was juist dien dag van Badong op reis gegaan naar KLonkong; hij had onder weg ons kanonvuur gehoord, maar was in weerwil van het ge- vaar , dat hieruit voor hem als eenig Europeaan te mid- den van zoovele duizende opgewonden inlanders ontstaan kon, doorgereden. Hij had te Klonkong alles in de grootste verslagenheid, maar den dewa agong en zijnen aanhang, niettemin gereed gevonden, zich tot het uiterste te verdedigen. Hij hield den invloed, dien de dewa agong aan zijne geestelijke waardigheid ontleende, voor zoo groot , dat hij er aan twijfelde , of het den vorsten van Badong en Tabanan, in weerwil van hunne goede gezindheid, wel gelukken zou, hunne onderdanen te beletten hem bij te staan, indien hij te Klonkong door ons aangevallen werd. Hij berigtte verder dat aldaar thans 83,000 gewapende BaliŽrs vereenigd waren, als: 10,000 van Tabanan^ 6000 van Badong; 8000 van Gianjar; 4000 van Mengoei en 5000 van Klonkong zelf. Hij deelde ten slotte mede, dat de verzamelde vorsten niets liever wenschten , dan met de Nederlanders in vrede te leven , en dat zij bereid waren aUe voorwaarden aan te nemen.

Als een conditio sine qua non, voor het staken der vij- andelijkheden, vorderde de luitenant kolonel van Swieten, nu het zenden van een gezantschap naar Batavia, met eenen brief van den dewa agong Gedeh Poetea, aan den gouverneur generaal, waarin vergiffenis voor het gebeurde werd gevraagd.

Van alle mogelijke eischen werd deze voor den dewa agong als de zwaarste beschouwd , doch men wilde hem vernederen en tevens eene schitterende voldoening , een openlijk blijk van onderwerping en hulde, dat aan al de overige vorsten in den archipel bekend zou worden, aan het gouvernement verschaffen. De verdere voorwaarden zouden later worden bekend gemaakt, wanneer de bevelen, die van Batavia verwacht werden, zouden zijn ontvangen.

Daar de heer Lange den wensch geuit had, bij zijnen terugkeer naar Klonkong, van een of twee officieren ver- zeld te worden, zoo bekwam de ridmeester von Stampa, sous chef van den staf, den last met hem derwaarts te gaan, en tevens de opdragt, den weg dien hij zou volgen, zooveel doenlijk te verkennen.

Den volgenden dag kwamen de H. H. von Stampa. en Lange, van Klonkong, in het hoofdkwartier terug. De ridmeester was met de meeste voorkomendheid door de vorsten ontvangen. De nog kort geleden zoo opgeblazen radja van Gianjar vernederde er zich zelfs toe, hem in persoon vergiffenis te vragen voor den onbeleefden brief dien hij geschreven had. De ridmeester von Stampa berigtte nog, dat er twee wegen van Kasoemba naar Klonkong voerden, waarvan hij den eenen in het heen- gaan en den anderen in het terugkeeren had doorloopen; de eerste ging door het diepe ravijn, waarin de rivier van Kasoemba stroomde en was daardoor onbruikbaar voor ge- schut; de laatste was voor alle wapens bruikbaar, maar liep door eene aaneenschakeling van welbewoonde kampongs.

Kassiman radja van Badong, had, namens den dewa agong, al de gestelde voorwaarden aangenomen. Hij liet den Nederlandschen bevelhebber weten, dat het hem bij- zonder veel genoegen deed, dat hij niet tot Klonkong was voortgerukt en hij verzocht tevens, in zeer beleefde bewoordingen aan deze, zijne troepen naar Padang Cove te willen terugvoeren, aangezien nu verder toch alles, zonder tusschenkomst der wapenen, zou geregeld worden. Men had echter te veel bewijzen van de weinige goede trouw der Balische vorsten ontvangen, om hierin te be- willigen, en de luitenant kolonel van Swieten besloot derhalve Kasoemba niet te ontruimen, voor het gezant* schap naar Batavia werkelijk zou zijn vertrokken.

Den heer Lange werd derhalve verzocht dit aan den radja Kassiman bekend te maken en er bij te voegen, dat de vijandelijkheden tot den 15 gestaakt blijven, maar daarna weder hervat worden zouden, indien aan onze vorderingen alsdan nog niet was voldaan. Hem werd voorts opgedragen de vorsten te herinneren, dat de ver- dere voorwaarden uit Batavia zouden worden voorgeschre- ven en hen te berigten, dat Z. H. de luitenant generaal hertog Bernard van Saxe Weimar. Eisenach, benoemd was tot opperbevelhebber der expeditie en eerlang, mťt Versche troepen, zou verschijnen.

De tijding der aanstaande komst van Z. H. hertog Bernhard van Saxe Weimar was door den vice admiraal Machielsen op den 11, bij zijne terugkomst van Soera- baya, medegebragt.

Z. H. was pas kort geleden uit Nederland te Batavia aangekomen en had aldaar ter naauwemood het bevel over het Indisch leger aanvaard, toen het berigt van het over- lijden des generaals Michiels werd ontvangen. Ofschoon nog niet lang genoeg in IndiŽ geweest zijnde, om zich aan den invloed van het tropische klimaat te kunnen ge- wennen, aarzelde de hertog geen oogenblik, aan den gou- verneur generaal voor te stellen, zelf het bevel over de expe- ditie op zich te gaan nemen en te handelen, ingevolge de voorschriften aan den generaal Michiels verstrekt. Aan groeten en hem met den stand der zaken bekend te maken. De verrigtingen van den luitenant kolonel TAK SwiETEN, werden terstond door Z. H. goedgekeurd. ^

De hertog ging den 13 Junij te Padang Cove aan wal en begaf zich nog dienzelfden dag naar Kasoemba, waar de troepen bij zijne aankomst onder de wapenen geschaard stonden. Na ze in oogenschouw genomen te hebben, gaf Z. H. hen in vleijende woorden zijne tevre- denheid te kennen, niet alleen over het dapper gedrag, voor zijne komst, door hen gehouden, maar ook over hun goed uiterlijk na eenen veldtogt van drie maanden, die hen zoo vele vermoeijenissen en ontberingen had opgelegd.

Naauwelijks was de komst van eenen Europeschen vorst te Kasoemba, aan de radja's te Elonkong verzameld, beę kend geworden, of zij gaven ó op het voegzame van dessen stap, door den heer Lange oplettend gemaakt - hun ver langen te kennen, bij Z, H. een bezoek te mogen afleg gen. De hertog liet hen terstond weten, dat zij reeds den volgenden dag ó 14Ľ Junij ó zouden worden toegelaten.

In eenen tempel, omringd door eenen stoet van officie- ren en met de kompagnie walbusschutters in zijne nabij heid als eerewacht, werden zij door Z. H. ontvangen. Ten einde meer indruk te maken op hen, die nimmer eene Europesche krijgsmagt van nabij hadden gezien, werden al de troepen , met de nieuw aangekomene 8600 man sterk, op hunnen weg onder de wapenen ge bragt. De luitenant kolonel de Brauw, chef van den staf, ging hen te gemoet tot Gilgie, twee palen van Klonkong, en bragt hen van daar naar Kasoemba.

Hoe verlangend zij ook waren Z. H. den hertog te ontmoeten, zoo werden zij, bij het naderen der troepen, door geene geringe vrees bevangen. Niet dan na ferme herhaalde bemoedigende toespraak en na meniguldige verzekeringen Van den luitenant kolonel de Beauw en den Nederlandschen agent te Badong, de heer Lakge^ dat hun geen leed zou geschieden^ konden zij in hunne nabijheid worden gebragt.

Het eerst verscheen de radja Kassiman van Badong^ daarna radja dewa Pahan van Gianjar, en vervolgens de rijksbestuurder van Mengoei radja Moenak. Zij werden verzeld door verscheidene grooten van Klonkong en Ta- banan, zoodat al de vorsten van zuidelijk Bali, hetzij in persoon, hetzij door hunne afgezondenen, hier tegen- woordig waren.

Hun gevolg was zeer groot, maar ongewapend, slechts 20 man die de bijzondere lijfwacht van den vorst van Badong schenen uit te maken, droegen lansen. Hunne houding was over het algemeen eene geheel andere en vrij wat demoediger dan die der vorsten, die weleer door den generaal Michiels, te Singa radja en Sangsit, werden ontvangen. Duizenden nieuwsgierigen waren uit de kampongs toegestroomd , om den optogt te zien , en men rekent dat Kasoemba, in dien stond, door welligt 12,000 menschen was omringd.

Aan verzekeringen van eerbied en onderwerping aan het Nederlandsch gouvernement, ontbrak het bij de Balische vorsten niet, doch de meest gewigtige was die, waarbij de radja van Badong zich geheel verantwoordelijk stelde voor de goede trouw van den dewa agong.

De vorst van Gianjar werd nog oplettend gemaakt op het onvoegzame van zijnen brief, maar hij vraagde daarvoor in de nederigste woorden verschooning en her- haalde , dat hij zich geheel aan de genade van het gou* vemejnent onderwierp. Blijkbaar voldaan over do heusche ontvangst, die zij van Z. H. hertog Bbrnhasd van Saxe Weimar hadden genoten, keerden zij naar Klonkong terug.

De rijken van Bleling en Karang Assam waren nu veroverd, de vorsten, die daar nog kort geleden de teu- gels van het bewind voerden, hadden, met hunnen meest getrouwen en vaderlandslievenden dienaar, den dood ge- vonden; Klonkong was getuchtigd en vernederd en aan den eisch tot het zenden van een gezantschap naar Ba- tavia was voldaan. Alles derhalve, dat op Bali door de wapenen moest tot stand gebragt worden, had zijn beslag gekregen. Het tijdstip daarenboven, waarin de vloot verpligt zou wezen, straat Lombok, te verlaten, naderde met rassche schreden. Nu reeds was de gemeen- schap tusschen den wal en de vloot, door den zuidoosten wind herhaaldelijk gedurende eenige uren gestremd geweest. Volgens het algemeen gevoelen bij de zeemagt, zou de zuidoosten wind, na het springtij, dat op den 18 of 19 Junij verwacht werd, voor goed en met kracht doorkomen en zou alsdan op den geregelden toevoer van levensmiddeleo en het aan boord brengen van zieken niet meer gerekend kunnen worden.

Het weder inschepen der troepen zou, na dien tijd, met de grootste moeijelijkheden verzeld gaan, en zelfs niet zonder gevaar kunnen geschieden.

Alles wat nog in deze streken te verrigten overbleef, bestond in het sluiten van nieuwe traktaten en hiermede zouden ten minsten nog veertien dagen moeten ver- strijken.

In de instructie aan Z. H. hertog Beknhakd van Saxe Weimae verleend, waren de grondslagen vastge- steld, waarop die traktaten zouden berusten en er waren zelfs door den gouverneur generaal concepten bijge- voegd van de verdragen , die hij wenschte te zien sluiten. Dit alles was echter niet zůů onherroepelijk vastgesteld, of Z. H. behield de bevoegdheid daarin , naar bevinding van zaken, wijzigingen te brengen.

Na eene zamenkomst met den luitenant kolonel van SwiETEN en den kapitein adjudant Jhr. van Capellen, waarin op den voorgrond werd gesteld, dat de BaliŽrs de kracht onzer wapenen thans in voldoende mate hadden on- dervonden, om ons aanzien in hunne rijken niet alleen hersteld, maar zelfs gerezen te achten, kwam Z. H. tot het be- sluit, dat het vaststellen en teekenen der traktaten zonder bezwaar, na het vertrek der troepen zou kunnen geschieden.

De geheele ontruiming van Bali, zeKs ó na het tee- kenen der traktaten ó die onzer redoute te Bleling , kwam den hertog en zijne beide raadslieden wenschelijk voor en te gereeder werd daartoe door Z. H. besloten, daar ook de generaal Michiels van meening was geweest, dat onze hangende geschillen met de vorsten van dat land, behoorden vereffend tť worden, zonder dat door ons een gedeelte hunner landen werd in bezit genomen of gehouden.

De hertog gaf dien ten gevolge bevel tot den terugkeer der troepen naar Padang Cove en tot hunne weder in- scheping. Den 14 Junij begon men Kasoemba te ontrui- men en den 19 daaraanvolgende had de geheele vloot, met de troepen der landmagt aan boord, door de hulp der stoomschepen, de baai van Laboean Amok verlaten.

Daar de hertog van Saxe Weimar de vorst van Bangli nog wilde ontmoeten en deze te dien einde te Bleling was bescheiden, zoo begaf Z. H. zich aan boord van het stoomschip Etna derwaarts. Op den 19 Junij trad de opperbevelhebber te Bleling aan wal en vond de aldaar overgebleven bezetting in eenen deemiswaardigen toe- stand. Het aantal zieken was er tot eene schrikbarende hoogte geklommen. Niet minder dan 370 man bevon- den zich in het tijdelijk hospitaal en daarvan behoorden tot het halve 5e bataillon 190 man of niet minder dan de halve sterkte. Het aantal dooden wisselde dagelijks af; tusschen 4 en 8^ en juist bij aankomst van den her- tog werd een officier der hulptroepen begraven.

Deze ongunstige stand van zaken moest^ naar het ge- voelen der geneeskundigen, hoofdzakelijk worden toege- schreven aan het verschil in temperatuur, dat op den- zelfden dag werd waargenomen en soms tot 24ģ F. steeg, voorts aan de felle heerschende noordoosten winden en aan het gemis van alle schaduw, zijnde er in den omtrek van het kampement geen enkele boom te vinden.

Gelukkig kwamen, weinige dagen later, de schepen, die onze troepen uit dit oord van ellende wegvoerden, en xeeds het berigt van hun aanstaand vertrek was van heil zamen invloed op hunnen toestand.

De radja van Bangli, dewa gedeh Tangkeban, werd op den 22 Junij door Z. H. hertog Beenhabo van Saxe Weimab ontvangen. De daaraan volgende dagen, werden besteed tot schikking van eenige der Balische zaken, waarna Z. H. de volmagt aan hem gegeven, over droeg op den luitenant kolonel van Swieten, en deze be lastte met de eindregeling der staatkundige aangelegenhe- den van het eiland. Het stoomschip Phoemx bleef ten dienę ste van dien hoofdofficier in de wateren van Bali achterĽ

Z. H. de opperbevelhebber kwam den 4 Julij, over Soerabaya, te Batavia aan, nadat bereids al de troepen ^ die tot de expeditie hadden behoord, hunne vorige gar- nizoenen hadden betrokken.

BESLUIT.

Algemeenen aard der traktaten , die met de Balische vorsten wer- den gesloten. ó Meer bepaalden inhoud daarvan. ó Toelichting^ van dien inhoud. ó De vorst van Bangli wordt begiftigd met het ryk van Bleling, ó Oorzaken daarvan. ó De vorst van Mataram op Lombok , wordt begiftigd met het rijk van Karan^ Assam. ó Aanleiding daartoe. ó ' Verlies van invloed , door den dewa agong geleden. ó B^eenkomst van alle Balische vor< sten te Bali Badong , bij den luitenant kolonel van Swieten. ó Onderwerpen aldaar besproken. ó De traktaten worden plegtig. aangenomen. ó Eenige verzoeken door sommige vorsten ge-> daan. -^ Slot.

Na het vertrek der troepen bleef nog over, het rege- len der staatkundige aangelegenheden van het eiland Bali. De inzigten van Z. H. hertog Beenhard van Saxb Wbimae en die van den luitenant kolonel van Swieten over den inhoud der traktaten, die met de vorsten be- hoorden te worden gesloten , kwamen, zoo als wij zagen, geheel overeen met die van den generaal Michiels , gelijk wij ze in onze inleiding hebben ontwikkeld. Nagenoeg dezelfde gronden als die, waarop de zienswijze van den ge- sneuvelden opperbevelhebber was gebouwd, hadden ook hen aanleiding gegeven, tot het vestigen hunner meening. De instructie van Z. H. was met die meening in geenen deele in strijd, en zoo daarin ten aanzien van onderge- schikte punten nog eenig verschil bestond, met hetgeen hij voor nuttig en noodig hield, dan bevatte zij, gelijk wij reeds aanmerkten, daarentegen ook de volmagt , om er naar bevinding van zaken van te kunnen afwijken.

Toen derhalve de hertog van Saxe Weimar van Bali vertrokken was, en de verdere behandeling der zaken had overgedragen aan den luitenant kolonel van Swieten, bijgestaan door den kapitein Jhr. van Capellen, stond ook bij deze op den voorgrond, dat Bali geheel door de Nederlanders moest worden ontruimd, en dat in de traktaten, ten zij de belangen van Nederland, of van de menschheid het uitdrukkelijk vorderden, niets behoorde voor te komen, waarvan men niet zeker was, dat het geene kiem tot latere verwikkelingen bevatte.

De luitenant kolonel van Swieten, kwam dien over- eenkomstig met de vorsten van Bali, aangaande het na- volgende overeen.

Zij erkenden in de eerste plaats, dat hun rijk uit- maakt een gedeelte van Nederlandsch IndiŽ, en dus, als zoodanig geplaatst was onder de opperheerschappij van Nederland. Zoo te land als ter zee namen zij aan, de Nederlandsche vlag te voeren boven de hunne.

Zij beloofden hun land nimmer aan eenige blanke natie dan aan de Nederlanders te zullen overgeven, noch met eene zoodanige natie, zonder onze toestemming, ver- bindtenissen te zullen aangaan.

Zij zouden geene brieven, geschenken of gezantschap- pen zenden naar, of ontvangen van andere natiŽn, zon- der onze voorkennis.

Zij yerbonden zich^ niet toe te laten dat Europeanen zich vestigden binnen hun grondgebied, zonder onze voor- kennis en toestemming, en zij beloofden van alle po- gingen daartoe, terstond kennis te zullen geven aan het Nederlandsch gouvernement, daarentegen zouden zij be- scherming verleenen aan alle Europeanen, die met ons goedvinden zich hun land ten verblijf hadden gekozen.

Wij bekwamen het regt, des verkiezende, in hunne rijken gevolmagtigden te zenden en te doen verblijven, ēen namen aan, de schepen uit hunne rijken in onze ha- vens te behandelen, gelijk die van alle andere be- vriende Indische vorsten.

Zij beloofden de versterkingen te zullen doen slegten, die tegen ons waren opgeworpen en ons naar hun ver- mogen te zullen bijstaan, wanneer wij in oorlog mogten worden gewikkeld.

Zij namen aan niet te zullen toelaten, dat hunne onder- danen zeeroof bedreven, en ook niet te zullen dulden, dat zeeroovers zich in hunne rijken ophielden, of het geroofde aldaar verruilden of verkochten.

Zij deden voor altoos en onherroepelijk afstand van het regt, bekend onder den naam van tawang karang of klip- regt, en beloofden aan gestrande schepen en schipbreukelin- gen alle mogelijke hulp en bijstand te zullen verleenen.

Voor geredde goederen werd hun een bergloon toege- staan, wat hooger of lager was, naar mate aan het redden meer of minder gevaar en moeite was verbonden geweest. Er werden ook regelingen gemaakt hoedanig uitspraak zou worden gedaan, ingeval er verschil rees over het bedrag van dat bergloon.

Zij verbonden zich den menschenroof en slavenhandel te zullen verbieden en tegengaan , en zij namen op zich gevlugte misdadigers of weggeloopen soldaten^ op onze aanvrage^ te zullen doen opsporen en uitleveren.

Het Nederlandsch Indische gouvernement beloofde daar- entegen dat het zoo lang het bovenstaande door de vorsten van Bali getrouwelijk werd betracht, geene pogingen zou aanwenden, om zich in hun land neder te zetten , noch zich met het inwendige bestuur daarvan zou bemoeijen, het nam deze gelegenheid zel& waar om aan de vorsten te verzekeren, dat het dit bestuur geheel aan hen over Het.

Een dergelijk traktaat werd gesloten met den dewa agong van Klonkong , met de vorsten van Bangli , van Djembrana, van Bali Badong , van Tabanan , van Gianjar en van Karang Assam.

Met den dewa agong werd bovendien nog eene a£sonder- lijke overeenkomst aangegaan, bij welke hij, voor zich en zijne opvolgers, zijne goedkeuring hechtte aan die, welke met de overige vorsten van Bali waren gesloten, en zich wijders verantwoordelijk stelde voor de stipte na- koming door de vorsten van Mengoei , van de voor- waarden, voor hem zelf en andere vastgesteld.

Deze traktaten werden door den gouverneur generaal goedgekeurd en bekrachtigd.

Men ziet dat daarin aan geen der vorsten was opge^ legd, het zweren van eenen eed van getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement , gelijk doorgaans van Indische vorsten wordt geŽischt. Men had daarin te rcgt eene rijke bron aan moeijelijkheden gezien, en zelfs gevreesd, dat het stellen van dien eisch aanleiding zou geven , zoo niet tot het verwerpen, dan toch tot het lang verschuiven van het teekenen, der traktaten. De BaliŽrs in het alge- meen, hechten eene hooge waarde aan den eed, en gaan er ongaarne en zeldzaam toe over hem te doen. De dewa agong die nimmer, aan een mensch ter wereld, eenen eed had gedaan, zou daartoe wel het minst van alle te bewegen zijn geweest; de radja's, die ons steeds getrouw waren gebleven, zouden er moeijelijk toe hebben besloten en bovendien in de vordering eenen twijfel aangaande hunne goede trouw hebben gezien. Mogten sommige vorsten later hun verbond willen breken, dan zouden zij daarvan door eenen eed van trouw niet worden teruggehouden, dewijl, hoe heilig de eed bij hen ook wezen moge, zij altijd in de hoogere waarde en meerdere heiligheid van den eed aan den dewa agong, voorwendselen in overvloed zouden vinden, om dien aan ons op den achtergrond te schuiven. De dewa agong kon hen als opperpriester bo- vendien ten allen tijde van dien eed ontslaan.

Ook eene andere zeer gewone voorwaarde, namelijk, idat de gouverneur generaal de wettige opvolgers, der vorsten die mogten komen te overlijden, in hunne nieuwe waardigheden zou bekrachtigen, was achterwege gebleven. Er bestonden toch in de Balische instellingen maar al te veel aanleidingen om eene dergelijke bekrachtiging te kunnen ontduiken, wanneer men vreesde, dat zij niet zou worden verleend. Zoo regeerde de radja TCasstman reeds sedert 1828 over Badong en dit in weerwil der regt- matige aanspraken van zijnen neef, den eigenlijken troons- opvolger. Daar het echter aan den zoon verboden was zijnen vader op te volgen, eer diens lijk plegtig was verbrand en radja Kassdian daartoe aan zijn neef be- stendig de middelen onthield, zoo kon deze zijne aan- spraken niet doen gelden.

Het jaarlijks zenden van voortbrengselen des lands , als eene hulde aan den gouverneur generaal, dat in den aanvang wenschelijk voorkwam, was almede niet gevor- derd. Om die hulde te bekomen, zou men verpligt zijn geweest ook jaarlijks schepen te zenden om haar af te halen, en dit ware weinig in overeenstemming geweest met het denkbeeld, dat men had willen verwezenlijken. Bovendien kwam het zeer wenschelijk voor, nu men een- maal besloten had Bali geheel te ontruimen, ook geene te vermijden aanleidingen te behouden, om met de vor- £iten van dat rijk in aanraking te komen.

De bevoegdheid tot het aanleggen van versterkingen op Bali en de verpligting der vorsten om daartoe de materialen en het werkvolk te leveren, had men niet willen doen erkennen, dewijl daarvan nimmer sprake kon ^jn, dan wanneer men zich later op Bali op nieuw wilde vestigen. Ging men daartoe over, dan zou het zijn ten gevolge van eenen oorlog of bij minnelijke schikking met ieen der vorsten. Voor het eerste geval kon, gelijk van zelve spreekt, niets vooraf geregeld worden; in het tweede geval zou men aUes dienen te betalen, dewijl de vorsten op Bali niets van dien aard, bij wijze van onvergolden heere- dienst of verpligte levering, van de landzaten eischen en zij zelf geene middelen hebben om in de betaling te voorzien.

Ook zou het vaststellen eener zoodanige bepaling zeer ligt achterdocht hebben kunnen wekken.

Het niet toelaten van Europeanen op hun grondgebied zonder onze toestemming eindelijk, was op uitdrukkelijke begeerte van Z. H. den hertog van Saxe Weimab en met het oog op Serawak (Bomeo) bedongen geworden.

Wij hebben thans nog na te gaan op welke wijze in de regering der veroverde landen werd voorzien en te vermelden, waarom met Mengoei geen afzonderlijk tractaat werd gesloten.

De troon van Bleling was door het sneuvelen van den radja Ngoeeah Made Kabjlng Assam vakant geraakt; hij zelf had geene wettige erfgenamen nagelaten, maar een zijner neven Bagoes Pandjie was reeds voor lang door hem tot troonsopvolger bestemd geworden. Had deze zich, na de verovering van Djagaraga en de on- derwerping der bevolking, aan de Nederlanders aangeslo* ten, dan zou hij vermoedelijk door den generaal Michiels tot pengawah van Bleling zijn benoemd geworden, en had hij later tot radja kunnen in aanmerking komenĽ^ Hij had echter, naar het uiterlijk, steeds eene vijandige houding bewaard; er bestonden redenen om aan te ne-^ men, dat hij meer genegenheid toedroeg aan de voor- malige dan aan de tegenwoordige orde van zaken, en men vreesde dus voor eene bloedige reactie in het rijk van Ble- ling, wanneer hij eenmaal de regering zou hebben aanvaard.

Ook den goesti Made Eai , die door den generaal Michiels tot pengawah was aangesteld, had men tot radja kunnen verheffen, want hij was de afstammeling van een oud vorsten geslacht. Dit was echter alles wat ten zijnen gunste kon worden aangevoerd. Hij was geboren en opgevoed in eene kleine, in het binnenland gelegen, kampong en was, door den verarmden toestand zijner maagschap, bestendig buiten aUe deelname aan de regeę^ rings zaken van het land gebleven. Hij was daarenbo- ven zeer bloode, zonder eenige geestkracht en niet wei- nig verslaafd aan het misbruik van opium. Hij zoli zich moeijelijk hebben kunnen staande houden in een land' waar zoo veel partijzucht hecrschte als tť Bleling.

Vele waarborgen voor een goede gang van zaken, meende men daarentegen te bekomen, door tot radja van Bleling te verheffen , den vorst van Bangli, dewa gedeh

Tangkeban. Deze had den naam van veel geestkracht te bezitten en een verstandig en regtvaardig regent te zijn , aan welke eigenschappen hij nog die eener hooge geboorte en van veel persoonlijke dapperheid paarde. Door staat- kundige verwikkelingen, en mogelijk ook wel door zijnen trotschen aard en hooge geboorte, was hij met het groot- ste gedeelte der Balische vorsten in vijandschap geraakt. Klonkong, Karang Assam, Mengoei, Gianjar en vooral Bleling, hadden hem hardnekkige oorlogen aangedaan, waardoor hij eerst Payangan en daarna Batoer had ver- loren, zonder dat hij daarom tot den vrede had kunnen worden gedwongen. Hij achtte zich van een hooger ge- halte dan al de andere vorsten van Bali, en het innige bewustzijn dat hij daarvan bij zich omdroeg, gaf de zekerheid, dat er nimmer eene opregte toenadering zou ontstaan tusschen hem en de overige radja^s. Meer dan eenig vorst, kon die van Bangli dus als onzen natuur- lijken bondgenoot worden aangemerkt.

Zijn land was evenwel aan alle zijden door andere rijken omringd. Hoewel vruchtbaar had het geenen uit- voer, dan met goedvinden zijner buren, en bij de ge- ringste oneenigheid zag het zich verstoken van een der eerste levensbehoeften , namelijk van zout , dat nergens dan aan het strand was te bekomen.

De vereeniging van Bangli met Bleling, was dus niet alleen wenschelijk uit een staatkundig gezigtspunt, maar ook uit dat van het huishoudelijk belang der beide be- volkingen. Immers wanneer Bangli daardoor de vrije gemeenschap met de zee verkreeg, dan werd Bleling daarentegen ook verlost van eene plaag , die Pangli zoo dikwerf het verkoos over dat land kon brengen. Bangli toch was weder in het bezit geraakt van het landschap

Batoer en daardoor meester van al het water dat Bleling voor den rijstbouw behoeft. Het hing derhalve van Bangli af, of voortaan de rijstbouw in Bleling al dan niet zou gelukken.

Toen Z. H. hertog Bernhabd van Saxe Weimar zijne goedkeuring had gehecht aan de vereeniging der beide bedoelde rijken, werd bij dewa gedeh Tangkedan vernomen, of hij genegen was de regering van het rijk van Bleling te aanvaarden en overeenkomstig de aldaar bestaande wetten en gebruiken uit te oefenen. Dit had plaats in de bijeenkomst, waarvan aan het slot van het vorige hoofdstuk melding is gemaakt. Als voorwaarde werd hem bovendien gesteld, dat hij moest afzien van alle aanspraken op het landschap Payangan; dit toch was nog steeds in het bezit gebleven van Klonkong en men wilde geene nieuwe verwikkelingen doen rijzen.

Na over dezen afstand eenigen tijd geaarzeld te hebben, trad hij toe; hij betuigde ,de regering van Bleling, onder de gestelde voorwaarden, te willen op zich nemen, en verzekerde dat hij zich sterk genoeg achtte, om de tegen- werkingen te beteugelen , die hem welligt te wachten stonden. Hij beloofde den pengawah goesti Made Eai tot rijksbestuurder te benoemen van Bleling, en hem te zullen beschenken met de landen die aan goQsti Djilan- TiEK, tot diens onderhoud, waren toegekend geweest.

Op den 25 Junij werd hij door den luitenant kolonel VAN SwiETEN, in eene plegtige vergadering, als vorst van Bleling erkend, en hem daarna eene door Z. H den hertog VAN Saxe Weimar geteekende akte uitgereikt. De vorst van Bangli onderteekende het nieuwe traktaat , en de aanwezige rijksgrooten werden aangemaand tot trouw en gehoorzaamheid aan hunnen nieuwen beheerscher.

De luitenant kolonel van Swietbn had nog eene poging aangewend^ om hem tot eenen eed van getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement over te halen. Deze poging was echter volkomen mislukt; met den meesten eerbied, maar tevens met groote standvastigheid was hij blijven verzoeken, dat men zich met eene belofte van trouw mogt tevreden stellen. De houding, in deze om- standigheid, van eenen vorst, die zoo veel verpligting en zoo veel redenen tot getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement had, gepaard aan de inlichtingen, die men bij deze gelegenheid verwierf over de zienswijze der Ba- liŽrs en vooral van hunne vorsten aangaande den eed, was een der voornaamste oorzaken, die er van deden a£den, hem van andere te eischen.

Soortgelijke overwegingen als aanleiding hadden gegeven om dewa gedeh Tangkeban te verheffen op den troon van Bleling, hadden ook ten gevolge, dat het rijk van Ka- rang Assam gebragt werd onder het bestuur van den vorst van Mataram op Lombok.

De vorst van Earang Assam, Gedeh Ngoerah Eabang AssAM, had in den strijd het leven verloren, maar vooraf met eigen hand zijne vrouwen en kinderen ter dood ge- bragt.

Er bestonden dus geene regtstreeksche erfgenamen meer van den troon.

In Xarang Assam leefde nogthans zekere prins Ida Batos Moeda, een zoon van den in 1838 onwettig ver- dreven vorst van Karang Assam Ida Eatoe, die nu der- halve onmiskenbare aanspraken kon doen gelden. Maar even als Baooes Pandjie, had de jonge Ida Eatoe Moeda iedere gelegenheid om zich aan ons aan te sluiten ver- zuimd, en wat meer is, zelfs de aanbiedingen onbeantwoord gelaten, die hem van wege den generaal Michibls gedaan waren, en die er toe hadden kunnen leiden, hem in zijn voorvaderlijk erfdeel te herstellen. Eerst toen het vol- doende was gebleken dat op de medewerking van dezen jongen vorst niet kon worden gerekend, had de generaal MiCHiELS het besluit genomen, de hulp te aanvaarden, die hem door den vorst van Mataram op Lombok was aangeboden. Uit het verhaal der krijgsverrigtingen hebben wij gezien, dat deze hulp belangrqk had bijgedragen om de Balische zaken spoedig tot een voor ond gewenscht einde te brengen.

De hem gedane belofte dat hij in ieder geval, door uit- breiding van grondgebied , zou beloond worden voor de diensten, die hij ons zou bewijzen, moest nu van zelf tot: het denkbeeld leiden, hem te begiftigen met geheel Ka- rang Assam, op een gedeelte waarvan hij bovendien aan^ spraak maakte.

De vorst van Mataram was overigens in die oorden de oudste bondgenoot der Nederlanders, en stond bekend als een man, die aan groote geestkracht al de hoedanigheden van een goed regent paaide. Hij stond sedert lang niet meer in vriendschappeUjke betrekking tot den dewa agong, wiens beweerd gezag als oppergebieder van Lombok, hij Ôdet wilde erkennen.

Door het bestuur van Karaiig Assam aan dťzen vorst op te dragen, werd ook dit rijk onttrokken aan den in- vloed van den dewa agong, even als Bleling daarvan werd los gerukt door het onder de regering te brengen van dewa gedeh Tangkeban.

Een natuurlijk gevolg van dit een en ander was, dat de invloed der Nederlanders op Bali moest toenemen, naar- mate die van van den dewa agong verminderde. Immers, men kreeg nu aan de eene zijde de landschappen Djem- brana^ Bleling^ Bangli^ Karang Assam^ Badong en Ta- banan onder vorsten , die alle oude bondgenooten der Ne- derlanders waren of aan hen door weldaden waren verbon- den, en die hetzij openlijke, hetzij heimelijke tegenstan- ders waren van het gezag des dewa agongs, terwijl dit gezag aan de andere zijde nog slechts werd gehuldigd door Klonkong, Gianjar en Mengoei.

Toen de hertog van Saxb Weimae zijne goedkeuring had gehecht aan het denkbeeld van den luitenant ko- lonel VAN SwiETEN, otu dcu radja van Mataram op den troon van Karang Assam te plaatsen , werd hem dan ook eene door Z. H. geteekende akte van investitnre, namens het Nederlandsch Indisch gouvernement, uitgereikt.

Wij moeten hier nogmaals met een enkel woord mel- ding maken van het groot verlies van invloed, dat de dewa agong door de jongste gebeurtenissen had geleden. Hij werd gewis bij iedere gelegenheid nog met eenen grooten, ja kinderlijken eerbied bejegend, maar inderdaad was zijn aanzien gefnuikt. Veel had daartoe vermoedelijk bijgedragen, dat de onzen niet naar IQonkong waren voortgerukt. Hadden zij daartoe moeten overgaan dan zou de dewa agong, in de oogen der BaliŽrs, een rampspoe- dig vorst zijn geweest, die alle deernis verdiende en bij hen welligt eene fanatieke vereering had verworven. Thans evenwel was hij een overwonnen , maar ge- spaard vorst, die zich verpligt had gezien het Balische Kapok uit te spreken, hetgeen gelijk staat met: // Ik heb schuld, maar vergeef mij , want ik zal nimmer weder zondigen/'

De vorst van Djembrana werd te Banjoewangie , wer- waarts de luitenant kolonel van Swieten zich voor dienst aangelegenheden had moeten begeven, onder den naam van ratoe goesti Poetoe Ngoeeah Djembrana, be- vestigd. Hij teekende het traktaat en bekwam insgelijks eene akte van aanstelling, die door den hertog van Saxe Weimab, namens het Nederlandsch Indisch gouver- nement , voor hen was afgegeven.

Nadat de zaken van Karang Assam, Bleling en Djem- brana geregeld waren, begaf de luitenant kolonel van Swieten zich naar Bali Badong, waar hij den 2 Julij aankwam. Na een bezoek aan den radja Ngoebah KASsiifAN en de overige prinsen van Bali Badong ge- bragt te hebben, werd met eerstgenoemden geraadpleegd over de mogelijkheid, om de vorsten van zuidelijk Bali, te Bali Badong en wel op de hoofdplaats Kotta en in de woning van den Nederlandschen agent den heer Lange, te vereenigen, ten einde hen bekend te maken met de voorwaarden van vrede, door het Nederlandsch Indisch gouvernement gesteld en hen te hooien over de belangen van Bali. Het gevolg hiervan was, dat de bedoelde vor- sten verzocht werden, zich, op den 8, ter aangewezen plaatse te bevinden.

Aan den dewa agong Gedeh Poetba, die een man van hooge jaren was en ernstig ziek lag, werd verzocht zijnen zoon en opvolger dewa agong Gedeh te zenden met het rijks zegel, als een bewijs, dat hij volmagt had namens zijnen vader te handelen. De overige vorsten werden uitgenoodigd in persoon en verzeld van hmme rijksgroo- ten te verschijnen.

Het antwoord was allezins voldoende, allen namen de uitnoodiging aan en zeKs de weleer zoo trotsche dewa agong, beloofde zijnen zoon te zullen zenden. Daar de meesten echter op zeer goede gronden hadden voorgesteld de bijeenkomst eerst op den 14 te doen plaats hebben ^ werd Herin bewilligd.

Daar niet alle vorsten op den 14 tegenwoordig waren, zoo moest de zamenkomst nog tot den volgenden dag worden verdaagd. Niettemin werd op den 14, met de aanwezigen, eene voorloopige vergadering gebonden, ten einde de artikelen van het traktaat te bespreken. De wijze waarop bij die gelegenheid aangaande twee punten nadere toelichtingen werden gevraagd, getuigde van den wensch der gezamenlijke vorsten om alles voqr te komen, wat in de toekoxnst aanleiding tot botsing zou kunnen geven.

Het eerste had betrekking tot het strandregt. Het gebeurde volgens de verzekering der vorsten dikwerf, dat schepen of praauwen, die op het strand dreven, door hunne bemanningen werden verlaten en dat de gezagheb- bers daarna, aan de gestelde magten op Java, ong^onde klagten deden over geledene verliezen, waarvoor de vor- sten alsdan werden aangesproken. Zij wenschten, dat aan^ de gezaghebbers en schepelingen werd bekend gemaakt^ dat zij, ingeval van schipbrenk, veizekerd konden rijn van de bescherming der Balische vorsten, maar dat zij alsdan ook gehouden waren het gestrandde vaartuig, teif beveiliging der lading, niet te verkten.

De luitenant kolonel gaf hen de verzekering, dat ilt dien geest eene publikatie zou worden uitgevaardigd en; hij onthief hen van alle verantwoordelijkheid voor het lot van vaartuigen, die ontijdig mogten zijn verlaten.

De tweede bedenking werd alleen door den radja van Tabanan geopperd. Zij betrof den slavenhandel. Hij vroeg of het houden van slaven of het maken van slaven binnen de grenzen van het rijk van heden af verboden was. De luitenant kolonel van Swieten gaf hierop ten antwoord, dat het traktaat geene verandering bragt in de wetten van Bali, maar dat de uitvoer van slaven of het verkoopen van slaven, met het doel ze uit te voeren, niet meer mogt plaats hebben. De radja maakte daarop de aanmerking, dat ligtelijk door Tabanansche hoofden slaven konden zijn verkocht, die buiten zijn en hun weten naderhand werden uitgevoerd, en hij verzocht te mogen weten in hoever hij persoonlijk daarvoor verantwoordelijk zou worden gehouden. Daar de luitenant kolonel van SwiETBN aan de wijze, waarop deze vraag geuit werd, ten duidelijkste ontwaarde, dat hier slechts het verlangen bestond, om in de toekomst het ongenoegen van het Nederlandsch Gouvernement te vermijden, geenszios dat, om voorwendselen te berde te brengen tot het ontduiken van het traktaat, en daar hij bovendien door den heer Lange vernam, dat de uitvoer van slaven met Boeginesche praauwen menigvuldiger plaats had, dan men wel ver- moedde , vorderde hij alleen, dat dien uitvoer openlijk zou worden verboden. Hij beloofde verder dat, wanneer daarna slavenhandelaars mogten worden aangehouden, deze en niet de radja deswegens zouden worden aangesproken.

Op den 15 Julij had vervolgens de belegde vergade- ring plaats. Daar waren tegenwoordig de zoon en opvol- ger van den dewa agong Gedeh Poetka van Klonkong; ^e radja Nooebah Kasstman van Badong; de radja ratoe Ngoebah Agong van Tabanan; de radja Dewa Pahan van Gianjar, benevens Anak Agong Ketoet Agong radja van Mengoei. Zij hadden gezamenlijk een gevolg mede- gebragt, dat op 20,000 man geschat en geheel op kosten van den vorst van Badong, of eigenlijk van den heer Lange, gehuisvest en gevoed werd.

Het zamenkomen dezer vorsten om, ten aanzien van duizenden hunner onderdanen, een verbond van vrede en vriendschap te sluiten, met eenen Nederlandschen ge- magtigde, was het meest overtuigende bewijs van den grooten invloed, die wij ten gevolge der jongste gebeur- tenissen op Bali hadden verkregen. Zelfs met de stoutste verwachtingen, had men moeijelijk op eenen beteren uit- slag der krijgsverrigtingen kunnen rekenen.

Het traktaat werd door al de vorsten zonder bezwaar aangenomen en geteekend. Aan dien van Mengoei was geen zoodanig stuk voorgelegd geworden, dewijl liij, naar het oordeel der overige, niet geregtigd was voor zijn rijk een afzonderlijk traktaat aan te gaan. Zij verzekerden dat Mengoei slechts een leen of gelijk zij zich uitdrukten, slechts een koelie van IQonkong was. Klonkong is niet uitgestrekt genoeg, om in al de behoeften des rijks en der rijksgrooten te voorzien, en Mengoei is verpligt aan Klonkong al de diensten te bewijzen, die een vassal, volgens de Balische instellingen, aan zijn leenlieer is ver- schuldigd. De vorst van Klonkong had zich echter, ge- lijk reeds gemeld is, verantwoordelijk gesteld voor de op- volging van het traktaat door Mengoei, en de bezitter van dit leen had, als rijksgroote van Klonkong, de trak- taten met dit rijk gesloten, mede onderteekend.

De te Kotta vereenigde Balische vorsten waren uiterst wellevend en voorkomend jegens den Nederlandschen kom- missaris; zij herhaalden meermalen den wensch voortaan met het Gouvernement in vriendschap te blijven leven. Eenige hunner, zoo als de vorsten van Badang , Tabanan en Gianjar, verzochten vergunning om na de ratificatie der traktaten een gezantschap naar Batavia te mogen zenden, ten einde den gouverneur generaal geschenken van voort- brengselen hunner landen aan te bieden. Alle zonder onderscheid, zelfs de dewa agong, noodigden den luite- nant kolonel van Swietbn uit, hun land te komen be- zoeken. De vorst van Gianjar, die geen stempel bezat tot het zegelen zijner geschriften, verzocht, dat er te Batavia een voor hem gemaakt mogt worden, waarop zijn naam in Nederlandsche karakters voor kwam. De vorst van Tabanan verzocht eveneens een stempel met Nederlandsche karakters te mogen ontvangen.

De radja Kassiman deed een belangrijk verzoek; hij wenschte namelijk twee metalen kanons ten geschenke te bekomen. Daar hij in dezen oorlog inderdaad gewig- tige diensten had bewezen, en hij door de aanwezigheid van den heer Lange in zijne staten, meer dan andere vorsten van Bali, met de voordeden bekend was, die uit geregelde betrekkingen met Europeanen voortvloeijen, zoodat hij alle reden had onze getrouwe bondgenoot te blijven, werd later door den gouverneur generaal aan zijn verzoek voldaan.

De bijeenkomst werd door den luitenant kolonel van SwiETEN gesloten met eene aanspraak aan de gezamenlijke vorsten, die in de Balische taal vertolkt en door hen in de beste gezindheid werd aangehoord.

Zoo was dan de taak der onzen op het eiland Bali geheel volbragt.

Onmiskenbaar waar mag het genoemd worden, dat de moed , de inspanningen en de volharding in het door- staan van vermoeijenissen en ontberingen van allerlei aard, die door onze krijgslieden waren betoond, zoowel als het beleid en de geestkracht hunner aanvoerders, met de schoonste uitkomsten waren beloond geworden.

Zware offers evenwel had het gekost, om den eerbied voor het Nederlandsche gezag en den luister van onzen wapenroem op Bali te herstellen, en daar de regten van zedelijkheid en beschaving te handhaven. Behalve het uitstekend legerhoofd, onder wiens leiding de veldtogt was geopend en voor een groot gedeelte volbragt, had ó gelijk ter zijner plaatse is vermeld ó nog een tal van andere wakkere krijgslieden, hetzij hun leven, hetzij hun bloed moeten prijs geven, om in deze ver verwijderde oorden de belangen van het dierbaar vaderland te dienen. En niet alleen 's vijands lood en staal, maar vooral het moor- dend klimaat der kusten van Bali, had op eene vreesselijkť wijze in de gelederen der onzen gewoed. Eene vermel- ding der verliezen , die gedurende de expeditie zelf zijn geleden, zou slechts een flaauw denkbeeld vermogen iÍ geven van het getal menschenlevens , dat deze krijgstogt inderdaad aan Nederland heeft gekost. Een menigte van wakkere soldaten en officieren bleef in zijne garnizoenen, nog gedurende maanden, lijden aan de schadelijke uit- werkselen van het Balische luchtgestel en van de doorge- stane ellende, om eindelijk geheel uitgeput in het graf te zinken. De namen der meesten hunner, zullen onbe- kend blijven aan tijdgenoot en nageslacht. Doch kuimen wij hen in het bijzonder niet de eer geven die hun toe- komt, dan mogen wij te minder verzuimen eena welver- diende hulde te brengen aan het geheel, waartoe zij be- hoorden. Het Indische leger heeft zich op Bali in 1849, onder de leiding van hertog Bernhasd van Saxe "Weimab; van MICHIELS en van van Swietbn, op nieuw in hooge mate verdienstelijk gemaakt en het heeft getoond ten volle het vertrouwen waardig te zijn, dat daarop door ko* ning en vaderland bestendig wordt gesteld.

De wakkere zeemagt, die aan de expeditie was toege- voegd, heeft geene mindere aanspraken verworven op de erkentelijkheid van Nederland; niet alleen is zij hoogst nuttig geweest door het vlug en vaardig overvoeren, ont- en weder inschepen van troepen en krijgsbehoeften , en heeft zij daardoor de kracht der expeditie aanmerkelijk vergroot, maar zij heeft ook, op eene roemvolle wijze, gedeeld in de gevaren en vermoeijenissen van den oorlog te land.

Den gouverneur generaal J. J. Rochussen, die dezen krijgstogt gebood en met milde hand de middelen ver- schafte, die de bevelhebbers noodig oordeelden om hem met klem door te zetten en te voleindigen, komt zonder tegenspraak een groot deel van den roem toe, die door de Nederlanders in 1849 op Bali werd verworven. Hij had de zelfvoldoening, tot loon zijner doortastende hande- lingen, onzen invloed bij de onafhankelijke vorsten van den Indischen archipel aanmerkelijk uitgebreid te zien.

Wij mogen ten slotte veilig zeggen, dat allen, aan wie het handhaven onzer regten in IndiŽ destijds was opge- dragen, zich loffelijk hebben gekweten. Moge het door hen verrigtte bij het Nederlandsche volk in dankbare her- innering blijven!

EINDE.

    

Previous